Rosil klapte nog eens. ‘Nynaeve Almaeren, je brengt deze nacht door in gebed en overdenking van de lasten die je morgen op je zult nemen, wanneer je de stola van de Aes Sedai omslaat. Het is gedaan.’ Ze klapte nog een derde en laatste keer in haar handen. ‘Dank je,’ zei Nynaeve, ‘maar ik heb mijn stola al en...’ Ze brak haar zin af toen Egwene haar boos aankeek. Een serene blik, maar toch een boze. Misschien had Nynaeve vanavond al iets te veel op haar strepen gestaan.
‘... ik zal graag de gebruiken in acht nemen,’ vervolgde Nynaeve ondanks Egwenes bezwaar, ‘zolang ik eerst iets heel belangrijks mag doen. Dan keer ik terug en volg de gebruiken.’
Nynaeve had een Poort nodig om te komen waar ze naartoe wilde. Ze had niet specifiek tegen de anderen gezegd dat ze de Toren moest verlaten om haar taak te verrichten. Maar ze had ook niet gezegd dat ze dat niet zou doen.
Ze haastte zich door het donkere tentenkamp vlak bij een deels afgebouwde muur. De nachtelijke hemel was donker met die wolken, en aan de buitenrand van het kamp brandden vuren. Misschien te veel vuren. De mensen hier waren buitengewoon voorzichtig. Gelukkig hadden de wachters haar zonder meer het kamp binnengelaten; de Grote Serpent-ring verrichtte wonderen als je hem op de juiste plaatsen toepaste. Ze hadden haar zelfs verteld waar ze de vrouw kon vinden die ze zocht.
Eigenlijk was Nynaeve verbaasd geweest deze tenten buiten in plaats van binnen de muren van de Zwarte Toren aan te treffen. Deze vrouwen waren gestuurd om Asha’man te binden, zoals Rhand had aangeboden. Maar volgens de wachters bij de ingang lieten ze Egwenes afvaardiging wachten. De Asha’man hadden gezegd dat ‘anderen de eerste keus hadden’, wat dat ook betekende. Egwene wist waarschijnlijk meer; zij had boodschappers heen en weer gestuurd naar de vrouwen hier, vooral om hen te waarschuwen voor Zwarte zusters die mogelijk onder hen waren. Degenen die ze al kenden, waren verdwenen voordat de eerste boodschappers aankwamen. Nynaeves hoofd had er niet naar gestaan om nog meer bijzonderheden te vragen. Ze had iets anders te doen. Ze stapte naar de juiste tent, zo vermoeid van de beproeving dat ze het gevoel had dat ze elk ogenblik op de grond kon belanden, te midden van haar gele gewaad. Vlakbij liepen een paar Zwaardhanden door het kamp, die haar met kalme gezichten bekeken.
De tent voor haar was een eenvoudig grijs ding. Er brandde een lichte gloed binnen en ze zag schaduwen bewegen. ‘Mijrelle,’ zei Nynaeve luid. ‘Ik wil je graag spreken.’ Ze stond ervan te kijken hoe sterk haar stem klonk. Ze had niet het gevoel dat ze nog veel kracht over had.
De schaduwen stopten en bewogen weer. De tentflap ruiste en een verward gezicht keek naar buiten. Mijrelle droeg een blauw nachtgewaad dat bijna doorschijnend was, en een van haar Zwaardhanden – een beer van een vent met een dichte zwarte baard in Illiaanse stijl – zat met ontbloot bovenlichaam binnen op het grondzeil. ‘Kind?’ vroeg Mijrelle, en ze klonk verbaasd. ‘Wat doe je hier?’ Ze was een schoonheid met een olijfkleurige huid, met lang zwart haar en weelderige rondingen. Nynaeve moest zichzelf ervan weerhouden naar haar vlecht te reiken. Die was nu te kort om aan te trekken. Daar zou ze niet snel aan wennen.
‘Je hebt iets wat van mij is,’ zei Nynaeve.
‘Hmm... Het is maar hoe je het bekijkt, kind.’ Mijrelle fronste haar voorhoofd.
‘Ik ben vandaag verheven,’ zei Nynaeve. ‘Officieel. Ik ben voor de beproeving geslaagd. We zijn nu gelijken, Mijrelle.’ Ze liet het tweede deel onuitgesproken; dat Nynaeve de sterkere van hen twee was. Dus niet echt gelijken.
‘Kom morgen terug,’ antwoordde Mijrelle. ik ben bezig.’ Ze wilde de tent weer in gaan.
Nynaeve pakte de arm van de vrouw vast. ik heb je nooit bedankt,’ zei ze, hoewel het haar moeite kostte om de woorden over haar lippen te krijgen. ‘Dat doe ik nu. Hij leeft nog vanwege jou. Ik besef dat. Maar, Mijrelle, dit is niét de tijd om met me te sollen. Vandaag heb ik mensen van wie ik hou afgeslacht zien worden, ik ben gedwongen om kinderen in een levende hel achter te laten. Ik ben verbrand, verwond en getergd.
