‘De jongen heeft je gezegd dat hij gewond is geraakt,’ zei Anath kil en bevelend. ‘Als je hem wilt, koop hem dan. Klaar. Het is een lange dag geweest en je hoort in bed te liggen.’
Tuon bleef staan en bekeek aandachtig de grote zegelring aan zijn vinger. Het was een meesterstuk van een gezel, om de kunde van de ambachtsman te tonen, en stelde een rennende vos en twee raven in de vlucht voor, alles omgeven door wassende manen. Hij had de ring toevallig gekocht maar hij was eraan gehecht geraakt. Hij vroeg zich af of ze de ring wilde hebben. Ze rechtte haar rug en staarde in zijn gezicht. ‘Een goede raad, Anath,’ zei ze. ‘Hoeveel wil je voor hem hebben, Tylin? Als hij een van je speeltjes is, noem je prijs en ik verdubbel die.’
Tylin verslikte zich in haar wijn en begon te hoesten. Mart viel bijna om. Het meisje wilde hem kópen? Gezien haar gezichtsuitdrukking had ze net zo goed naar een paard kunnen kijken. ‘Hij is een vrij man, hoogvrouwe,’ zei Tylin onvast toen ze weer kon spreken, ik... ik kan hem niet verkopen.’ Mart had kunnen lachen als Tylin niet had geklonken alsof ze wilde voorkomen dat haar tanden haar beven zouden verraden en als deze bloedmeid zojuist niet had gevraagd wat hij kostte. Een vrij man, ja, ja! Het meisje wendde zich van hem af alsof ze hem uit haar gedachten gezet had. ‘Je bent bang, Tylin, en onder het Licht, dat zou je niet moeten zijn.’ Ze schreed naar Tylins stoel, lichtte haar sluier met twee handen op en bukte zich om Tylin licht op beide ogen en op haar lippen te kussen. Tylin was verbijsterd. ‘Je bent een zuster voor mij, en voor Suroth,’ zei Tuon verrassend vriendelijk. ‘Zelf zal ik jouw naam schrijven als een van het Bloed. Je zult hoogvrouwe Tylin zijn, en tevens koningin van Altara, en meer, zoals je beloofd is.’ Anath snoof luid.
‘Ja, Anath, ik weet het,’ zuchtte het meisje. Ze trok haar sluier recht en liet hem zakken. ‘De dag is lang en zwaar geweest en ik ben vermoeid. Maar ik wil Tylin laten zien welke landen er voor haar in het verschiet liggen, zodat ze het zal weten en ze zich op haar gemak zal voelen. Er zijn kaarten in mijn vertrekken, Tylin. Wil je me de eer aandoen mij te vergezellen? Ik heb buitengewoon goede vrouwen om je te verzorgen.’
‘De eer is aan mij,’ zei Tylin. Ze klonk nog net zo onzeker als daarvoor.
Op een gebaar van de so’jhin vloog de lichtblonde jongeman naar de deur en hield hem geknield open, maar eerst moesten de gewaden gladgestreken en rechtgetrokken worden, zoals vrouwen altijd doen voor ze ergens heengaan, of ze nu uit Seanchan of Altara kwamen. Terwijl de da’covale met het rode haar dit karweitje bij Tuon en Suroth deed, nam Mart de gelegenheid te baat om Tylin opzij te trekken, zodat niemand hem kon afluisteren. Hij zag dat de blauwe ogen van de so’jhin telkens naar hem teruggleden, maar Tuon, die zich de zorgen van de da’covale liet welgevallen, leek zijn bestaan vergeten te zijn. ik ben niet zomaar gevallen,’ zei hij zacht tegen Tylin. ‘De gholam probeerde mij nog geen uur geleden te doden. Het zou het beste zijn als ik vertrok. Dat ding wil mij hebben, en het zal iedereen in mijn buurt eveneens doden.’ Het plan was net bij hem opgekomen, maar hij dacht dat het een goede kans van slagen had. Tylin snoof. ‘Hij... het... het... mag jou niet krijgen, varkentje van me.’ Ze wierp een blik op Tuon die het meisje wellicht zou doen vergeten dat ze Tylin als een zuster had gezien. ‘En zij ook niet.’ Ze was tenminste verstandig genoeg om te fluisteren. ‘Wie is ze?’ vroeg hij. Nou ja, het was nooit meer dan een kans geweest.
‘Hoogvrouwe Tuon, en dan weet je net zoveel als ik,’ zei Tylin zacht. ‘Suroth vliegt overeind als ze spreekt, en zij vliegt overeind als Anath spreekt, hoewel ik bijna zou zweren dat Anath een bediende is. Het zijn zeer vreemde mensen, liefje.’ Opeens schoof ze met een vinger wat modder van zijn gezicht. Hij had niet beseft dat hij ook modder op zijn gezicht had. Ineens was die adelaar weer in haar ogen aanwezig. ‘Weet je het nog van die roze linten, lieverd? Als ik terugkom, zullen we zien hoe roze linten je staan.’
