Ze draaide zich om naar de man die achter haar reed. Het was Ikor die door de poorten van de stad naar binnen was gereden.
Nog steeds zwijgend reden ze naar zijn huis, een sober vrijstaand gebouw dat in een smalle straat lag. Ze reden achterom en zetten de paarden in de stal waar Giffor alweer de scepter zwaaide. Hij leek hen niet eens te hebben gemist, al vroeg hij wel bezorgd of alles goed was met het zwaard. Cyane trok alleen maar haar wenkbrauwen op en liep door.
Ikor ging zonder een woord te zeggen naar boven waar Iss verpleegd werd. Volgens Sindra maakte de veerman het goed, al zou het nog wel even duren voor hij volledig hersteld was. Ze zat samen met de drieling, Gondolin en Sirus om een grote tafel in een slecht verlichte, sombere kamer. Er hing niets aan de muren. Veel meubels waren er ook niet. Melsaran had gezegd dat dit huis waarschijnlijk leeggeroofd was nadat Ikor uit het Rijk vertrokken was. Vroeger hadden ook hier talrijke schilderijen gehangen.
Uitgeput liet Cyane zich op de eerste de beste stoel zakken. ‘Elenia is dood,’ deelde ze mee.
‘Ach, meisje toch.’ Gondolin liep naar haar toe en sloeg een arm om haar heen.
‘Het is haar verdiende loon,’ vond Sirus.
Onderzoekend keek Melsaran haar aan. ‘Was het Geronimo?’ vroeg hij.
Ze schudde haar hoofd. ‘Het was Ikor.’
‘Wie anders?’ Meroboth haalde zijn schouders op.
‘Ach, laat hem toch met rust,’ zei Cyane kribbig. Somber staarde ze voor zich uit.
‘De hele stad heeft het alleen maar over die zwarte slangen.’ Sindra veranderde handig van onderwerp.
Cyane werd door deze woorden uit haar overpeinzingen gehaald. ‘Was het magie?’ vroeg ze.
‘O ja, het was zonder meer magie,’ zei Mekaron.
‘Zwarte magie,’ vulde Melsaran aan.
‘Zwarte magie,’ herhaalde ze verbaasd. Haar gedachten gleden naar de man die hen waarschijnlijk uit de cel had bevrijd. Had Scar voor die slangen gezorgd? Ze wist dat hij tot magie in staat was, maar hoe sterk was hij daarin en waarom hielp hij hen?
Ze sloeg haar ogen neer voor de onderzoekende blik van Melsaran. Op dat moment kwam Ikor weer naar beneden.
‘Iss wil je graag spreken, Cyane,’ zei hij.
Dankbaar maakte ze van de mogelijkheid gebruik om van de vuurmagiër weg te komen. Ze liep door een deur naar de voorkant van het huis, waar een trap naar boven leidde. In deze hal lag ook de toegang tot de voorkamer, waar Meroboth het andere zwaard bewaarde. De deur stond op een kier en ze kon het op de tafel zien staan in de bek van de panter. Vermoeid beklom ze de smalle trap. In vergelijking met Ikors paleis was alles aan dit huis klein. Het was duidelijk dat hij dit huis alleen uit praktische overwegingen had gekocht. Toch was het voor hun groep een goede en ruime woning. Ze stond nu op een overloop waar een aantal deuren op uit kwamen. Er was ook nog een zolder met diverse kamers en daarom had iedereen zijn eigen ruimte. Giffor en Tiron sliepen in de stal.
De kamer van Iss lag aan de voorkant. Cyane klopte aan en schuifelde naar binnen. Hij lag op bed onder een met zilver bestikte sprei. Ze schrok van zijn gezicht. In zijn bleke en doorzichtige huid waren een aantal bloeduitstortingen zichtbaar.
Iss opende zijn ogen. ‘Het ziet er erger uit dan het is,’ zei hij met zijn zachte stem.
Wrang glimlachte ze en ging op een stoel naast het bed zitten. ‘Het is afschuwelijk wat ze je aangedaan hebben.’
Iss kwam moeizaam overeind en haalde zijn benige schouders op. ‘Ik ben het gewend.’
‘Hoe kun je ooit aan zoiets wennen?’ riep ze uit.
‘Het ligt in het verwachtingspatroon van mijn leven.’ Zo heel af en toe gunde Iss haar een kijkje in zijn gedachtegangen. Steeds weer stond ze versteld om zijn wijsheid en kracht. Iss was voor haar al lang niet meer die mismaakte man die uitsluitend opviel door zijn gruwelijke uiterlijk. Hij was een bijzondere reisgenoot met een uitmuntend gevoel voor de onderlinge verhoudingen en een scherp verstand. Een man ook die zijn zware levenslot had geaccepteerd en er het beste van probeerde te maken zonder de realiteit uit het oog te verliezen.
‘Ikor vertelde me dat hij Elenia gedood heeft.’ Iss keek haar vragend aan.
Ze knikte zwijgend.
‘Waarom?’