Ik zweer je, vrouw, als je niet onmiddellijk Lans binding aan me overdraagt, dan stap ik je tent in en leer ik je een lesje in gehoorzaamheid. Zet me niet onder druk. Morgenochtend leg ik de Drie Geloften af. Ik ben er nog één nacht vrij van.’
Mijrelle verstarde. Toen zuchtte ze en stapte de tent weer uit. ‘Zo zij het.’ Ze sloot haar ogen, weefde Geest en stuurde de wevingen in Nynaeves lichaam.
Het voelde alsof er fysiek een voorwerp in haar geest werd geduwd. Nynaeve hijgde en alles draaide om haar heen. Mijrelle draaide zich om en glipte haar tent in. Nynaeve liet zich omlaag zakken tot ze op de grond zat. Er bloeide iets op in haar hoofd. Een bewustzijn. Mooi, schitterend.
Hij was het. En hij leefde nog.
Gezegend Licht, dacht ze met gesloten ogen. Dank u.
21
Een open Poort
Het leek ons beter,’ zei Seonid, ‘als een van ons het volledige verslag uitbracht. Ik heb inlichtingen bij de anderen verzameld.’
Perijn knikte afwezig. Hij zat op kussens in het vergaderpaviljoen, met Faile naast hem. Het zat er weer propvol mensen. ‘Cairhien is nog steeds een puinhoop, natuurlijk,’ begon Seonid. De zakelijke Groene was een norse vrouw. Ze was niet gemeen of onaardig, maar zelfs haar omgang met haar Zwaardhanden leek eerder die van een welvarende boer jegens zijn knechten. ‘De Zonnetroon is al veel te lang onbezet. Iedereen weet dat de Herrezen Draak de troon aan Elayne Trakand heeft beloofd, maar zij heeft het druk gehad met het veiligstellen van haar eigen troon. Dat heeft ze volgens zeggen eindelijk gedaan.’
Ze keek naar Perijn en gaf een tevreden geur af. Hij krabde in zijn baard. Dit was belangrijk, en hij moest opletten. Maar gedachten aan zijn onderricht in de wolfsdroom bleven aan hem trekken. ‘Dus Elayne is koningin. Daar zal Rhand wel blij om zijn.’
‘De reactie van de Draak is onbekend,’ vervolgde Seonid, alsof ze weer een punt van haar lijst schrapte. De Wijzen maakten geen opmerkingen en stelden geen vragen; ze zaten in een groepje op hun kussens, als klinknagels op een scharnier. Waarschijnlijk hadden zij dit allemaal al van de Speervrouwen gehoord. ‘Ik ben er vrij zeker van dat de Draak in Arad Doman is,’ vervolgde Seonid. ‘Fr zijn meerdere geruchten die hierop wijzen; hoewel er natuurlijk geruchten over hem gaan op vele uiteenlopende plekken. Maar Arad Doman is logisch gezien voor hem een tactische verovering, en de onrust daar dreigt de Grenslanden te destabiliseren. Ik weet niet of het waar is dat hij de Aiel daarheen heeft gestuurd.’
‘Ja, dat is waar,’ zei Edarra eenvoudig. Ze bood geen nadere verklaring.
‘Ja,’ zei Seonid. ‘Nou, volgens veel van de geruchten zal hij de Seanchanen ontmoeten in Arad Doman. Ik vermoed dat hij de stammen daar wil hebben om hem bij te staan.’
Dat riep gedachten op aan Malden. Perijn stelde zich damane en Wijzen in een oorlog voor, de Ene Kracht die door rijen van soldaten scheurde, bloed, aarde en vuur tollend door de lucht. Het zou net zo zijn als bij Dumais Bron, maar dan erger. Hij huiverde. Hoe dan ook, door de visioenen – en die verschenen terwijl Seonid sprak – wist hij dat Rhand was waar zij zei.
Seonid ging verder over de handel en de voedselvoorraden in Cairhien. Perijn merkte dat hij zat te denken aan die vreemde, violetkleurige muur die hij in de wolfsdroom had gezien. Stommeling, zei hij streng tegen zichzelf. Lúísteren moet je. Licht! Hij was echt een slecht heerser. Hij had er geen moeite mee gehad de wolven aan te voeren toen ze hem lieten jagen. Waarom kon hij niet hetzelfde doen voor zijn eigen mensen?
‘Tyr verzamelt soldaten,’ zei Seonid. ‘Volgens de geruchten heeft de Draak koning Darlin bevolen om mannen te rekruteren voor een oorlog. Er is nu trouwens kennelijk een koning in Tyr. Een merkwaardig gegeven. Sommigen zeggen dat Darlin naar Arad Doman zal trekken, maar anderen zeggen dat hij naar de Laatste Slag moet gaan. Weer anderen houden vol dat Altor van zins is de Seanchanen eerst te verslaan. Alle drie de mogelijkheden lijken geloofwaardig, en ik kan er niet meer over zeggen zonder zelf naar Tyr te gaan.’ Ze keek Perijn aan en rook hoopvol.