Sirus wenkte een ober en bestelde voor hen alle drie wat te drinken.
‘Dat is aardig van je.’ De man stak een geringde hand uit. ‘Séran Tonoran.’
Sirus schudde de hand, maar stelde zich niet voor. Een feit dat de Akonees niet ontging. Onderzoekend nam hij hen op. Ondertussen werkten Cyanes hersenen koortsachtig. Ze wist zeker dat ze die naam eerder had gehoord, maar waar? Plotseling wist ze het weer. Tiron had over hem verteld. Hij was een koopman die een tijdje met hem had meegereisd. Tiron had niet hoog van hem op gehad, want Séran bleek een dubbelspion te zijn.
Ze stootte Sirus waarschuwend aan, maar de Nudoor had blijkbaar al zijn eigen conclusies getrokken. ‘Je bent ver afgedwaald,’ zei hij.
‘Jullie ook,’ zei Séran.
‘Koopman?’ informeerde Sirus.
‘Inderdaad.’
‘De zaken moeten dan slecht gaan in de Rijken van het Licht,’ meende Sirus.
‘Oorlog is altijd slecht voor zaken,’ zei Séran.
De koopman was op zijn hoede. Als Sirus van plan was informatie los te krijgen, dan zou dat op deze manier niet lukken.
Ontspannen leunde Sirus naar achteren. ‘Laat de beleefdheden maar zitten, Séran,’ zei hij plotseling. ‘Ik weet wie je bent en ik heb informatie nodig. Uiteraard betaal ik je daar grif voor.’
Het was hun geluk dat Ikors enorme rijkdom tegenwoordig ook tot hun beschikking stond. De Fee maalde niet om zijn geld en smeet het overal heen waar het nodig was.
‘Had dat dan meteen gezegd,’ zei Séran.
‘Wat is er gaande in de Rijken van het Licht?’ vroeg Sirus direct.
‘In de rijken zelf weinig. Maar de legers van onder andere Dwergen- en Elfenland staan aan de grens met het Rijk der Duisternis ter hoogte van Néfer a Tang. Die stad is zo goed als weerloos. De meeste inwoners zijn gevlucht.’
Sirus fronste zijn wenkbrauwen. ‘Geen strijd?’
‘Nog geen slag van een zwaard.’ Séran haalde zijn schouders op. ‘Vreemd, ja.’
‘Waar zijn Adanar en Tronador dan?’ vroeg Sirus.
‘Dat zouden hun aanhangers ook dolgraag willen weten,’ zei Séran.
‘Je hebt toch zeker wel wat gehoord?’ drong de Nudoor aan.
‘Geruchten,’ zei Séran.
Sirus tastte in zijn zak en legde een roodfluwelen zakje voor de koopman neer. ‘Vertel ze maar.’
Séran glimlachte koeltjes. ‘Ik ben blij dat wij elkaar zo goed begrijpen.’
Met moeite hield Sirus een sarcastisch antwoord binnen.
Cyane brandde van nieuwsgierigheid om te weten wat de koopman te vertellen had.
‘Tronador is al een hele tijd weg. Niemand heeft hem de laatste tijd nog gezien. Hij is niet in zijn burcht. Hij lijkt van dé aardbodem te zijn verdwenen. Er zijn lieden die beweren dat Adanar hem uitgeschakeld heeft na de ontsnapping van Melsaran. Die Fee is helemaal doorgedraaid nadat zijn paleis op wel heel vreemde wijze in vlammen is opgegaan. Hij ziet achter elke boom een vijand en hij heeft zijn halve leger al uitgemoord.’
Even dacht Sirus over dit verhaal na. Toen vroeg hij: ‘En wat denk jij ervan?’
Séran glimlachte wrang. ‘O, ik ben ervan overtuigd dat Tronador nog leeft. Adanar heeft hem hoe dan ook nodig, want hij is en blijft nu eenmaal de zwarte magiër. Maar ik vrees dat Adanar hem niet meer zo in de hand heeft. Tronador was woest toen Adanar Melsaran gevangen had gezet.’
‘En waar is Adanar nu?’ vroeg Sirus.
Séran boog zich voorover. ‘Adanar heeft niet zo heel veel mogelijkheden meer. Ik denk dat zijn enige kans het vinden van de vijfkleurige diamant is. Ik heb echter zo’n vermoeden dat daar meer personen naar op zoek zijn. Het zou me niets verbazen als ook Tronador hem probeert te vinden.’
Sirus knikte. ‘Het klinkt allemaal wel logisch.’
Cyane wist dat hij het verhaal eerst aan de drieling zou vertellen voor hij zelf een mening zou vormen.
‘Nu ik jullie van al deze informatie heb voorzien, zou ik graag één ding willen weten,’ zei Séran.
‘En dat is?’ vroeg Sirus op zijn hoede.
‘Waar is Elenia?’
