Выбрать главу

‘Wat is dit?’ vroeg Thom fronsend.

‘Het hof van Andor heeft geen fatsoenlijke hofbard,’ zei ze. ‘Ik dacht dat jij misschien belangstelling had.’

Thom aarzelde. ‘Dat is een eer, maar ik kan het niet aannemen. Ik heb de komende tijd een paar dingen te doen, en ik kan me niet binden aan het hof.’

‘Je hoeft niet aan het hof gebonden te zijn,’ zei Elayne. ‘Je hebt de vrijheid om te gaan en staan waar je wilt. Maar als je in Caemlin bent, wil ik graag dat mensen je kennen om wie je bent.’

‘Ik...’ Hij pakte de rol papier aan. ‘Ik zal erover nadenken, Elayne.’

‘Uitstekend.’ Ze trok een grimas. ‘Ik vrees dat ik nu een afspraak met mijn vroedvrouw heb, maar ik zie jullie bij het avondmaal. Ik heb nog niet gevraagd wat Martrim bedoelde toen hij schreef dat hij een getrouwd man was. Ik verwacht vanavond een volledig verslag! Geen castigaties!’ Ze keek Mart aan en glimlachte sluw. ‘Castigatie betekent dat je delen weglaat, Mart. Voor het geval je dat verdomme niet wist.’

Hij zette zijn hoed op. ‘Dat wist ik wel.’ Wat was dat woord ook alweer? Kastinaties? Licht, waarom had hij in die brief over zijn huwelijk geschreven? Maar dat wist hij wel. Hij had gehoopt er Elay ne zo nieuwsgierig mee te maken dat ze hem zou uitnodigen. Elayne lachte en beduidde hen naar de uitgang. Thom gaf haar nog een vaderlijke kus op de wang voordat ze vertrokken; maar goed ook dat die kus vaderlijk was! Mart had dingen over die twee gehoord die hij niet wilde geloven. En dat nog wel terwijl Thom oud genoeg was om haar grootvader te zijn. Mart trok de deur open en wilde weglopen.

‘En Mart,’ voegde Elayne eraan toe. ‘Als je geld nodig hebt voor een nieuwe jas, dan kan de Kroon je wel wat lenen. Gezien je status zou je je eigenlijk wat beter moeten kleden.’

‘Ik ben geen verrekte edele!’ zei hij, en hij draaide zich om.

‘Nog niet,’ zei ze. ‘Je hebt niet Perijns onversaagdheid om jezelf een titel te geven. Ik zal zorgen dat je er een krijgt.’

‘Waag het niet,’ zei hij.

‘Maar...’

‘Luister goed,’ zei hij terwijl Thom bij hem in de gang stapte. ‘Ik ben tróts op wie ik ben. En ik vind dit een mooie jas. Hij zit lekker.’ Hij balde zijn handen tot vuisten en weigerde onder zijn kraag te krabben.

‘Als jij het zegt,’ zei Elayne. ‘Ik zie jullie bij het eten. Ik neem Dyelin ook mee. Ze is heel nieuwsgierig naar jullie.’ Na die woorden sloot Birgitte de deur. Mart keek er nog even wraakzuchtig naar, en toen draaide hij zich om naar Thom. Talmanes en de soldaten wachtten een eindje verderop in de gang, buiten gehoorsafstand. Ze kregen warme thee van enkele paleisbedienden. ‘Dat ging goed,’ vatte Mart samen, met zijn handen in zijn zij. ‘Ik was bang dat ze niet zou happen, maar volgens mij heb ik haar heel aardig binnengehengeld.’ Hoewel die rottige dobbelstenen nog steeds door zijn hoofd rolden. Thom lachte en sloeg hem op zijn schouder. ‘Wat is er?’ wilde Mart weten.

Tom grinnikte alleen en keek toen naar de brief in zijn andere hand. ‘Kn dit was ook onverwacht.’

‘Nou, Andor heeft inderdaad geen hofbard,’ zei Mart.

‘Ja,’ zei Thom, kijkend naar de brief. ‘Maar hierin wordt me ook gratie verleend, voor alle misdrijven – bekend of onbekend – die ik mogelijk heb gepleegd in Andor of Cairhien. Ik vraag me af wie haar verteld heeft...’

‘Wat?’

‘Niks, Mart. Helemaal niks. We hebben nog een paar uur voor het avondmaal met Elayne. Wat zou je ervan zeggen als we een nieuwe jas voor je gingen kopen?’

‘Best,’ zei Mart. ‘Denk je dat ik ook zo’n gratie kan krijgen, als ik erom vroeg?’

‘Heb je die dan nodig?’

Mart haalde zijn schouders op en liep met Thom mee door de gang. ‘Het kan geen kwaad, voor de zekerheid. Wat voor jas ga je eigenlijk voor me kopen?’

‘Ik heb niet gezegd dat ik betaal.’

‘Doe niet zo vrekkig,’ zei Mart. ‘Ik betaal het eten.’ En bloedas, op een of andere manier, wist Mart, zou hij dat inderdaad doen.

