‘Nou, Mart,’ zei Talmanes, ‘je bent nooit logisch geweest, dus waarom zouden we nu anders van je verwachten? Laten we dan maar naar de koningin van Andor gaan. Weet je zeker dat je niet eerst nog even in de modder wilt rollen?’
‘Het komt wel goed,’ zei Mart droogjes, en hij trok de rand van zijn hoed omlaag terwijl een soldaat zijn ransel achter op zijn paard bond. Hij spoorde Pips aan, en de stoet begon aan de inmiddels bekende rit naar Caemlin. Mart besteedde de tijd grotendeels aan het overdenken van zijn voornemen. Hij had Aludra’s papieren in een leren map gestopt, en daarin stonden ook haar eisen. Elke klokkengieterij in Caemlin, grote hoeveelheden brons en ijzer, en poedertjes ter waarde van duizenden kronen. En Aludra beweerde dat dat het minimale was wat ze nodig had.
Hoe onder het Licht moest Mart die verrekte Elayne Trakand zover krijgen hem dat allemaal te geven? Hij zou veel moeten glimlachen. Maar Elayne had al eerder bewezen dat ze bestand was tegen zijn glimlach, en koninginnen waren anders dan gewone mensen. De meeste vrouwen glimlachten terug of keken boos naar je, zodat je wist waar je stond. Elayne leek hem zo iemand die naar je glimlachte, en je dan toch in de gevangenis smeet.
Voor één keer zou het fijn zijn als zijn geluk hem ergens neerzette met een lekkere pijp en een dobbelspelletje, met een mooi dienstertje op zijn knie en geen andere zorgen dan de volgende worp. In plaats daarvan was hij getrouwd met een Seanchaans lid van het Hoge Bloed en moest hij nu de koningin van Andor om hulp smeken. Hoe belandde hij toch steeds in dit soort toestanden? Soms dacht hij dat de Schepper een beetje op Talmanes moest lijken. Met een uitgestreken gezicht, maar in het geniep lachte hij zich rot om Mart. Zijn stoet kwam langs talloze kampen op de open vlakten rondom Caemlin. Alle huurlingen moesten op minstens een roede afstand kamperen, maar de legers van edelen mochten hun kamp dichterbij opslaan. Dat bracht Mart in een lastig pakket. Er was altijd spanning tussen huurlingen en trouwe wapenlieden, en nu de huurlingen zo ver van Caemlin vandaan zaten, werd er veel gevochten. De Bond zat er midden tussenin.
Hij deed wat snel rekenwerk op basis van de rookpluimen die hij de lucht in zag kringelen. Er waren minstens tienduizend huurlingen in de streek. Wist Elayne wel wat voor borrelende ketel ze hier brouwde? Te veel warmte, en het hele verrekte ding zou overkoken! Marts stoet trok aandacht. Hij had een van de mannen opgedragen de banier van de Bond van de Rode Hand te laten wapperen, en zijn mannen begonnen naam te maken. Volgens Marts telling waren ze de grootste afzonderlijke groepering – onder alle verzamelingen van huurlingen of edelen – buiten de muren van Caemlin. Ze waren even georganiseerd en geordend als een gewoon leger, en ze stonden onder leiding van een persoonlijke vriend van de Herrezen Draak. Zijn mannen schepten daar als vanzelf over op, hoewel Mart veel liever had dat ze hun mond hielden.
Ze kwamen langs groepen mannen die nieuwsgierig langs de weg stonden te wachten op een glimp van ‘heer Mart.’ Hij hield zijn blik naar voren gericht. Als ze een fatje in een kostbare jas hadden verwacht, dan zouden ze op hun neus kijken! Hoewel hij misschien toch een betere jas had kunnen kiezen. Deze was stijf, en de kraag kriebelde.
Er waren er echter behoorlijk wat die schenen te denken dat Talmanes ‘heer Mart’ was, te oordelen naar hoe ze wezen, waarschijnlijk om hoe hij gekleed was. Bloedas!
Dit gesprek met Elayne zou lastig worden. Maar Mart had een verborgen troef, en hij hoopte dat die goed genoeg zou zijn om haar over de kosten van Aludra’s voorstel heen te helpen. Hoewel hij eerder bang was dat ze zou doorzien wat hij probeerde en er deel aan wilde hebben. En als een vrouw ergens ‘deel’ aan wilde hebben, dan betekende dat dat ze de leiding wilde overnemen. Ze naderden de poort in de witgrijze muren van Caemlin, rijdend door de uitdijende buitenstad. De soldaten wuifden hen door. Mart tikte tegen zijn hoed en Thom wuifde uitbundig naar de kleine menigte die zich daar had verzameld. Ze juichten. Geweldig. Echt geweldig, verdomme.
