‘Nee,’ zei Perijn. ‘Nog niet. Rhand is niet in Cairhien, maar Andor lijkt stabiel. Het is het meest logisch als ik daarheen ga om met Elayne te praten. Zij kan ons dan meer vertellen.’ Faile rook ongerust.
‘Heer Aybara,’ zei Seonid, ‘denkt u dat de koningin u zal verwelkomen? Met de vlag van Manetheren, en uw zelfgekozen titel van heer...’
Perijn keek boos. ‘Allebei die stomme banieren zijn neergehaald, en Elayne zal het wel begrijpen als ik het haar uitleg.’
‘En mijn soldaten?’ vroeg Alliandre. ‘U zult toch eerst moeten overleggen voordat u buitenlandse troepen Andoraans grondgebied laat betreden.’
‘Jullie gaan niet mee,’ zei Perijn. ik heb het al eerder gezegd, Alliandre. Jullie gaan naar Jehanna. We brengen jullie daarheen zodra we hebben afgerekend met de Witmantels.’
‘Is er dan een besluit over hen genomen?’ vroeg Arganda. Hij boog zich gretig en opgewonden naar voren.
‘Ze eisen een veldslag,’ zei Perijn. ‘En ze negeren mijn verzoeken om verder overleg. Ik heb de neiging om ze hun zin te geven.’ Ze begonnen daarover te praten, hoewel het al snel een twistgesprek werd over wat het betekende dat er een koning was in Tyr. Uiteindelijk schraapte Seonid haar keel en stuurde het gesprek weer terug naar haar verslag.
‘De Seanchanen zijn een onderwerp van veel onenigheid in Cairhien,’ zei Seonid. ‘De indringers schijnen zich te richten op het veiligstellen van hun landen, waaronder Altara. Ze breiden zich echter in het westen nog steeds uit, en er worden veldslagen geleverd op de Almothvlakte.’
‘Die zich uitbreiden naar Arad Doman,’ zei Arganda. ‘Daar broeit een veldslag.’
‘Zeer waarschijnlijk,’ antwoordde Seonid.
‘Als de Laatste Slag eraan komt,’ zei Annoura, ‘dan zou het van voordeel zijn om een bondgenootschap met de Seanchanen te hebben.’ Ze keek nadenkend terwijl ze met gekruiste benen op haar geborduurde blauw met gele zijden kussen zat.
‘Ze hebben Wijzen geketend,’ zei Edarra, en haar te jonge gezicht betrok. Ze rook gevaarlijk. Boos maar kil, als de geur van iemand net voordat hij een moord pleegt. ‘Niet alleen Shaido, die hun lot verdienen. Als er een bondgenootschap bestaat met de Seanchanen, dan zal dat eindigen zodra het werk van de Car’a’carn voltooid is. Nu al spreken veel van mijn mensen over een bloedvete met die indringers.’
‘Ik denk niet dat Rhand oorlog tussen jullie wil,’ zei Perijn. ‘Een jaar en een dag,’ zei Edarra eenvoudig. ‘Wijzen kunnen niet tot gai’shain worden gemaakt, maar misschien zijn de Seanchaanse gebruiken anders. Toch geven we ze een jaar en een dag. Als ze hun gevangenen niet vrijlaten zodra wij het na die tijd eisen, zullen ze onze speren kennen. Meer kan de Car’a’carn niet van ons eisen.’ Het werd stil in het paviljoen.
‘Hoe dan ook,’ zei Seonid, die haar keel schraapte, ‘zodra we klaar waren in Cairhien, hebben we de anderen ontmoet, die naar Andor waren gegaan om de geruchten daar te peilen.’
‘Wacht even,’ zei Perijn. ‘Andor?’
‘De Wijzen besloten daar Speervrouwen heen te sturen.’
‘Dat was niet de bedoeling,’ gromde Perijn, kijkend naar de Wijzen. ‘Jij bestuurt ons niet, Perijn Aybara,’ zei Edarra rustig. ‘We moesten weten of er nog steeds Aiel in de stad waren of niet, en of de Car’a’carn daar was. Je Asha’man gehoorzaamden ons toen we om een Poort vroegen.’
‘Iemand had die Speervrouwen wel kunnen zien,’ gromde hij. Nou, hij had zelf tegen Gradi gezegd dat hij Poorten moest maken als de Aiel daarom vroegen, hoewel hij het daarbij alleen had gehad over het tijdstip van vertrek en terugkeer. Hij had nauwkeuriger moeten zijn.
‘Ze zijn niet gezien,’ zei Seonid geërgerd, alsof ze het tegen een onwetend kind had. ‘Tenminste, niet door mensen die ze niet toch al wilden spreken.’ Licht! Lag het aan hem, of begon ze verdacht veel te lijken op een Wijze? Was dat wat Seonid en de anderen in het Aielkamp deden? Leren hoe ze nóg koppiger konden worden? Het Licht sta hen allemaal bij.
