Выбрать главу

‘Het wordt tijd om een deel van de vluchtelingen terug te sturen naar waar ze horen,’ zei Perijn. ‘Met die cirkels kunnen jullie een Poort langer open houden?’

‘Ik ben er niet helemaal zeker van. Het is nog steeds vermoeiend om deel uit te maken van een cirkel. Misschien nog wel vermoeiender. Maar ik kan met de hulp van de vrouwen veel grotere Poorten maken; groot genoeg om twee wagens doorheen te laten rijden.’

‘Mooi. We beginnen ermee de gewone mensen naar huis te sturen. Iedereen die we terugsturen naar waar hij hoort, is een last op mijn schouders minder.’

‘En als ze niet willen vertrekken?’ vroeg Tam. ‘Veel van hen zijn met de oefeningen begonnen, Perijn. Ze weten wat er komen gaat, en ze zien dat liever hier onder ogen – bij jou – dan zich thuis te verstoppen.’

Licht! Waren er dan helemaal geen mensen in dit kamp die terug wilden naar hun familie? ‘Er zijn er toch wel een paar die naar huis willen?’

‘Een paar,’ zei Tam.

‘Vergeet niet,’ zei Faile, ‘dat de ouden en zwakken zijn weggestuurd door de Aiel.’

Arganda knikte. ‘Ik heb me in die troepen verdiept. Steeds meer gai’shain herstellen zich van hun verdoofde toestand, en als ze dat doen, dan zijn ze hard. Even hard als veel soldaten die ik heb gekend.’

‘Sommigen willen wel even bij hun familie gaan kijken,’ zei Tam, ‘maar alleen als ze daarna weer mogen terugkomen. Zij zien die hemel ook. Ze weten wat er komt.’

‘Voorlopig sturen we degenen terug die dat willen en die thuis willen blijven,’ besloot Perijn. ‘Ik kan me pas met die anderen bezighouden als ik klaar ben met de Witmantels.’

‘Uitstekend,’ zei Gallenne gretig. ‘Hebt u een aanvalsstrategie?’

‘Nou,’ zei Perijn, ‘Ik dacht dat als ze zo vriendelijk zouden zijn zich in een rij op te stellen, we de boogschutters en geleiders konden opdragen hen te vernietigen.’

‘Dat vind ik een goede strategie,’ zei Gallenne, ‘zolang mijn mannen zich mogen bekommeren om het gespuis dat aan het einde overblijft.’

‘Balwer,’ zei Perijn. ‘Schrijf naar de Witmantels. Zeg maar dat we zullen vechten, en dat zij een plek mogen kiezen.’ Terwijl hij dat zei, voelde hij een merkwaardige weerzin. Het leek zo’n verspilling om zoveel mannen te doden die tegen de Schaduw zouden kunnen vechten. Maar hij zag geen andere weg. Balwer knikte en rook fel. Wat hadden de Witmantels Balwer aangedaan? De stoffige klerk was door hen gefascineerd.

De vergadering begon op te breken. Perijn stapte naar de open zijkant van de tent en keek de afzonderlijke groepen na, waarna Alliandre en Arganda naar hun gedeelte van het kamp liepen. Faile liep naast Berelain, en vreemd genoeg kletsten de twee met elkaar. Volgens hun geuren waren ze boos, maar hun woorden klonken vriendelijk. Wat spookten die twee uit?

Op het grondzeil in de tent waren alleen een paar vochtige plekken te zien van het gevallen dienblad. Wat was er met Maighdin aan de hand? Dergelijk grillig gedrag was verontrustend; maar al te vaak werd het gevolgd door een of andere vertoning van de macht van de Duistere.

‘Heer?’ vroeg een stem na een zacht hoestje. Perijn draaide zich om en besefte dat Balwer achter hem stond te wachten. De klerk stond met zijn handen voor zich verstrengeld en leek wel een stapel takken die door kinderen was aangekleed in een oud hemd en een jas. ‘Ja?’ zei Perijn.

‘Ik heb toevallig een paar eh, belangwekkende dingen opgevangen terwijl ik op bezoek was bij de geleerden in Cairhien.’

‘Heb je de spullen gevonden die je nodig had?’

‘Ja, ja. Ik heb weer voldoende voorraden. Alstublieft, als u even hebt.

Ik denk dat u zult willen horen wat ik heb ontdekt.’

‘Ga je gang dan maar,’ zei Perijn, die het paviljoen weer inliep. De anderen waren allemaal vertrokken.

Balwer sprak met zachte stem. ‘Ten eerste, heer, lijkt het erop dat de Kinderen van het Licht samenspannen met de Seanchanen. Het is nu algemeen bekend, en ik ben bang dat het leger hier is geplaatst om...’

‘Balwer,’ viel Perijn hem in de rede, ‘ik weet dat je de Witmantels haat, maar je hebt me dat nieuws al zes keer verteld.’

‘Ja, maar...’

‘Niks meer over de Witmantels,’ zei Perijn, die zijn hand opstak. ‘Behalve als het specifiek over het leger hier gaat. Heb je daar iets over?’

‘Nee, heer.’

