Выбрать главу

De Kronieken zouden de jaren van de Laatste Slag niet kunnen vastleggen zonder de Herrezen Draak te noemen, maar één naam zou met grotere sierletters worden geschreven dan elke andere. Elaida do Avriny a’Roihan, de jongste dochter van een lager Huis uit het noorden van Morland, zou de geschiedenis ingaan als de grootste en machtigste Amyrlin Zetel aller tijden. De redster van de mensheid.

De Aiel stonden op het bruine gras in een diepe holte tussen lage heuvels. Ze leken standbeelden, de stofwolken negerend die door windstoten opwervelden. Dat er in deze tijd van het jaar een dik pak sneeuw had moeten liggen, liet hen koud. Niemand van hen had ooit sneeuw gezien en deze kokende hitte onder een zon die nog lang niet op het hoogste punt was aangekomen, was minder erg dan waar ze vandaan kwamen. Hun aandacht bleef strak op de heuvel in het zuiden gericht, wachtend op een teken dat zou aangeven dat het lot van de Shaido was bepaald.

Uiterlijk leek Sevanna op de anderen, hoewel een kring van Speervrouwen haar van de anderen onderscheidde. Ze stonden ontspannen in balans en hun zwarte sluiers verborgen reeds hun gezicht tot aan de ogen. Zij wachtte eveneens en was ongeduldiger dan ze liet blijken, maar dat sloot andere gevoelens niet uit. Dat was een reden waarom zij het bevel voerde en anderen gehoorzaamden. De tweede reden was dat zij zag wat er kon gebeuren wanneer je weigerde je de handen te laten binden door versleten gewoonten en achterhaalde gebruiken.

Even schoten haar groene ogen naar links, naar twaalf mannen en een vrouw, ieder met een rond schild van stierenleer en drie of vier korte speren, gekleed in de grijsbruine cadin’sor die hen in deze streek even onzichtbaar maakte als in het Drievoudige Land. Efalin, het korte grijze haar verborgen onder de sjoefa die om haar hoofd was geslagen, wierp af en toe een blik op Sevanna. Als van een Speervrouw gezegd kon worden dat ze zich niet op haar gemak voelde, was dat nu met Efalin het geval. Enkele Speervrouwen van de Shaido-stam waren naar het zuiden gegaan en hadden zich bij de dwazen gevoegd die bij Rhand Altor rondhingen en Sevanna twijfelde er niet aan dat anderen erover spraken. Efalin zou zich wel afvragen of ze dit alles had goedgemaakt door Sevanna een lijfwacht van Speervrouwen te gunnen alsof zij ooit Far Dareis Mai was geweest. Gelukkig twijfelde Efalin er geenszins aan wie de machtigste was.

De mannen die bij Efalin stonden, waren de Shaido-hoofden van de krijgsgenootschappen en ze keken elkaar aan, terwijl ze tevens de helling in het oog hielden. Vooral de vierkante Maeric, een Seia Doon, en Bendhuin van de Far Aldazar Din, met zijn gezicht vol littekens. Na vandaag zou niets de Shaido meer weerhouden een man naar Rhuidean te sturen om aangewezen te worden als stamhoofd, als hij het overleefde. Tot dan sprak Sevanna als stamhoofd, aangezien zij de weduwe van het laatste hoofd was. Van de laatste twee stamhoofden. En dan mochten degenen die mompelden dat zij ongeluk betekende, erin stikken.

Armbanden van goud en ivoor rinkelden zachtjes terwijl ze de donkere omslagdoek over haar armen goed schoof en haar kettingen verschikte. Daarvan waren de meeste ook van goud en ivoor, maar een ervan was een lang parelsnoer met robijnen dat aan een of andere natlandse had behoord. Die vrouw droeg nu het wit en mocht samen met de andere gai’shain sloven en draven in de bergen van Therins Dolk. Tussen haar borsten rustte een robijn die zo groot was als een klein kippenei. Deze natlanden leverden rijke buit op. Een grote smaragd aan haar vinger ving het zonlicht in groen vuur. Het dragen van ringen was een natlandergewoonte en de moeite van het overnemen waard, al werden er nog zoveel blikken op haar geworpen. Ze zou er nog meer omschuiven als ze in pracht bij deze ring pasten.

