‘Lidrin!’ schreeuwde Ituralde. ‘Lidrin!’
De man keek om. Zijn ogen waren groot van een waanzinnig soort pret. Ituralde had dit eerder gezien, in de ogen van soldaten die te lang en te zwaar hadden gevochten. ‘We gaan toch sterven, Rodel,’ riep Lidrin. ‘Zo kan ik ze nog meenemen! In ieder geval één of twee! Doe met me mee!’
‘Lidrin, kom hier en...’
De man negeerde hem, draaide zich om en drong weer naar voren. ‘Haal zijn mannen hierheen,’ riep Ituralde. ‘Sluit de rijen piekeniers! Snel. We mogen niet...’
De Trolloks stormden naar voren. Lidrins bloed spoot in het rond toen hij viel, nog altijd lachend. Zijn mannen stonden te zeer onder druk en splitsten zich in het midden. De piekeniers stelden zich weer op, maar een vuist van Trolloks beukte tegen hen aan. Enkele Trolloks vielen.
De meeste niet.
De dichtstbijzijnde wezens krijsten en joelden toen ze het gat in de verdediging zagen. Ze kwamen aan, klauterend over karkassen onder aan de heuvel, en doken op de piekeniers af. Ituralde vloekte en spoorde Ochtendweving aan. In een oorlog, net als in het boerenleven, moest je soms naar voren stappen en je tot je knieën in de modder laten zakken. Hij brulde terwijl hij tegen de Trolloks aanreed. Zijn wachters kwamen om hem heen rijden en sloten de opening. Een kletterende storm van metaal tegen metaal en gegrom van pijn rees rondom hen op.
Ochtendweving snoof en danste terwijl Ituralde om zich heen sloeg met zijn zwaard. Het strijdros vond het niet prettig om zo dicht bij het Schaduwgebroed te komen, maar het was goed opgeleid, een geschenk van een van Basheres mannen. De man had beweerd dat een generaal in de Grenslanden een rijdier nodig had dat al eerder tegenover Trolloks had gestaan. Ituralde zegende die soldaat nu. De gevechten waren verschrikkelijk. De voorste rij piekeniers, en die erachter, begon het te begeven. Ituralde hoorde Ankaer het bevel nemen, schreeuwend tegen de mannen dat ze weer in de rij moesten gaan staan. Hij klonk paniekerig. Dat was niet goed. Ituralde draaide zich om, voerde Reiger op de stronk uit – een zwaardvorm voor in het zadel – en raakte een Trollok met een stierenkop in zijn keel. Er sproeide een fontein van smerig, bruinachtig bloed rond en het schepsel viel achteruit tegen een monster met een zwijnenkop. Een groot rood vaandel – met daarop een geitenschedel waarachter een vuur brandde – stond op de heuvel; het teken van de Bende van de Ghob’hlin.
Ituralde wendde zijn paard, danste uit de weg van een scherpe bijl die van beneden kwam en spoorde zijn rijdier weer aan, waarna hij zijn zwaard in de zij van de Trollok dreef. Vlak bij hem sneuvelden Whelborn en Lehynen – twee van zijn beste mannen – terwijl ze zijn flanken verdedigden. Het Licht verzenge die Trolloks! De hele rij begon op te breken. Hij en zijn mannen waren met te weinig, maar de meeste van zijn soldaten trokken zich al terug. Nee, nee, nee! dacht Ituralde, die probeerde zich los te maken uit de strijd om weer het bevel te nemen. Maar als hij zich terugtrok, zouden de Trolloks doorstoten.
Hij zou de gok moeten wagen. Hij was voorbereid op dit soort problemen.
Een bugel blies de aftocht.
Ituralde verstijfde en luisterde vol afgrijzen naar het spookachtige geluid dat over het slagveld rolde. De bugels moesten pas worden geblazen als hij, of een lid van zijn wacht, persoonlijk het bevel gaf! Het was te vroeg, veel te vroeg.
Enkele andere bugelblazers hoorden de oproep en namen hem over, hoewel weer andere dat niet deden. Zij zagen ook in dat het veel te vroeg was. Helaas was dat nog erger. Het betekende dat de ene helft van de piekeniers begon aan de aftocht, terwijl de andere helft standhield.
De gelederen rondom Ituralde braken op, mannen verspreidden zich terwijl de Trolloks over hen heen zwermden. Het was een ramp, een van de ergste waar Ituralde ooit getuige van was geweest. Zijn vingers voelden slap.
Als wij vallen, zal het Schaduwgebroed Arad Doman vernietigen, dacht hij.