20

Een keus

Je mag niet spreken,’ zei Rosil tegen Nynaeve. De slanke vrouw had een lange hals en droeg een oranje gewaad met gele strepen. ‘Of althans, je mag alleen spreken als je iets wordt gevraagd. Ken je de plechtigheid?’

Nynaeve knikte, en haar hart bonsde verraderlijk terwijl ze door de kerkerachtige gangen diep onder de Witte Toren liepen. Rosil was de nieuwe Meesteres der Novices en bij toeval een lid van de Gele Ajah.

‘Uitstekend, uitstekend,’ zei Rosil. ‘Mag ik voorstellen dat je je ring naar de ringvinger van je linkerhand verplaatst?’

‘Dat mag je voorstellen,’ zei Nynaeve, maar ze verplaatste de ring niet. Ze was immers tot Aes Sedai benoemd. Op dat punt zou ze niet toegeven.

Rosil tuitte haar lippen, maar ze ging er niet op door. De vrouw was opmerkelijk vriendelijk tegen Nynaeve geweest in haar korte tijd in de Witte Toren, en dat was een opluchting geweest. Nynaeve was gaan verwachten dat elke Gele zuster haar laatdunkend of in ieder geval onverschillig zou bekijken. O, ze vonden wel dat ze veel aanleg had, en velen wilden door haar onderwezen worden, maar ze zagen haar nog niet als een van hen. Nog niet.

Deze vrouw was anders, en het was niet juist om haar daarvoor te belonen door zich op te stellen als een kiezel in haar sandaal. ‘Het is belangrijk voor me, Rosil,’ legde Nynaeve uit, ‘dat ik geen enkel teken geef van oneerbiedigheid ten opzichte van de Amyrlin. Zij heeftme tot Aes Sedai benoemd. Als ik nu doe alsof ik alleen maar een Aanvaarde ben, zou ik haar woorden ondermijnen. Deze beproeving is belangrijk; toen de Amyrlin me verhief, heeft ze nooit gezegd dat ik niet beproefd hoefde te worden. Maar ik bén een Aes Sedai.’ Rosil hield haar hoofd schuin, en toen knikte ze. ‘Ja. Ik begrijp het. Je hebt gelijk.’

Nynaeve bleef in de schemerige gang staan. ‘Ik wil je bedanken, en ook de anderen die me de afgelopen dagen welkom hebben geheten; Niere en Meramor. Ik had niet verwacht dat ik hier bij jullie aanvaarding zou vinden.’

‘Er zijn er altijd die zich tegen verandering verzetten, lieve,’ zei Rosil. ‘Zo zal het ook altijd wel blijven. Maar je nieuwe wevingen zijn indrukwekkend. Belangrijker nog, ze werken. Dat levert je een warm welkom van mij op.’ Nynaeve glimlachte.

‘Zo,’ zei Rosil, die haar vinger opstak. ‘Je bent dan misschien een Aes Sedai in de ogen van de Amyrlin en de Toren, maar de gebruiken houden stand. Nu niet meer praten tijdens de rest van de plechtigheid, alsjeblieft.’

De slungelige vrouw leidde haar verder. Nynaeve volgde en slikte een weerwoord in. Ze zou zich niet laten leiden door haar zenuwen. Ze gingen steeds dieper de Toren in, en ondanks haar vaste voornemen om kalm te blijven merkte ze dat ze steeds zenuwachtiger werd. Ze was een Aes Sedai, en ze zóu voor deze beproeving slagen. Ze had de honderd wevingen onder de knie. Ze hoefde zich geen zorgen te maken.

Behalve dat sommige vrouwen nooit uit de beproeving terugkeerden. Deze kelders hadden een soort grootse schoonheid. De gladde stenen vloer was zorgvuldig vlak gemaakt. Hoog aan de muren brandden lampen; waarschijnlijk had een zuster of Aanvaarde die met de Ene Kracht moeten aansteken. Er kwamen hier maar weinig mensen, en de meeste kamers werden als opslagruimte gebruikt. Het leek haar verspilling om zoveel aandacht te besteden aan een plek die zo zelden werd bezocht.

Uiteindelijk kwamen ze aan voor twee deuren die zo hoog waren dat Rosil de Ene Kracht moest gebruiken om ze te openen. Het is een geheugensteuntje, dacht Nynaeve, die haar armen over elkaar sloeg. De koepelgangen, de reusachtige deuren. Dit is hier om Aanvaarden ervan te doordringen hoe belangrijk het is wat ze op het punt staan te doen.

De gigantische, poortachtige deuren zwaaiden open, en Nynaeve dwong zichzelf om haar bibbers onder bedwang te houden. De Laatste Slag naderde. Ze zóu voor deze beproeving slagen. Ze had belangrijk werk te doen.

Met hoog geheven hoofd stapte ze de kamer in. Hij had een koepelzoldering en rondom stonden lampen. Een grote ter’angreaal domineerde het midden. Het was een ovaal, smaller boven- en onderaan, die zonder ondersteuning bleef staan.