Выбрать главу

Ze bleef gestaag doorlopen en bereikte de zespuntige ster toen de Trolloks dichtbij kwamen. Ze begon de weving die ze moest maken en splitste er een draadje Vuur af. Daarna stuurde ze een reusachtige golf van hitte uit en verbrandde de dichtstbijzijnde beesten tot sintels.

Met haar kaken opeengeklemd van angst maakte ze de rest van de vereiste weving. Ze splitste haar wevingen zes keer en had het ingewikkelde ding binnen enkele oogwenken afgerond. Ze zette hem op zijn plek en knikte. Zo. Er kwamen nog meer Trolloks aan, maar ze brandde hen weg met een eenvoudig handgebaar. De zespuntige ster was ingekerfd in de zijkant van een stenen boog. Ze liep ernaartoe en probeerde niet ongerust over haar schouder te kijken. Er kwamen nog meer Trolloks aan. Meer dan zij er kon doden.

Ze bereikte de boog en stapte erdoor.

Nynaeve voltooide de zevenenveertigste weving, die het geluid van klokken maakte. Ze was doodop. Ze had deze weving moeten maken terwijl ze boven op een onmogelijk smalle toren stond, honderden voet hoog. De wind beukte tegen haar aan en dreigde haar er af te blazen.

Beneden, in de donkere nachtlucht, verscheen weer een boog. Hij leek regelrecht uit de zijkant van de pilaar te groeien, een tiental voet beneden haar, parallel aan de grond, met de opening naar de hemel gericht. Daar zag ze de zespuntige ster.

Ze klemde haar kiezen op elkaar en sprong van de spits af, waarna ze door de boog viel.

Ze belandde in een plas. Haar kleding was weg. Wat was ermee gebeurd? Ze stond op en gromde. Ze was kwaad. Ze wist niet waarom, maar iemand had... iets bij haar gedaan.

Ze was verschrikkelijk moe. Dat was hun schuld, wie ze ook waren. Terwijl ze zich op die gedachte concentreerde, werd hij duidelijker. Ze wist niet meer wat die mensen hadden gedaan, maar het was beslist hun schuld. Ze had wonden op beide armen. Was ze geslagen? Haar armen deden ontzettend veel pijn.

Druipend keek ze om zich heen. Ze had zevenenveertig van de honderd wevingen voltooid. Dat wist ze, maar verder niets. Behalve het feit dat iémand heel graag wilde dat ze faalde. Ze zou diegene niet laten winnen. Ze stond op in de plas, vastbesloten kalm te blijven, en vond wat kleding vlakbij. Een gewaad in afgrijselijke kleuren: felroze en geel, met een flinke hoeveelheid rood erin. Het leek haast een belediging. Ze trok het toch maar aan. Ze liep over een pad in de nattigheid, zigzaggend om zinkgaten en plassen stilstaand water te ontwijken, tot ze een zespuntige ster in de modder getekend zag. Daar begon ze aan de volgende weving, waarmee ze een gloeiende blauwe ster de lucht in liet schieten. Iets beet in haar nek. Ze sloeg ernaar en doodde een zwarte vlieg. Nou, het was geen verrassing dat ze die in dit vochtige moeras aantrof. Ze zou blij zijn als...

Nog een beet in haar arm. Ze sloeg ernaar. De lucht begon te zoemen en vliegen suisden om haar heen. Nynaeve klemde haar kaken op elkaar en ging verder met de weving. Steeds meer beten tintelden op haar armen. Ze kon ze niet allemaal doden. Kon ze met een weving misschien van die vliegen afkomen? Ze begon een weving van Lucht om wat wind om haar heen te maken, maar brak hem af toen ze geschreeuw hoorde.

Het werd bijna overstemd door het gezoem van de vliegen, maar het klonk als een kind dat vastzat in het moeras! Nynaeve zette een stap naar het geluid toe en opende haar mond om te roepen, maar meteen vlogen er zwarte vliegen naar binnen, waardoor ze bijna stikte. Ze kwamen op haar ogen af, zodat ze die moest dichtknijpen. Dat gezoem. Dat geschreeuw. Die beten. Licht, ze zaten in haar keel! In haar longen!

Voltooi de weving. Je moet de weving voltooien, dacht ze. Ze zette door, ondanks de pijn. Het geluid van de insecten was zo luid dat ze amper het geruis van de vurige ster kon horen toen die de lucht in vloog. Snel maakte ze een weving om de vliegen weg te blazen, en toen ze dat had gedaan, keek ze hoestend en trillend om zich heen. Ze voelde nog vliegen in haar keel zitten. Ze zag nergens een kind in gevaar. Hadden haar oren haar bedot? Ze zag echter wel een volgende zespuntige ster, boven een deur die was ingekerfd in een boom. Ze liep ernaartoe terwijl de vliegen weer om haar heen zoemden. Kalm. Ze moest kalm blijven! Waarom? Dat sloeg nergens op! Ze deed het toch, lopend met haar ogen dicht terwijl de vliegen om haar heen zwermden. Ze stak haar hand uit, tastte naar de deur en trok hem open. Ze stapte erdoor. In het gebouw bleef ze staan en vroeg zich af waarom ze zo hoestte. Was ze ziek? Ze leunde uitgeput en boos tegen de muur. Haar benen zaten onder de schrammen, haar armen jeukten van een soort insectenbeten. Ze kreunde en keek naar haar felgekleurde kleding. Waarom had ze in vredesnaam rood, geel en roze bij elkaar aangetrokken?