Cyane vond het opvallend dat Iss haar niet vroeg of ze zeker wist dat het Ikor was geweest. Hij was waarschijnlijk degene die Ikor en Geronimo het beste kon doorgronden doordat hij hen beiden zo goed kende.
‘Om jou, Iss,’ zei ze.
Hij zweeg. In zijn ogen zag ze de verbazing en toen heel langzaam het begrip.
‘Ikor beschouwt jou als zijn vriend,’ verklaarde Cyane. Ze herinnerde zich de woorden die Ikor tegen Elenia had gesproken. ‘Zijn enige vriend.’
Iss knikte langzaam. ‘Dat wilde ik alleen maar even weten,’ zei hij.
Ze glimlachte en legde even haar hand over de zijne. Toen stond ze op en liep de kamer uit. Iss was niet de enige die zijn mening over Ikor moest herzien. Blijkbaar ging er meer achter de koele Fee schuil. Ze huiverde onwillekeurig.
Had elk wezen, elke persoonlijkheid niet meerdere kanten? En in het lichaam van Geronimo was Ikor uitgegroeid tot een man met een complete persoonlijkheid. In de loop van de weken had ze het zien gebeuren maar ze was er blind voor geweest. Arme Ikor, arme Geronimo. Zouden ze ooit met elkaar leren leven?
Ze liep de trap af en zag dat de deur van de voorkamer verder openstond. Bij de tafel met het zwaard stond Tiron. Zijn hand lag om het gevest van het zwaard.
Haar ogen werden groot van verbazing en ontzetting. ‘Tiron?’ Ze liep de kamer in.
Als door een adder gebeten trok Tiron zijn hand terug. ‘Cyane, wat doe je hier?’
Onzeker keek ze hem aan. Ze wilde hem vertrouwen maar het werd steeds moeilijker. Hij gedroeg zich zo vreemd en afstandelijk. Zijn handelingen en woorden kon ze niet begrijpen, hoe graag ze dat ook wilde. ‘Dat kan ik beter aan jou vragen,’ zei ze. Haar stem klonk smekend, alsof ze hoopte dat Tiron met een plausibel verhaal zou komen, maar hij zweeg. Teleurgesteld beet ze op haar lip. ‘Nou, goed hoor. Doe maar weer geheimzinnig,’ blafte ze hem plotseling toe. ‘Denk maar niet dat het mij iets kan schelen.’
Ze wilde zich omdraaien, maar Tiron was sneller. Hij greep haar bij de pols en trok haar naar zich toe.
‘Het kan je wel schelen,’ zei hij. Zijn gezicht was dicht bij het hare.
Verward sloeg ze haar ogen neer. Haar woede ebde heel snel weg en ook Tiron werd rustiger. Hij streelde haar verwarde haren. Ze liet hem begaan, niet bij machte zich los te rukken. Heel even wilde ze geloven dat alles goed was tussen hen.
‘Cyane,’ begon Tiron zacht, ‘ik kan je dit niet aandoen. Ik ga weg.’
Met een ruk keek ze op. ‘Weg?’ herhaalde ze schril.
‘Ik heb geen keus. Het is beter zo.’
Ze duwde hem weg. ‘Natuurlijk heb je wel een keus. Je kunt ook bij mij… bij ons blijven.’
Tiron schudde vermoeid zijn hoofd. ‘Nee, ik hoor niet bij jullie.’ .
Ze schrok van zijn woorden. ‘Wat…’ begon ze, maar verder kwam ze niet.
Tiron trok haar in zijn armen en kuste haar. Even vergat ze alles. Even leken al hun problemen verdwenen te zijn.
‘Vergeet me niet, Cyane,’ fluisterde Tiron. ‘Ik doe dit voor jou, want ik houd van je.’ Hij liet haar plotseling los, draaide zich om en rende de kamer uit.
Verdwaasd staarde ze hem na tot ze langzaam bij haar positieven kwam. ‘Tiron!’ schreeuwde ze en zo snel als ze kon stormde ze hem achterna. In plaats van Tiron in te halen, botste ze in volle vaart tegen het stevige lichaam van Mekaron op.
‘Laat me los,’ riep ze verhit toen de watermagiër haar vastgreep.
‘Laat hem gaan, Cyane,’ zei Mekaron dringend. ‘Het is echt beter zo.’
Verbijsterd keek ze in zijn ernstige gezicht. Ze rukte zich los. ‘Nee, hij is mijn vriend.’
Mekaron week geen centimeter. ‘Nee, dat is hij niet,’ zei hij nadrukkelijk.
Hoefgekletter zette het stormachtige vertrek van Tiron kracht bij.
Verslagen luisterde Cyane naar het wegstervende geluid. Ze voelde zich opeens slap en moe. Ze draaide zich om en beklom de trappen naar haar kamer op zolder. Als een lappenpop liet ze zich op bed vallen en ze staarde naar het bruine plafond. Even voelde ze helemaal niets en daar verbaasde ze zich over. Ze wilde huilen, schreeuwen, slaan… maar ze kon het niet. Ze kon alleen liggen.