Tijdens de tocht door de Nieuwe Stad gebeurde er weinig, behalve dat er nóg meer mensen stonden te kijken. Zou niemand zijn gezicht herkennen van die tekeningen? Mart wilde van de hoofdwegen af, maar de smalle straten in Caemlin waren een verwarrende puinhoop. Een groep van vijftig ruiters was te groot om door die straatjes te persen.
Uiteindelijk reden ze door de helwitte muren van de Binnenstad, waar de wegen breder waren, de door Ogier gemaakte gebouwen minder benauwend werden en de bevolking minder dicht was. Hier zagen ze nog meer groepen gewapende mannen, onder wie wachters in het wit en rood. Mart zag hun kamp verderop, waar de grijze plaveistenen van het plein verborgen gingen onder hun tenten en piketlijnen. Het paleis van Caemlin was net een kleine stad in de stad binnen de stad. Er was een lage, versterkte muur, en hoewel de spitsen en torens in de lucht opstaken, leek het eerder een oorlogsbunker dan het Zonnepaleis. Vreemd dat hij dat nooit had opgemerkt toen hij jonger was. Als Caemlin viel, dan kon dit paleis op eigen houtje standhouden. Ze zouden alleen wel meer barakken binnen die muur nodig hebben. Dat kamp op het plein was belachelijk. Mart nam Talmanes, Thom en tien Roodarmen mee als geleide. Een lange man met een gepoetste borstplaat en drie gouden knopen op de schouder van zijn mantel stond te wachten bij de paleisingang. Hij was een jonge man, maar zijn houding – ontspannen maar waakzaam, met zijn hand op de knop van zijn zwaard – wees erop dat hij een geoefend soldaat was. Zonde dat hij zo’n knap gezicht had. Een leven in het leger zou daar waarschijnlijk niet veel van heel laten. De man knikte naar Mart, Thom en Talmanes. ‘Heer Cauton?’ vroeg hij aan Mart. ‘Gewoon Mart.’
De man trok zijn wenkbrauw op, maar zei daar niets op. ‘Mijn naam is Charlz Guybon. Ik zal u naar Hare Majesteit leiden.’ Ze had Guybon zelf gestuurd om Mart te ontvangen. Hij was hooggeplaatst, onderbevelhebber van de legers. Dat was onverwacht. Was Elayne bang voor hem, of eerde ze hem? Misschien had Guybon Mart zelf willen zien. Ze zou Mart vast niet eren, nadat ze hem zo lang had laten wachten op een audiëntie! Een fijne begroeting voor een oude vriend. Zijn vermoedens werden bevestigd toen Guybon hen niet voorging naar de Grote Zaal, maar naar een rustiger gedeelte van het paleis.
‘Ik heb veel over u gehoord, meester Cauton,’ zei Guybon. Hij leek net zo te zijn als die stramme soldaten. Standvastig, maar misschien een beetje té. Als een boog waar niet voldoende veerkracht in zat. ‘Van wie?’ vroeg Mart. ‘Van Elayne?’
‘Voornamelijk geruchten in de stad. De mensen praten graag over u.’
O ja? dacht Mart. ‘De helft van wat ze zeggen heb ik niet gedaan,’ gromde hij, ‘en de andere helft was verdomme niet mijn schuld.’ Guybon lachte. ‘En dat verhaal dat u negen dagen aan een boom hebt gehangen?’
‘Niet gebeurd,’ zei Mart, die de neiging weerstond om aan zijn halsdoek te trekken. Negen dagen? Waar was dat vandaan gekomen? Hij had er nog niet eens negen minuten gehangen, verdomme! Negen téllen waren al te lang geweest.
‘Ze zeggen ook,’ vervolgde Guybon, ‘dat u nooit verliest bij het dobbelen of in de liefde, en dat uw speer nooit zijn doelwit mist.’
‘Ik wou dat die laatste twee waar waren. Ik mag branden, maar was het maar waar.’
‘Maar u wint wél altijd bij het dobbelen?’
‘Bijna wel,’ zei Mart, die de rand van zijn hoed verder omlaag trok.
‘Maar klets daar niet over, anders wil er niemand meer met me spelen.’
‘Ze zeggen dat u een Verzaker hebt gedood,’ merkte Guybon op. ‘Niet waar,’ zei Mart. Waar kwam dat nou weer vandaan? ‘En de verhalen over uw tweegevecht tegen de koning van de Aielse indringers in een strijd van eer? Hebt u echt de Herrezen Draak de trouw van de Aiel bezorgd?’
‘Bloedas,’ zei Mart. ‘Ik heb Couladin gedood, maar dat was niet in een tweegevecht! Ik kwam hem tegen op het slagveld, en een van ons moest dood. Ik had geen zin om verdomme degene te zijn die het loodje legde.’