De golf beestachtige Trolloks rolde over de kam van de heuvel en viel de laatste verdedigingswerken aan. Ze gromden en joelden, hun dikke handen klauwden in de donkere Saldeaanse aarde en hielden zwaarden, speren met weerhaken, hamers, knotsen en andere angstaanjagende wapens vast. Bij sommige liep het kwijl langs lippen met slagtanden, terwijl bij andere grote, maar al te menselijke ogen boven gevaarlijke bekken uit staarden. Hun zwarte pantsers waren getooid met punten.
Ituraldes mannen hielden samen met hem stand onder aan de helling achter de heuvel. Hij had het lage kamp laten afbreken en zo ver mogelijk zuidwaarts langs de rivieroever laten verplaatsen. Intussen had het leger zich uit het bolwerk teruggetrokken. Hij vond het vreselijk om het hoge terrein te moeten prijsgeven, maar het zou dodelijk zijn geweest als ze tijdens een bestorming die steile helling af werden geduwd. Hij had ruimte om achteruit te gaan, dus zou hij die gebruiken, nu het fort boven verloren was. Hij zette zijn soldaten onder aan de heuvel neer, vlak bij de plek waar het lage kamp was geweest. De Domaanse soldaten droegen stalen mutsen, hadden hun veertien voet lange spiesen in de grond gestoken en hielden ze vast voor meer stevigheid, met de stalen punten op de reusachtige golf van Trolloks gericht. Een klassieke verdedigingspositie: drie rijen piekeniers en schilddragers, de spiesen wijzend naar de top van de heuvel. Als de eerste rij spiesen Trolloks doodde, zouden de piekeniers achteruitstappen, hun wapens lostrekken en de tweede rij naar voren laten stappen. Een langzame, zorgvuldige aftocht, rij na rij.
Een dubbele rij boogschutters erachter begon pijlen af te vuren, salvo na salvo dat omhoogging naar het Schaduwgebroed, waarna lichamen de helling af rolden. Sommige schreeuwden nog terwijl hun donkere bloed in het rond sproeide. Een groter aantal bleef omlaag komen, over hun broeders heen, in een poging de piekeniers te grijpen.
Vlak voor Ituralde stierf een Trollok met een adelaarskop op een spies. Er ontbraken stukjes uit de randen van de snavel van het beest en zijn kop – met roofdierachtige ogen erin – stond op een stierennek. Zijn veren waren bedekt met een soort donkere, vettige laag. Het monster krijste toen het stierf, met een lage, slechts vagelijk vogelachtige stem, waarmee hij op een of andere manier keelgeluiden in de taal van de Trolloks voortbracht.
‘Standhouden!’ riep Ituralde, die zijn paard wendde en naar de rij piekeniers draafde. ‘Houd de gelederen in stand, verdomme!’ De Trolloks bleven de helling afkomen en sterven op die spiesen. Het zou een tijdelijke verlichting zijn. Er waren te veel Trolloks, en zelfs een draaiende formatie van drie rijen piekeniers was een uitsteltactiek. Achter hen begon de rest van de soldaten aan de aftocht. Zodra de gelederen waren verzwakt, zouden de Asha’man de last van de verdediging op zich nemen en zorgen dat de piekeniers tijd hadden om zich terug te trekken.
Als de Asha’man de kracht konden opbrengen. Hij had ze ontzettend onder druk gezet. Misschien wel te veel. Hij kende hun grenzen niet, zoals hij die bij gewone soldaten wel kende. Als ze de opmars van de Trolloks konden tegenhouden, dan zou zijn leger verder teruggaan naar het zuiden. Die aftocht zou hen voorbij de veiligheid van Maradon voeren, maar daar mochten ze toch niet naar binnen. De mensen in de stad hadden al Ituraldes pogingen om hen over te halen afgewimpeld. ‘We helpen geen indringers,’ was elke keer het antwoord geweest. Stomme dwazen.
Nou, de Trolloks zouden zich waarschijnlijk opstellen rondom Maradon voor een langdurig beleg, waardoor Ituralde en zijn mannen de tijd hadden om zich terug te trekken naar een beter verdedigbare plek.
‘Standhouden!’ riep Ituralde nog eens, terwijl hij langs een stuk reed waar de bestorming van de Trolloks vrucht begon af te werpen. Boven op een van de versterkingen op de heuvel was een bende Trolloks met wolvenkoppen te zien, die daar behoedzaam bleven zitten terwijl hun kameraden beneden verder streden. ‘Boogschutters!’ riep Ituralde, en hij wees omhoog.
