‘Wij moeten binnenkort eens even praten,’ vond Mekaron.
Dankbaar knikte ze hem toe.
Sirus hielp Gondolin naar beneden en stelde haar trots aan de watermagiër voor.
‘Nee maar, de barbaar en de jonkvrouw,’ zei Mekaron met een grijns.
Sirus lachte luid. ‘Ik heb die complimenten van je gemist,’ deelde hij de watermagiër weinig respectvol mee.
Giffor en Tiron kwamen nu ook van het schip af. De Dwerg had weinig aandacht voor Mekaron. Luidruchtig deed hij zijn beklag over ‘die rotmonsters en die verdomde golf’ die de paarden zo van streek hadden gemaakt. Sirus trok hem mee en deed zijn best de opgewonden meestersmid te kalmeren.
‘Giffor is de maker van het zwaard,’ vertelde Meroboth zijn broer. ‘Hij heeft het werk van Gontak overgenomen met verbluffend resultaat. Maar laat hem dat maar niet horen, want dan wordt hij helemaal onmogelijk. Mocht je echter nog moeilijk hanteerbare dieren hebben, dan ben je bij hem aan het juiste adres.’
Mekaron grijnsde en wendde zijn blik naar Tiron.
‘Dit is Tiron,’ stelde Meroboth hem voor. ‘Ik ken hem al jaren en vertrouw hem met mijn leven.’
Alleen Cyane zag de glimp van verbazing op het gezicht van Mekaron. De watermagiër wist zich echter snel te herstellen. Afwezig schudde hij de hand van de jongeman.
Tiron sloeg vlug zijn ogen neer en vermeed de magiër recht aan te kijken. Cyane vroeg zich af wat er aan de hand was. Het leek of Mekaron Tiron ergens van kende. Of had ze het zich slechts verbeeld?
‘Kom met me mee,’ nodigde Mekaron hen uit.
Sirus, Tiron en Giffor haalden de dieren van boord. Ze volgden de watermagiër tussen de bomen door. Dryadenland was drassig en nat, maar overal waar Mekaron ging week het water. Bij een klein meertje stond een groot huis op palen.
‘Daar woon ik,’ zei Mekaron.
Ze bonden de paarden onder het huis vast en klommen een trap op. Het huis van de magiër was groot en ruim en bevatte een grote verzameling bijzondere voorwerpen. Aan de muur hing een zwaardenverzameling. Op een tafel in de hoek waren bijzondere gesteenten zorgvuldig gerangschikt. Allerlei kruiden hingen aan het plafond en verspreidden een heerlijke geur. Hoewel de inrichting niet bepaald stijlvol was, paste het prima bij de stoere watermagiër.
‘Gewoonlijk zou Mare me nu helpen, maar zij is met de overige Dryaden naar het andere eind van het eiland gevlucht.’ Mekaron keek verontschuldigend naar Ikor. ‘De verhouding tussen Feeën en Dryaden is nogal moeizaam.’
Meroboth knikte. ‘Ik heb het hen verteld. Het is zeker ook de reden dat Iss wordt vervolgd? We kregen in het Feeenrijk een aantal premiejagers achter ons aan.’
‘Dat klopt,’ zei Mekaron met een blik op de veerman. ‘Iss’ ouders zijn beiden gedood toen hij nauwelijks vier jaar was. Hij wist te ontsnappen naar het Moeras van Agis, waar hij zichzelf heeft opgevoed. Een hem goedgezinde Fee heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat hij een bestaan kon opbouwen als veerman, en goederen uit andere landen hier naartoe kon brengen.’
Cyane wierp een vlugge blik op Ikor. De Iss goed gezinde Fee was niemand minder dan Geronimo geweest. Hij had als koning de macht gehad hem uit het vreselijke moeras te trekken en hem een beter leven aan te bieden. Geronimo had bovendien ook verder gekeken dan het afschrikwekkende uiterlijk van de veerman. Hij had zijn vooroordelen overboord gezet en een hechte vriendschap met hem opgebouwd.
‘Zo heb ik hem ontmoet,’ vertelde Mekaron verder. ‘Iss heeft me overgezet zodat ik me hier verder kon specialiseren in de watermagie. Ik ben al vrij snel na Delamars dood hier terechtgekomen. Het heeft jaren geduurd voor ik het vertrouwen van de Dryaden wist te winnen. Nu staan ze aan mijn kant. Ze zijn zich bewust van het gevaar dat het Rijk der Duisternis vormt en ze hebben me geholpen mijn kennis verder uit te breiden. Ze zullen dit eiland echter nooit verlaten. Bovendien zijn ze nu woedend op mij, omdat ik Ikor hier heb toegelaten.’
Meroboth knikte waarderend. ‘Knap stukje werk, die golf.’
Mekaron grijnsde. ‘Ja, niet onaardig, hè?’
‘Enig, we genoten met volle teugen,’ sprong Sirus hier meteen op in. ‘Als je me ooit nog eens zo iets flikt, hak ik je in mootjes.’