Ze gleed met Tuon en Suroth de kamer uit, gevolgd door Anath en de so’jhin en de da’covale. Mart bleef achter met de grootmoederlijke bediende die de wijntafel opruimde. Hij zonk in een bamboestoel neer en liet zijn hoofd in zijn handen rusten. Elke andere tijd zouden die roze linten hem de gordijnen in hebben gejaagd. Hij had nooit moeten proberen om haar met gelijke munt terug te betalen. Zelfs de gholam was even uit zijn gedachten verdwenen. De dobbelstenen waren gestopt en... verder? Hij had drie mensen ontmoet die hij nog nooit eerder gezien had, maar dat kon het niet zijn. Misschien had het te maken met Tylin, die in het Bloed zou worden opgenomen. Maar vroeger was het altijd iets persoonlijks geweest als de dobbelstenen uitgerold waren. Hij bleef erover peinzen terwijl de dienstmeid anderen naar binnen riep om alles weg te dragen. Hij zat er nog steeds toen Tylin terugkwam. Ze was het van die roze linten niet vergeten, waardoor hij behoorlijk lang al het andere mocht vergeten.
18
Een aanbod
De dagen na de moordpoging van de gholam vergleden in een regelmaat waar Mart zich hevig aan ergerde. De grijze lucht bleef grijs en het bleef regenen. Op straat werd gepraat over een man met een opengereten keel die niet ver van de stad door een wolf gedood was. Niemand maakte zich echt zorgen; men was gewoon nieuwsgierig. In geen jaren waren zo dicht bij Ebo Dar wolven gezien. Stedelingen mochten dan geloven dat een wolf zich vlak bij de stadsmuren waagde, maar hij wist wel beter. De gholam was niet ver weg. Harnan en de andere Roodarmen weigerden koppig om te vertrekken en beweerden dat ze hem voor aanvallen van achteren konden bewaken. Vanin weigerde zonder een reden op te geven, tenzij je zijn gemompelde bewering dat Mart een goed oog voor snelle paarden had, een reden noemde. Maar hij spoog na deze woorden. Riselle, met haar olijfkleurige gezicht waarnaar mannen met open mond staarden en met ogen die monden gortdroog maakten, vroeg naar Olvers leeftijd. Toen hij zei dat hij bijna tien was, keek ze verbaasd en tikte nadenkend tegen haar volle lippen, maar het was de vraag of ze iets aan haar les veranderde, want erna babbelde hij even vaak over haar boezem als over de door haar voorgelezen boeken. Mart dacht dat Olver zelfs bereid leek te zijn het spelletje slangen-en-vossen, dat ze speelden voor het naar bed gaan, op te geven voor Riselle en de boeken. En als het joch de kamer uitrende die ooit aan Mart had toebehoord, glipte vaak Thom naar binnen, met zijn harp onder de arm. Dat was al genoeg om Mart te doen knarsetanden, maar het was nog niet de helft. Thom en Beslan trokken er geregeld samen op uit, waarbij ze hem niet uitnodigden. Dan waren ze een halve dag of een halve nacht verdwenen. Maar geen van beiden had het over hun plannetjes, hoewel Thom nog zo beleefd was om beschaamd te kijken. Mart hoopte dat ze niemand de dood in zouden jagen, maar ze toonden weinig belangstelling voor zijn mening. Beslan keek al nijdig naar hem als hij hem zag staan. Juilin glipte steeds weer naar boven en werd door Suroth gesnapt, wat hem een straf opleverde. Hij werd hangend aan zijn polsen in de stal afgeranseld. Mart zag hoe zijn striemen door Vanin verzorgd werden – hij beweerde dat het oplappen van mensen hetzelfde was als dat van paarden – en waarschuwde Juilin dat het de volgende keer erger kon zijn. Maar de dwaas was die nacht al weer terug op een bovenverdieping, terwijl hij nog steeds ineenkromp doordat zijn hemd de huid op zijn rug aanraakte. Het moest een vrouw zijn, hoewel de dievenvanger weigerde iets te zeggen. Mart vermoedde dat het een Seanchaanse edelvrouwe was, want een paleisbediende had juilin in zijn eigen kamer kunnen bezoeken nu Thom zo vaak weg was.
Nee, beslist niet Suroth of Tuon, maar zij waren niet de enige Seanchaansen van het Bloed in het paleis. De meeste Seanchaanse edelen huurden huizen in de stad, of desnoods kamers, maar er waren ook enkelen met Suroth meegekomen, evenals een handvol met het meisje. Verschillende vrouwen zagen eruit alsof ze hem handen vol plezier konden bezorgen, ondanks hun haarpluim en hun hooghartige blikken naar mensen met ongeschoren slapen. Als ze al verschil maakten tussen die mensen en de meubels. Het leek onwaarschijnlijk dat zo iemand twee keer keek naar een man uit de bediendenvleugel, maar het Licht wist dat vrouwen een rare smaak hadden als het om mannen ging. Hij was gedwongen Juilin met rust te laten. Wie de vrouw ook mocht zijn, ze kon de dievenvanger laten onthoofden, maar dat soort koorts moest je op z’n beloop laten voor een man weer helder kon denken. Vrouwen veroorzaakten vreemde gedachten in het hoofd van een man.