‘Hoe dan ook,’ vervolgde Seonid, ‘het was verstandig van ons om naar Caemlin te gaan. Je kunt geruchten niet vertrouwen, vooral niet aangezien men zei dat er een Verzaker actief was in die streek.’
‘Een Verzaker?’ vroeg Gallenne. in Andor?’
Perijn knikte en beduidde dat hij nog wel een kom warme thee lustte. ‘Rhand zei dat het Rahvin was, hoewel ik in Tweewater was toen die strijd plaatsvond.’ De kleuren wervelden in Perijns hoofd. ‘Rahvin deed zich voor als een plaatselijke edele, een man die Gabral of Gabil of zoiets heette. Hij gebruikte de koningin – zorgde dat ze verliefd op hem werd of zoiets – en vermoordde haar toen.’ Een dienblad raakte met een gedempte galm de grond. Porseleinen kommen braken, thee sproeide de lucht in. Perijn draaide zich vloekend om, en meerdere Speervrouwen sprongen overeind en grepen hun riemmessen.
Maighdin stond stomverbaasd te kijken, met haar armen langs haar lichaam. Het gevallen dienblad lag voor haar op de grond. ‘Maighdin!’ riep Faile. ‘Gaat het wel?’
De blonde bediende draaide zich naar Perijn toe en leek verdoofd.
‘Heer, zou u dat alstublieft willen herhalen?’
‘Wat?’ vroeg Perijn. ‘Vrouw, wat is er met je?’
‘U zei dat een Verzaker zich ophield in Andor,’ zei Maighdin met rustige stem. Ze gaf hem een scherpe blik die evengoed van een Aes Sedai had kunnen komen. ‘Weet u zeker wat u hebt gehoord?’ Perijn ging weer op zijn kussen zitten en krabde aan zijn kin. ‘Zo zeker als ik maar kan zijn. Het is al een tijdje geleden, maar ik weet dat Rhand overtuigd was. Hij heeft tegen iémand met de Ene Kracht gevochten in het Andoraanse paleis.’
‘Zijn naam was Gaebril,’ zei Sulin. ‘Ik was erbij. De bliksem sloeg in vanuit een heldere hemel, en er bestond geen twijfel over dat het de Ene Kracht was. Het was een Verzaker.’
‘Er waren mensen in Andor die beweerden dat de Car’a’carn hierover had gesproken,’ voegde Edarra eraan toe. ‘Hij zei dat die Gaebril verboden wevingen had gebruikt op natlanders in het paleis, hun geest had verwrongen, waardoor ze dachten en deden wat hij wilde.’
‘Maighdin, wat is er?’ vroeg Perijn. ‘Licht, vrouw, hij is dood! Je hoeft niet bang te zijn.’
‘Ik moet mij verontschuldigen,’ zei Maighdin. Ze liep het paviljoen uit en liet het dienblad met gebroken porselein, wit als bot, op de grond liggen.
‘Ik praat straks wel met haar,’ zei Faile beschaamd. ‘Het is een schok voor haar om te ontdekken dat ze zo dicht bij een Verzaker woonde. Ze komt uit Caemlin, weet je.’
De aanwezigen knikten, en andere bedienden kwamen naar voren om de rommel op te ruimen. Perijn besefte dat hij geen thee meer zou krijgen. Domme kerel, dacht hij. Het grootste deel van je leven kon je ook niet op elk gewenst ogenblik thee krijgen. Je gaat niet meteen dood als je geen nieuwe kom thee voorgezet krijgt zodra je met je hand zwaait.
‘Laten we doorgaan,’ zei hij, verzittend op zijn kussens. Hij kon het zich nooit echt gemakkelijk maken op die rotdingen. ‘Mijn verslag is voltooid,’ zei Seonid, nadrukkelijk de bediende negerend die voor haar voeten bezig was porseleinscherven van de grond te rapen.
‘Ik blijf bij mijn eerdere besluit,’ zei Perijn. ‘Afrekenen met de Witmantels is belangrijk. Daarna gaan we naar Andor en zal ik met Elayne praten. Gradi, hoe gaat het bij jullie?’
De tanige Asha’man in zijn zwarte jas keek op. ‘Ik ben volledig hersteld van mijn ziekte, heer, en Neald ook bijna.’
‘Je ziet er nog steeds moe uit,’ zei Perijn.
‘Dat ben ik ook,’ beaamde Gradi, ‘maar ik mag branden, ik voel me beter dan sinds lang voordat ik naar de Zwarte Toren ging.’