Er volgde een salvo van pijlen dat de Trolloks met wolfkoppen peperde, of de ‘Denkers’ zoals de Draakgezworenen in Ituraldes leger ze tegenwoordig noemden. Trolloks hadden hun eigen bendes en organisatie, maar zijn mannen noemden de individuen vaak naar hun kenmerken. ‘Hoorns’ voor geiten, ‘Snavels’ voor haviken, ‘Armen’ voor beren. Trolloks met wolvenkoppen waren vaak de intelligentste; sommige Saldeanen beweerden hen de menselijke taal te hebben horen spreken om te onderhandelen met hun tegenstanders of die in de luren te leggen.
Ituralde wist inmiddels veel over Trolloks. Je moest je vijand kennen. Helaas liep de intelligentie en persoonlijkheid van Trolloks ontzettend uiteen. En er waren vele Trolloks die fysieke kenmerken hadden van meerdere groepen. Ituralde zwoer dat hij een verwrongen gruwel had gezien met de veren van een havik, maar de hoorns van een geit.
De Trolloks boven op de versterking probeerden weg te komen van de pijlen. Een grote groep reusachtige beesten achter hen duwde hen met een brul de heuvel af. Trolloks waren doorgaans laffe schepsels, behalve als ze honger hadden, maar als ze razend werden, dan vochten ze goed.
Na deze eerste golf zouden de Schimmen volgen. Zodra de pijlen van de boogschutters op waren en de Trolloks de mannen beneden hadden vermoeid. Ituralde keek daar niet naar uit. Licht, dacht hij. Ik hoop dat we ze voor kunnen blijven. De Asha’man wachtten in de verte op zijn bevel. Hij wenste dat hij hen dichter bij zich had, maar die gok kon hij niet wagen. Ze waren te belangrijk om te verspelen aan een afgedwaalde pijl. Hopelijk zouden de voorste rijen Trolloks ernstig worden belemmerd door de piekeniers, hun karkassen verwrongen en vastgepind op de spiesen; waardoor de Trolloks erachter tegen hun bloedige resten zouden oplopen. Ituraldes overige Saldeanen zouden als vliegende troep rondrijden om alle monsters te doden die de aanval van de Asha’man hadden overleefd. Dan zouden de piekeniers in staat moeten zijn zich terug te trekken en de rest van het leger te volgen bij de aftocht. Eenmaal voorbij Maradon konden ze Poorten gebruiken om naar zijn volgende gekozen plaats te gaan, een beboste pas zo’n tien roeden naar het zuiden.
Zijn mannen zouden in staat moeten zijn te ontkomen. Als het goed was. Licht, maar hij vond het verschrikkelijk om tot zo’n te snelle aftocht gedwongen te worden.
We moeten standhouden, dacht hij, terwijl hij rond bleef rijden en het bevel tegen de anderen herhaalde. Het was belangrijk dat ze zijn stem hoorden. Die jongen is de Herrezen Draak. Hij zal zich aan zijn beloften houden, hield hij zich voor.
‘Heer!’ riep een stem. Ituraldes wachters weken uiteen om een jongeman te paard door te laten, die hijgend tot stilstand kwam. ‘Heer... Luitenant Lidrin!’
‘Is hij gesneuveld?’ vroeg Ituralde.
‘Nee, heer. Hij is...’ De jongen keek achterom. In de rij piekeniers vlakbij sprongen de soldaten naar de golf van Trolloks toe, in plaats van achteruit te gaan.
‘Wat onder het Licht?’ vroeg Ituralde, terwijl hij Ochtendweving aanspoorde. De witte ruin sprong in galop en Ituraldes wachters en de jonge boodschapper sloten zich met veel gedonder van hoeven bij hem aan.
Hij hoorde Lidrins geschreeuw ondanks het lawaai van het slagveld. De jonge Domaanse officier stond voor aan de rij piekeniers en viel met zijn zwaard en schild brullend op de Trolloks aan. Lidrins mannen waren naar voren gekomen om hem te verdedigen, waardoor de piekeniers in verwarring raakten. ‘Lidrin, stomkop.’ Ituralde hield zijn paard in. ‘Kom!’ brulde Lidrin, die zijn zwaard ophief naar de Trolloks. Hij lachte luid, zijn stem halfgek, zijn gezicht besmeurd met bloed. ‘Kom maar! Ik pak jullie allemaal! Mijn zwaard heeft dorst!’