‘Ze komen terug!’ riep een stem. Meester Alveren. Waarom had hij een zwaard? Mensen die ze kende, mensen die haar dierbaar waren – Perijn, meester Alveren, vrouw Aldonel, Aeric Botteger – stonden bij een lage muur, allemaal met wapens. Sommigen wuifden naar haar. ‘Nynaeve!’ riep Perijn. ‘Schaduwgebroed! We hebben je hulp nodig!’ Aan de andere kant van de muur bewogen reusachtige schaduwen. Schaduwgebroed van afschrikwekkende afmetingen. Geen Trolloks, maar iets veel ergers. Ze hoorde gebrul. Ze moest helpen! Ze liep naar Perijn toe, maar verstarde toen ze – aan de overkant van het veld, de andere kant op – een zespuntige ster tegen een helling geschilderd zag.
‘Nynaeve!’ riep Perijn wanhopig. Hij begon uit te halen naar iets wat met middernachtelijk zwarte tentakels over de muur graaide. Perijn hakte erop in met een bijl toen een ervan Aeric te pakken kreeg en hem schreeuwend de duisternis in sleurde. Nynaeve liep naar de ster toe. Kalm. Beheerst. Dat was belachelijk. Een Aes Sedai moest kalm zijn, dat wist ze. Maar een Aes Sedai moest ook in staat zijn besluitvaardig te handelen, te doen wat nodig was om mensen te helpen die haar nodig hadden. Het maakte niet uit wat het haar persoonlijk kostte. Die mensen hadden haar nodig. Dus begon ze te rennen.
Zelfs dat leek haar niet genoeg. Ze rende naar de ster, maar toch liet ze de mensen van wie ze hield in hun eentje vechten. Ze wist dat ze pas mocht geleiden als ze bij de zespuntige ster aankwam. Dat was gewoon waanzin. Er viel Schaduwgebroed aan. Ze móést geleiden!
Ze omhelsde de Bron, en iets leek haar te willen tegenhouden. Iets wat leek op een schild. Ze duwde het met moeite opzij en de Kracht stroomde door haar heen. Ze begon vuur op het monster af te gooien en brandde zijn tentakel eraf toen hij naar Perijn graaide. Nynaeve bleef met vuur smijten tot ze bij de zespuntige ster was. Daar maakte ze de eenentachtigste weving, waarmee ze drie ringen van Vuur in de lucht vormde.
Ze werkte als een bezetene en bleef tegelijkertijd aanvallen. Ze wist niet wat de zin was van het maken van deze weving, maar ze wist dat ze hem móést voltooien. Dus verhoogde ze de kracht van de weving en maakte de vlammende ringen extra groot. Toen smeet ze die op de schepsels af. Reusachtige stralenkransen van vuur beukten tegen de duistere dingen aan en doodden ze.
Er stond een zespuntige ster op het dak van meester Alverens herberg. Was die erin gebrand? Nynaeve negeerde hem en koelde haar woede op de beesten met tentakels.
Nee. Dit is belangrijk. Belangrijker dan Tweewater. Ik moet verder. Ze voelde zich een verschrikkelijke lafaard – maar wist dat dit de juiste handelwijze was – toen ze naar de herberg rende en er binnenging.
Nynaeve lag huilend op de grond naast een gebroken boogdeur. Ze was aan de laatste van de honderd wevingen toe. Ze kon zich nauwelijks bewegen. Haar gezicht was nat van de tranen. Ze had vage herinneringen aan vluchten voor veldslagen, van dat ze kinderen had laten sterven. Van dat ze nergens genoeg had kunnen doen.
Haar schouder bloedde. Een wolvenbeet. Haar benen waren ontveld alsof ze door een lange rij doornstruiken was gelopen. Overal op haar lichaam zaten brandwonden en blaren. Ze was naakt. Ze kwam overeind op haar knieën, die geschaafd waren en bloedden. Haar vlecht eindigde in een smeulend stompje, ongeveer een handbreedte boven haar schouders. Ze kokhalsde en huiverde. Zo ziek, zo zwak. Hoe kon ze doorgaan?
Nee. Ze verslaan me niet.
Langzaam krabbelde ze op. Ze stond in een kleine kamer, en er scheen fel zonlicht naar binnen door spleten tussen de planken van de wanden. Er lag een bundel wit textiel op de grond. Ze pakte hem op en vouwde hem uit. Het was een wit gewaad met de kleuren van de Ajahs in strepen langs de zoom. De kleding van een Aanvaarde in de Witte Toren.