De meeste mannen dachten dat Maeric of Bendhuin als eersten toestemming van de Wijzen zouden krijgen om de proef in Rhuidean af te leggen. De enige in die groep die vermoedde dat niemand die zou krijgen, was Efalin. Ze was ook flink genoeg om haar verdenkingen omzichtig aan Sevanna te uiten en tegen ieder ander haar mond te houden. Hun geest kon de mogelijkheid niet verwerken dat je het oude van je afschudde, en wellicht omgordde Sevanna zich wat al te gretig met het nieuwe, maar ze besefte daarbij wel dat ze hen er geleidelijk toe moest brengen. Er waren al veel oude manieren gewijzigd sinds de Shaido over de Drakenmuur naar de natlanden waren getrokken, die vergeleken met het Drievoudige Land nog steeds nat waren, maar er zou nog meer veranderen. Als ze Rhand Altor eenmaal in handen had en gehuwd was met de Car’a’carn, het hoofd van alle Aielhoofden -die onzin van de Herrezen Draak was natlanderdwaasheid – zouden stamhoofden en zelfs sibbehoofden op een nieuwe wijze worden aangesteld. Wellicht zelfs de leiders van de krijgsgenootschappen. Rhand Altor zou ze benoemen. Aanwijzen wie zij noemde. En dat zou nog maar het begin zijn. Neem dat idee van de natlanders om hun rang en stand aan hun kinderen en kleinkinderen door te geven...

De windvlaag uit het noorden was even wat harder en vaagde het geluid van de paarden en wagens van de natlanders weg. Opnieuw verschikte ze haar omslagdoek en onderdrukte toen een grimas. Ze mocht niet zenuwachtig lijken, koste wat het kost. Een blik naar rechts stilde deze bezorgdheid zodra die de kop had opgestoken. Daar stonden ruim tweehonderd Shaido-Wijzen bijeen en gewoonlijk hield een van hen haar als een aasgier in de gaten, maar ze hadden allen hun ogen op de heuvel gericht. Meerderen verschikten ongerust hun omslagdoek of streken hun ruime rok glad. Sevanna’s lippen vertrokken. Op sommige gezichten parelde zweet. Zweet! Waar was hun eer, dat ze voor ieders oog hun zenuwen lieten blijken?

Iedereen verstijfde lichtjes bij het verschijnen van een jonge Sovin Nai boven hen die zijn sluier liet zakken, terwijl hij naar beneden wandelde. Hij kwam recht op haar af, wat juist was, maar tot haar ergernis verhief hij zijn stem zo luid dat ieder het kon horen. ‘Een verkenner van hun voorhoede ontsnapte. Hij was gewond maar bleef op zijn paard.’

De hoofden van de krijgsgenootschappen bewogen al voor hij uitgesproken was. Dat kon niet. Ze zouden bij de echte strijd de leiding hebben – Sevanna had in haar hele leven op z’n best slechts een speer vastgehouden – maar ze zou hen geen ogenblik laten vergeten wie zij was. ‘Zet elke speer tegen hen in,’ beval ze luid, ‘voor ze zich gereed kunnen maken.’ Als één man keken ze haar aan.

‘Elke speer?’ wilde Bendhuin ongelovig weten. ‘Je bedoelt, afgezien van de beschermende...’

Met laaiende ogen overstemde Maeric hem meteen. ‘Als we geen krijgers achter de hand...’

Sevanna onderbrak hen allebei. ‘Elke speer! We zullen met Aes Sedai dansen. We moeten ze in één keer overweldigen!’ Efalin en de meeste anderen hielden hun gezichten heel kalm, maar Bendhuin en Maeric fronsten alsof ze er ruzie over wilden maken. Dwazen. Ze stonden tegenover een stuk of dertig Aes Sedai en een paar honderd natlandsol-daten. Nadat ze zelf hadden aangedrongen om ruim veertigduizend algai’d’siswai mee te nemen, wilden ze nog steeds hun schermen van verkenners en speren achter de hand houden, alsof ze een ander Aiel-leger of natlanders moesten bestrijden, ik spreek als stamhoofd van de Shaido.’ Dat had ze niet hoeven te zeggen, maar een herinnering kon geen kwaad. ‘Het zijn er maar een handvol.’ Ze gaf ieder woord nadrukkelijk alle minachting die ze kon opbrengen. ‘Ze kunnen onder de voet worden gelopen als de speren snel optrekken. In de dageraad waren jullie bereid Desaine te wreken. Ruik ik nu vrees? Vrees voor een paar natlanders? Hebben de Shaido alle eer verloren?’

Dat maakten hun gezichten steenhard, zoals ze ook had bedoeld. Zelfs Efalins ogen waren glinsterende grijze edelstenen terwijl ze zich sluierde. Haar vingers bewogen in de handtaai van de Speervrouwen en terwijl de hoofden van de krijgsgenootschappen de helling op snelden, volgden de Speervrouwen rond Sevanna haar. Dat had ze eigenlijk niet bedoeld, maar de speren waren nu tenminste op mars. Ze zag dat zelfs van de bodem van het dal, die kale grond had geleken, in cadin’sor geklede gestalten oprezen, die zich naar het zuiden haastten, met lange passen waarmee ze paarden konden inhalen. Er viel geen tijd te verknoeien. Met de gedachte Efalin later toe te spreken, keerde Sevanna zich tot de Wijzen.