‘Goed dan. Was er verder nog iets wat je me wilde vertellen?’ Balwer vertoonde geen spoor van ergernis, maar Perijn rook zijn ontevredenheid. Het Licht wist dat die Witmantels meer dan genoeg hadden om rekenschap over af te leggen, en Perijn kon zich Balwers haat wel indenken, maar het werd vermoeiend. ‘Nou, heer,’ vervolgde Balwer, ‘ik durf te wedden dat de verhalen over dat de Herrezen Draak een wapenstilstand met de Seanchanen wil, meer zijn dan enkel geruchten. Meerdere bronnen vermelden dat hij hun leider heeft benaderd om vrede te sluiten.’

‘Maar wat heeft hij met zijn hand gedaan?’ vroeg Perijn, die weer een beeld van Rhand voor zijn geestesoog verjoeg.

‘Wat zegt u, heer?’

‘Laat maar,’ zei Perijn.

‘Daarnaast,’ vervolgde Balwer, reikend in zijn mouw, ‘worden deze dingen schrikbarend vaak aangetroffen onder beurzensnijders, zakkenrollers en schurken in Cairhien.’ Hij haalde een vel papier tevoorschijn met een schets van Perijns gezicht erop. De gelijkenis was schrikbarend goed. Perijn pakte fronsend het vel papier aan. Er stonden geen woorden op. Balwer gaf hem nog een vel aan, hetzelfde als het eerste. Er volgde nog een derde vel papier, ditmaal met een afbeelding van Mart erop. ‘Hoe kom je hieraan?’ vroeg Perijn.

‘Zoals ik al zei, heer,’ zei Balwer, ‘ze doen de ronde in bepaalde kringen. Kennelijk worden er heel grote sommen geld beloofd aan iemand die uw lijk kan bezorgen, hoewel ik niet heb kunnen achterhalen wie er zou betalen.’

‘En je hebt deze gevonden tijdens je bezoek aan de geleerden van Rhands school?’ vroeg Perijn.

Het geknepen gezicht van de klerk bleef onbewogen. ‘Wie ben je eigenlijk echt, Balwer?’

‘Een klerk. Met enige vaardigheid in het opdreggen van geheimen.’

‘Enige vaardigheid? Balwer, ik heb je nooit naar je verleden gevraagd. Ik vind dat een man de kans verdient om opnieuw te beginnen. Maar nu zijn de Witmantels hier, en jij hebt kennelijk een voorgeschiedenis met ze. Ik moet weten wat die is.’

Balwer bleef een tijdje zwijgend staan. De wanden van het paviljoen ruisten.

‘Mijn vorige werkgever was een man die ik hoog achtte, heer,’ zei Balwer. ‘Hij is vermoord door de Kinderen van het Licht. Enkelen van hen herkennen mij mogelijk.’

‘Was je verspieder voor die persoon?’ vroeg Perijn. Balwers lippen gingen duidelijk omlaag. Hij dempte zijn stem nog verder. ‘Ik heb alleen een goed geheugen voor feiten, heer.’

‘Ja, daar ben je erg goed in. Je werk is nuttig voor me, Balwer. Ik wil alleen maar zeggen dat ik blij ben dat je er bent.’ De man rook tevreden. ‘Als ik het zeggen mag, heer, het is verfrissend om te werken voor iemand die mijn inlichtingen niet beschouwt als een middel om lieden om hem heen te verraden of in verlegenheid te brengen.’

‘Nou, dat kan wel zijn, maar ik moet je misschien meer gaan betalen,’ zei Perijn.

Ineens rook Balwer paniekerig. ‘Dat is niet nodig.’

‘Je zou een uitstekend loon kunnen vragen van weet ik hoeveel edelen of kooplieden!’

‘Kleine mannetjes die er niet toe doen,’ zei Balwer met een snelle vingerbeweging.

‘Ja, maar toch vind ik dat je meer geld zou moeten krijgen. Het is gewoon verstandig. Als je een leerling-smid in je werkplaats aanneemt en hem niet goed genoeg betaalt, zal hij indruk maken op je vaste klanten en vervolgens een nieuwe smidse aan de overkant openen zodra hij zich dat kan veroorloven.’

‘Ach, maar u begrijpt het niet, heer,’ zei Balwer. ‘Geld betekent niets voor me. De inlichtingen, daar gaat het om. Feiten en ontdekkingen... die zijn als klompjes goud. Ik zou dat geld aan een bankier kunnen geven om er munten van te slaan, maar ik geef het liever aan een ambachtsman om er iets moois van te maken. Alstublieft, heer, laat me een gewone klerk blijven. Een van de gemakkelijkste manieren om te ontdekken of iemand wel is wat hij lijkt te zijn, is naar zijn loon te kijken, begrijpt u wel.’ Hij grinnikte. ‘Op die manier heb ik meer dan één verspieder of huurmoordenaar ontmaskerd, kan ik wel zeggen. Meer betaling is niet nodig. De mogelijkheid om voor u te werken is voldoende betaling op zich.’ Perijn haalde zijn schouders op maar knikte, en Balwer trok zich terug. Perijn stapte het paviljoen uit en stopte de tekeningen in zijn zak. Ze verontrustten hem. Hij durfde te wedden dat die tekeningen ook in Andor waren, verspreid door de Verzakers. Voor het eerst vroeg hij zich af of hij misschien een leger nódig had voor zijn veiligheid. Het was een zorgwekkende gedachte.