‘Sirus!’ zei Gondolin bestraffend.
‘Geeft niets, jonkvrouw Gondolin,’ zei Mekaron vlug. ‘Nudoren hebben nu eenmaal vreselijke manieren.’
‘Ach jij.’ Sirus gaf de watermagiër een vriendschappelijke klap op de schouder. Cyane wist dat het morren tegen elkaar een uiting was van hun blijdschap over het weerzien. Cyane wist van de visioenen in het kasteel van Delamar dat Mekaron en Sirus een bijzondere band hadden.
De magiër zorgde voor een uitgebreide maaltijd. Nu pas voelde Cyane hoe uitgehongerd ze was. Het liep inmiddels tegen het middaguur en ze hadden het ontbijt noodgedwongen overgeslagen. Wat de watermagiër hun voorzette was verrassend alledaags. Er was brood en melk, maar ook kaas en vlees.
‘Die goederen uit andere landen waar ik het over had, waren voornamelijk voor mij,’ was Mekaron Cyanes vraag voor. ‘Dryaden hebben niet zo’n geweldige keuken.’
‘Dryaden hoeven helemaal niet te eten,’ vulde Meroboth aan. ‘Je zult het wel begrijpen als je ze ziet.’
Mekaron scoorde bij Giffor door ook Sindra van een uitgebreide maaltijd te voorzien. Als de magiër al iets vreemds zag aan de zwarte kat liet hij het in ieder geval niet merken.
Na de maaltijd kondigde Mekaron aan dat hij Mare en de andere Dryaden ging zoeken. ‘Ik heb ze wat uit te leggen,’ meende hij. ‘Vind je het goed, Meroboth, als ik Cyane meeneem?’
Meroboth keek verbaasd bij dit verzoek, maar hij stelde geen vragen en zo verlieten Cyane en Mekaron samen het huis.
Twaalf
Hoewel er nergens op het eiland een pad te bekennen was, wist Mekaron feilloos de weg tussen de bomen te vinden. Dryadenland leek uitsluitend uit mangrovebos te bestaan. Er was overal water, dat onmiddellijk week als Mekaron ergens zijn voet neer wilde zetten.
Op het eiland was veel leven. Talrijke vogels in allerlei kleuren scheerden tussen de kruinen van de bomen door. Cyane zag ook otters en bevers. En helaas waren er ook allerlei insecten.
‘Dryaden zijn een bosvolk,’ vertelde Mekaron. ‘Ze leven in en met de bomen. Ze hebben niets met water, maar dit is dus een noodgedwongen verblijf. Vroeger woonden de Dryaden in het bos dat het Feeënrijk scheidt van Elfenland. Ze woonden daar samen met de eenhoorns, die uiteindelijk ook voor de Feeën zijn gevlucht. Ja, die Feeën hebben heel wat op hun geweten. Het is altijd al een op macht belust volk geweest, vandaar ook dat ze zo makkelijk overstapten naar het Rijk der Duisternis. Hoewel niet elke Fee slecht is. Maar daar weet jij alles van, nietwaar Cyane? ‘De watermagiër hield stil bij een grote boom en ging op een van de wortels zitten terwijl hij haar onderzoekend aankeek.
Ze knikte zwijgend.
Mekaron glimlachte. ‘Je bent een dappere jonge vrouw. Het is geen wonder dat jij uitverkoren bent om het zwaard te dragen. Natuurlijk weet ik wie Ikor werkelijk is. Eerlijk gezegd heb ik uit de verhalen van Iss eerst Geronimo leren kennen en later pas Ikor. Het is onvoorstelbaar wat die man gedaan heeft. Hij heeft een heel nieuwe identiteit aangenomen, een nieuwe persoonlijkheid ontwikkeld. Zelfs Iss begon hem te wantrouwen.’
Cyane haalde opgelucht adem. Ze stond er niet langer alleen voor.
‘Het was moeilijk dit allemaal voor je te houden,’ zei Mekaron begrijpend. ‘Maar Melsaran wist zeker dat je het aankon.’
Bij deze woorden keek Cyane verrast op.
Mekaron glimlachte. ‘Ik had op een dag een vuurtje gemaakt om wat oude spullen te verbranden en toen stond hij opeens voor me. Ik ben een verdomd goede magiër, al zeg ik het zelf, maar ik kan niet in zijn schaduw staan.’
‘Waarom moet ik dit voor Meroboth verborgen houden?’ vroeg Cyane smekend. ‘Hij houdt zoveel van jullie.’
‘Precies. Hij houdt van ons en zoals je ongetwijfeld gemerkt hebt, kan Meroboth niet goed nadenken als het een van ons betreft. Je weet zelf dat Melsaran in groot gevaar verkeert en we waren bang dat Meroboth alles in de steek zou laten om hem te helpen. Meroboth heeft zijn eigen taak in dit geheel, net als wij allemaal.’