Sirus grijnsde. ‘Ik zou het werkelijk niet weten.’
Séran knikte bedachtzaam. ‘O, dus jullie hadden niets te maken met zwarte slangen en dat soort zaken?’
‘Waar zie je me voor aan? Ik ben maar een eenvoudige Nudoor.’ Sirus stond op en gebaarde Cyane hetzelfde te doen. ‘Het was me een waar genoegen, Séran,’ zei hij. Zonder de koopman nog een blik waardig te keuren baande hij zich een weg naar de deur.
Tien
In hoog tempo liepen ze terug naar Ikors huis. Sirus keek herhaaldelijk om, om zich ervan te verzekeren dat ze niet gevolgd werden. Dat bleek gelukkig niet het geval. Veilig bereikten ze het huis.
‘Je raadt nooit wie wij tegenkwamen,’ viel Sirus met de deur in huis.
Iedereen zat om de grote tafel in de woonkamer, die schaars verlicht werd door een aantal kaarsen. De anderen keken Sirus vragend aan.
‘Séran Tonoran,’ meldde hij triomfantelijk.
‘Ach ja, die Akonese koopman die met Tiron meereisde,’ herinnerde Meroboth zich.
‘Hij is een dubbelspion, Sirus,’ zei Melsaran bezorgd.
‘Je kent hem dus ook,’ concludeerde Sirus.
‘Hij was altijd goed voor nuttige informatie,’ verklaarde Melsaran. ‘Tegen het juiste bedrag, natuurlijk.’
Sirus grijnsde en vertelde wat hij de koopman had weten te ontfutselen. Na het verhaal volgde een lange stilte.
‘Ik ben er niet gerust op,’ zei Melsaran ten slotte. ‘Het is niets voor Adanar om deze stad stuurloos te laten. Hij moet wel een heel concreet vermoeden hebben over de vijfkleurige diamant.’
‘Bovendien begint hij aan achtervolgingswaanzin te lijden,’ meende Mekaron.
‘Niet helemaal,’ sprak Meroboth hem tegen. ‘Hij heeft reden om zich zorgen te maken, want zo te horen heeft iemand het op hem gemunt.’
‘Degeae die mij uit zijn paleis heeft bevrijd en die hier strooide met zwarte slangen,’ zei Melsaran begrijpend. ‘Ik vraag me af wie dat zou kunnen zijn.’ Peinzend keek hij Cyane aan.
Ze werd rood onder zijn blik en sloeg haastig haar ogen neer.
‘Die man beheerst in ieder geval aardig wat zwarte magie. Zo iemand is handig om aan je zijde te hebben,’ vond Meroboth.
‘Melsaran, heb jij enig vermoeden waar de vijfkleurige diamant zou kunnen zijn?’ vroeg Sindra.
‘Vermoedens heb ik genoeg, maar ik heb er nooit concrete bewijzen voor kunnen vinden,’ antwoordde Melsaran.
Ikor mengde zich in het gesprek. ‘Er gaan geruchten dat hij in de Tempel van Orgor is. ‘Meteen had hij ieders volledige aandacht.
‘De Tempel van Orgor?’ herhaalde Sirus.
‘Waarvan niemand weet of hij daadwerkelijk bestaat,’ vulde Ikor droog aan.
‘Dat klopt,’ viel Melsaran de Fee bij. ‘Die tempel zou in het Gebergte van Orgor moeten liggen. Niemand weet dat zeker. Orgors broer Dar heeft de tempel ooit voor hem opgericht, nadat Orgor als machtige zwarte magiër voortijdig aan zijn einde was gekomen. Ziekelijk stel, die twee broers.’
‘Dankzij hen hebben we magie,’ zei Meroboth bestraffend tegen zijn broer.
‘Ach ja, en kijk eens hoe gelukkig ons dat heeft gemaakt,’ zei Mekaron sarcastisch.
‘Dat lijkt me een heel andere discussie,’ zei Sirus met een vlugge glimlach naar de watermagiër.
‘We weten in ieder geval wat ons te doen staat,’ vond Ikor.
‘Wilde je het Gebergte van Orgor in trekken?’ vroeg Sirus.
Ikor wierp een koele blik in zijn richting. ‘Heb jij een beter plan?’
Daar had Sirus geen antwoord op. Cyane kon aan hem zien dat hij dat heel jammer vond.
‘Misschien moesten we dat maar doen,’ zei Meroboth aarzelend. ‘De waarheid is dat ik ook niet weet hoe het verder moet. We weten niet wie de drager is van het zwaard, dus hem opzoeken kunnen we niet. Elenia en Gontak zijn dood en er zijn nog twee personen aan de top van dit Rijk over. Als zij allebei in dat gebergte zijn, zouden wij daar ook eens moeten gaan kijken.’
‘Helemaal mee eens,’ zei Mekaron. Ook de anderen knikten instemmend.