Ze liet het gewaad vallen. ‘Ik bén Aes Sedai,’ zei ze, stappend over de kleding om de deur open te duwen. Ze kon beter naakt lopen dan aan die leugen toe te geven. Buiten vond ze nog een gewaad, en dit was geel. Dat was beter. Ze gunde zichzelf de tijd om het aan te trekken, hoewel ze niet kon ophouden met trillen en haar vingers zo vermoeid waren dat ze haar amper gehoorzaamden. Haar bloed bevlekte de stof.
Met het gewaad aan keek ze om zich heen. Ze stond op een heuvel in de Verwording. De bodem was begroeid met planten – die opvallende zwarte vlekken vertoonden. Waarom stond er een hut in de Verwording, en wat had zij daar gedaan?
Ze was ontzettend moe. Ze wilde het liefst de hut weer in om te slapen.
Nee. Ze zou doorgaan. Ze sjokte de heuvel op. Bovenaan keek ze uit over een land dat bezaaid was met gebroken puin en holtes van duisternis. Meren, als je ze zo kon noemen. De vloeistof zag er dik en stroperig uit. Er bewogen donkere vormen in. Malkier, dacht ze, stomverbaasd dat ze deze plek herkende. De Zeven Torens, nu alleen nog maar puin. De Duizend Meren, maar vervuild. De plek van Lans erfgoed.
Ze stapte naar voren en stootte haar teen ergens tegen. Een steen onder haar voeten, waarin een klein teken was gekerfd. De zespuntige ster.
Ze zuchtte van verlichting. Het was bijna gedaan. Ze begon aan de laatste weving.
Beneden kwam een man achter een berg puin vandaan, vakkundig zwaaiend met een zwaard. Zelfs op deze afstand herkende ze hem. Die sterke gestalte, dat vierkante gezicht, die van kleur veranderende mantel en die gevaarlijke tred.
‘Lan!’ schreeuwde ze.
Hij werd omringd door beesten die leken op wolven, maar ze waren te groot. Ze hadden een donkere vacht en hun tanden fonkelden toen ze op Lan af sprongen. Duisterhonden, een heel roedel. Nynaeve voltooide de honderdste weving geschrokken; ze had niet eens beseft dat ze ermee door was gegaan. Een fontein van kleurrijke vonken barstte uit in de lucht om haar heen. Ze zag de vonken vallen en voelde zich opgebruikt. Achter zich hoorde ze een geluid, maar toen ze omkeek, was daar niets. Alleen maar de hut. De zespuntige ster hing boven een deur, en deze keer was het teken gemaakt met stukjes edelsteen. Die deur was er daarstraks nog niet geweest. Ze zette een stap naar de hut toe en keek weer om.
Lan zwaaide om zich heen met zijn zwaard en verdreef de Duisterhonden. Eén druppel speeksel van zo’n beest zou hem doden. ‘Lan,’ schreeuwde ze. ‘Rennen!’
Hij hoorde haar niet. De zespuntige ster. Ze moest ernaartoe lopen! Ze knipperde met haar ogen en keek naar haar handen. Midden in haar handpalmen zaten kleine littekentjes. Bijna onzichtbaar. Het zien daarvan wekte een herinnering in haar. Nynaeve... Ik hou van je...
Dit was een beproeving. Dat wist ze nu weer. Het was een beproeving waarin men probeerde haar te dwingen tot een keus tussen hem en de Witte Toren. Ze had die keus al eens gemaakt, maar toen had ze geweten dat het niet echt was.
Dit was toch ook niet echt? Ze hief haar hand naar haar hoofd; haar gedachten waren troebel. Dat daarbeneden is mijn man, dacht ze.
Nee. Ik speel dit spelletje niet!
Ze schreeuwde, weefde Vuur en smeet het naar een van de Duisterhonden toe. Het schepsel vloog in brand, maar het vuur scheen het niet te deren. Nynaeve stapte naar voren en gooide nog meer vuur. Nutteloos! De honden bleven gewoon aanvallen. Ze weigerde toe te geven aan haar uitputting. Ze wees het van de hand, werd rustig, beheerst. Ijzig. Ze wilden haar onder druk zetten, kijken wat ze kon? Nou, goed dan. Ze putte een ongelooflijke hoeveelheid Ene Kracht. Toen weefde ze lotsvuur.
De streep helwit licht sprong van haar vingers en vervormde de lucht eromheen. Ze raakte een van de Duisterhonden en leek hem te doorboren, waarna het licht zijn weg vervolgde en de grond in ging. De grond beefde, en Nynaeve struikelde. Lan viel. De Duisterhonden sprongen op hem af.