Ituralde brulde, rukte aan de teugels van zijn paard en galoppeerde weer weg van de oprukkende Trolloks. De andere leden van zijn wacht volgden.
‘Helmke en Cutaris,’ riep Ituralde tegen twee van zijn mannen; potige, lange Domani. ‘Ga naar Durhems cavalerie en zeg dat ze het midden moeten aanvallen zodra er een opening verschijnt! Kappre, ga naar Alins cavalerie. Draag hem op de Trolloks aan te vallen in de oostelijke flank. Sorrentin, waarschuw de Asha’man! Ik wil dat de Trolloks in vlammen opgaan!’
De ruiters galoppeerden weg. Ituralde reed naar het westen, naar de plek waar de piekeniers nog standhielden. Hij verzamelde een van de achterste rijen en nam die mee naar het uitpuilende gedeelte. Hij had het bijna voor elkaar. Maar toen kwamen de Myrddraal, glibberend door de rijen Trollok als slangen, toeslaand met soepele snelheid, en dook er een zwerm Draghkar omlaag.
Ituralde moest vechten voor zijn leven.
Rondom was het slagveld een vreselijke chaos: gelederen uiteengeslagen, Trolloks die vrij ronddoolden en gemakkelijk slachtoffers maakten, Myrddraal die probeerden hen op te zwepen tot een aanval op de weinige overgebleven gelederen van piekeniers. Vuur vloog de lucht in toen de Asha’man op de Trolloks mikten, maar hun vuurbollen waren kleiner en zwakker dan enkele dagen geleden. Mannen schreeuwden, wapens kletterden, en beesten brulden in de rook onder een hemel met veel te donkere wolken. Ituralde hijgde. Zijn wachters waren gesneuveld. Althans, hij had Staven en Rett zien sterven. Hoe zat het met de anderen? Hij zag hen niet. Zoveel stervenden. Zo ongelooflijk veel. Er liep zweet in zijn ogen.
Licht, dacht hij. We hebben ons in ieder geval goed verweerd. Langer standgehouden dan ik voor mogelijk had gehouden. In het noorden zag hij zuilen van rook. Nou, één ding was goed gegaan: die Asha’man Tymoth had zijn werk gedaan. Het tweede stel belegeringsmachines stond in brand. Enkele van zijn officiers hadden het waanzin genoemd om een van zijn Asha’man weg te sturen, maar één geleider meer of minder maakte in deze ramp niet uit. En als de Trolloks Maradon aanvielen, zou het gemis van die katapulten een groot verschil maken.
Ochtendweving viel. De speer van een Trollok, bedoeld voor Ituralde, was laag geland. Het paard gilde met het wapen in zijn nek en bloed golfde over zijn met zweetschuim bedekte huid. Ituralde had al eerder paarden verloren, en hij wist dat hij opzij moest rollen, maar deze keer was hij te zeer uit zijn evenwicht gebracht. Hij hoorde zijn been breken toen hij de grond raakte.
Hij klemde zijn kiezen op elkaar, vastbesloten niet op zijn rug te sterven, en dwong zichzelf in een zithouding omhoog. Hij liet zijn zwaard vallen – ook al droeg het een reigerteken – en pakte met een vloeiende beweging een gebroken, weggeworpen spies op die hij door de borst van een naderende Trollok ramde. Donker, stinkend bloed liep over de steel en spetterde op Ituraldes handen toen de Trollok krijste en stierf.
Er klonken donderslagen. Dat was op zich niet zo vreemd; er klonk vaak donder in die wolken, spookachtig ontkoppeld van de bliksemflitsen.
Ituralde spande zich in en duwde de Trollok met een zwaai van de spies opzij. Toen zag een Myrddraal hem.
Ituralde reikte knarsetandend naar zijn zwaard, maar hij wist dat hij zojuist door zijn moordenaar was gezien. Een van die monsters kon een twaalftal mannen vellen. En nu hij een gebroken been had... Hij probeerde toch overeind te komen. Het mislukte, en hij viel vloekend achterover. Hij hief zijn zwaard en bereidde zich voor op de dood toen het schepsel met haast vloeibare bewegingen naar voren sloop.
Meer dan tien pijlen belandden met klappen in de Schim. Ituralde knipperde met zijn ogen toen het schepsel wankelde. De donder werd luider. Hij duwde zich overeind en was stomverbaasd toen hij duizenden onbekende ruiters in formatie door de gelederen van de Trolloks zag stormen en de schepsels voor zich uit zag drijven. De Herrezen Draak! Hij was gekomen!