Ze stond met een zucht op en liep door de gammele gang. De planken van de vloer rammelden onder haar voeten en het pleisterwerk aan de muur was verbrokkeld en verpulverd.

Bij een deur gluurde ze naar binnen. De kleine kamer bevatte vier smalle koperen bedden; uit de naden van de matrassen piepte stro. In elk van de bedden lag een klein kind onder een haveloze deken. Twee van hen hoestten, en alle vier zagen ze er bleek en ziekelijk uit. Nynaeve slaakte een kreet en haastte zich de kamer in. Ze knielde bij het eerste kind neer, een jongen van een jaar of vier. Ze controleerde zijn ogen en liet hem hoesten terwijl ze aan zijn borst luisterde. Hij had de kruipende ziekte.

‘Wie zorgt er voor jullie?’ vroeg Nynaeve.

‘Vrouw Mala is de baas in het weeshuis,’ zei het kind zwakjes. ‘We hebben haar al heel lang niet meer gezien.’

‘Alstublieft,’ zei een jong meisje in het volgende bed. Ze had bloeddoorlopen ogen en haar huid was zo bleek dat hij bijna wit was. ‘Een beetje water? Mag ik een beetje water?’ Ze trilde. De andere twee huilden. Deerniswekkende, zwakke geluiden. Licht! Er zat niet één venster in de kamer, en Nynaeve zag kakkerlakken onder de bedden scharrelen. Wie zou kinderen nu in zulke omstandigheden achterlaten?

‘Stil maar,’ zei ze. ‘Ik ben bij je. Ik zorg wel voor jullie.’

Ze moest geleiden om hen te Helen. En dan...

Nee, dacht ze. Dat kan ik niet doen. Ik mag pas geleiden als ik bij de ster ben.

Dan zou ze wel drankjes maken. Waar was haar kruidenbuidel? Ze keek om zich heen, op zoek naar een waterbron. Ze verstijfde; aan de andere kant van de gang was nog een kamer. Was die daar net ook al geweest? Op een kleed op de vloer stond de zespuntige ster. Ze stond op. De kinderen jammerden. ‘Ik kom terug,’ zei Nynaeve, die naar die kamer liep. Elke stap was een dolksteek in haar hart. Ze liet hen in de steek. Maar nee, ze liep toch alleen maar even naar een andere kamer? Toen ze op het kleed stond, begon ze haar weving. Gewoon deze ene, snelle weving, dan kon ze gaan helpen. Ze merkte dat ze huilde terwijl ze werkte.

Ik ben hier eerder geweest, dacht ze. Of een plek zoals deze. Een toestand zoals deze.

Ze werd steeds bozer. Hoe kon ze geleiden terwijl er kinderen om haar riepen? Ze waren stervende.

Ze voltooide de weving en keek toe terwijl er vlagen lucht ontstonden die haar gewaad in beweging zetten. Ze reikte naar haar vlecht en hield die vast terwijl er aan de andere kant van de kamer een deur verscheen. Bovenin zat een klein glazen venster, met daarin de zespuntige ster.

Ze móést doorgaan. Ze hoorde de huilende kinderen. Met tranen in haar ogen en een brekend hart liep ze naar de deur.

Het werd erger. Ze liet mensen achter om te verdrinken, te worden onthoofd en levend te worden begraven. Een van de ergste was toen ze een weving moest maken terwijl dorpelingen werden opgegeten door reusachtige spinnen met een felrode vacht en kristallen ogen.

Ze haatte spinnen.

Soms verscheen ze ergens naakt. Dat zat haar niet langer dwars. Hoewel ze zich geen bijzonderheden kon herinneren, behalve bij de hoeveelste weving ze was, begreep ze – op een of andere manier – dat naaktheid niéts was vergeleken met de verschrikkingen die ze had gezien.

Ze strompelde een stenen boog door terwijl herinneringen aan een brandend huis uit haar gedachten vervaagden. Dit was de eenentachtigste weving. Dat wist ze nog. En dat ze woedend was. Ze droeg een verschroeid kleed gemaakt van een aardappelzak. Hoe was het verschroeid geraakt? Ze rechtte haar rug en legde haar handen tegen haar hoofd, met armen die bonsden, een rug die aanvoelde alsof ze zweepslagen had gehad en haar benen en voeten vol snijwonden en krassen. Ze was in Tweewater. Alleen het was Tweewater niet. Niet zoals zij het zich herinnerde. Enkele gebouwen smeulden, nog steeds in brand.