Dagenlang kwam er een stroom van mensen, dieren en goederen uit de nieuw aangekomen schepen. Als iedereen gebleven was, hadden de dikke stadsmuren onder de druk open kunnen barsten, maar velen trokken met hun gezin, werktuigen en vee door de stad naar het platteland om zich ergens te vestigen. Ook soldaten trokken verder, duizenden, voetsoldaten en ruiterij, strak in het gelid met de zwierigheid van oudgedienden. Ze trokken noordwaarts in hun fel gekleurde wapenrustingen, en naar het oosten, over de rivier heen. Mart telde ze niet eens meer. Soms zag hij vreemde beesten, hoewel de meeste buiten de haven werden uitgeladen. Hij zag torms, die leken op drie-ogige katten met bronzen schubben. Ze waren zo groot als paarden, en hun aanwezigheid liet de meeste echte paarden steigeren. En corlms, harige en vleugelloze vogels zo groot als een man. Hun lange oren bewogen voortdurend en hun lange bekken wilden hunkerend ergens vlees uitscheuren. Er waren enorme s’redits, met lange neuzen en nog langere slagtanden. Raken en hun grotere verwanten, de to’raken, vlogen van hun landingsplaats ten oosten van de Rahad. Het waren enorme hagedissen die hun vleugels als vleermuizen konden spreiden en mannen op hun rug konden dragen. De namen leerde hij gemakkelijk genoeg: elke Seanchaanse soldaat praatte graag over de noodzaak van verkenners op raken en het vermogen van corlms om sporen te zoeken, en of een s’redit alleen maar bruikbaar was voor zware lasten of ook voor andere dingen, en waarom torms te slim waren om te vertrouwen. Hij leerde een heleboel belangwekkende zaken van lieden die uit waren op datgene waarmee de meeste soldaten zich bezighielden: drank, een vrouw en wat gokken, en niet noodzakelijk in die volgorde. Deze soldaten waren inderdaad oudgedienden. Seanchan was een keizerrijk dat groter was dan alle landen tezamen tussen de Arythische Oceaan en de Rug van de Wereld, en dat alles onder een enkele keizerin, maar met een geschiedenis van voortdurende opstootjes en opstanden, die ervoor zorgden dat de soldaten scherp, geoefend en oplettend bleven. Het zou moeilijker worden om de boeren weer van hun landerijen te verdrijven.
Uiteraard vertrokken niet alle soldaten. Er bleef een sterk garnizoen achter, dat niet alleen uit Seanchanen bestond, maar ook uit Taraboonse lansiers met hun metalen sluiers en Amadiciaanse piekeniers met beschilderde borstkurassen, zodat die op de Seanchaanse wapenrusting leken. En naast de wapenknechten van Tylins Huis ook Altaranen. Volgens de Seanchanen behoorden de Altaranen van het platteland, met de kriskras lopende rode strepen op hun kurassen, Tylin net zo goed toe als de schildwachten van het Tarasinpaleis. Dat leek haar gek genoeg niet al te best te bevallen. Het beviel de kerels uit de binnenlanden evenmin. De plattelanders en de groenwitte mannen van Mitsobar bekeken elkaar als vreemde katers in een klein hok. Er was genoeg onderlinge achterdocht. Tussen Taraboners en Amadicianen, tussen Amadicianen en Altaranen, enzovoorts. Het waren oude en sinds lang bestaande veten die naar het oppervlak borrelden, maar het ging nooit verder dan het schudden van vuisten en een paar vloeken. Vijfhonderd Doodswachtgardisten waren ontscheept en bleven om onbekende redenen in Ebo Dar. Onder de Seanchanen waren de gewone misdaden die in elke grote stad voorkomen, enorm afgenomen, maar de gardisten liepen nog steeds door de straten alsof ze verwachtten dat beurzensnijders, straatvechters en misschien wel volledig bewapende boevenbendes uit de kasseien omhoog zouden springen. De Altaranen, de Amadicianen en de Taraboners hielden zich in. Alleen een dwaas verzette zich tegen de Doodswachtgarde, en nooit meer dan één keer.
Een andere groep van de garde had zich ook in de stad gevestigd. Het waren Ogier, een honderdtal, in groen-en-zwart. Soms hielden ze de wacht met de anderen, soms liepen ze rond met grote bijlen op de schouders. Ze leken helemaal niet op Marts vriend Loial. Ze hadden uiteraard dezelfde brede neuzen, pluimoren, tot op hun wangen hangende wenkbrauwen en ogen zo groot als theekopjes, maar de Gardeniers bekeken een man alsof ze zich afvroegen welke ledematen gesnoeid moesten worden. Niemand was zo stom om van mening te verschillen met de Gardeniers.
Terwijl talloze Seanchanen Ebo Dar uitstroomden, stroomde het nieuws naar binnen. Zelfs terwijl ze op zolders moesten slapen, belaagden kooplieden de gelagkamers van herbergen, rookten er hun pijpen en vertelden wat ze wisten en wat niemand anders wist. Zolang het hun winst maar niet verkleinde. De wachters van de kooplieden gaven weinig om de winst, waar ze toch niet in meedeelden, en vertelden alles, en een deel ervan was nog waar ook. Zeelieden verspreidden verhalen aan iedereen die een kroes mede of, nog beter, een beker warme kruidenwijn voor hen betaalde. Als ze genoeg gedronken hadden, praatten ze zelfs nog meer, over havens die ze bezocht hadden en over gebeurtenissen waarvan ze getuige waren geweest. Maar het was duidelijk dat de wereld buiten Ebo Dar kolkte als de Zee der Stormen. Verhalen over plunderende en brandstichtende Aiel kwamen overal vandaan, en er trokken ook andere legers dan de Seanchaanse rond, legers in Tyr en Morland, in Arad Doman en Andor, in Amadicia, dat nog niet geheel door de Seanchanen beheerst werd, en in het hart van Altara zelf bevonden zich tientallen bewapende groepjes die te klein waren om een leger genoemd te worden. Afgezien van de mensen in Altara en Amadicia leek niemand goed te weten wie wat wilde bestrijden, en Altara was een twijfelgeval. Altaranen hadden hun eigen manier om moeilijkheden uit te buiten en probeerden wraak te nemen op hun huurlieden.
Maar het nieuws dat de meeste opschudding veroorzaakte was dat over Rhand. Mart probeerde zijn best te doen om niet aan hem en aan Perijn te denken, maar het was moeilijk om die vreemde kleurenwentelingen in zijn hoofd te vermijden als de Herrezen Draak op ieders lip lag. De Herrezen Draak was dood, beweerden sommigen, vermoord door de Aes Sedai, door alle zusters uit de Witte Toren die zich in Cairhien op hem hadden gestort, of misschien was het in Illian gebeurd, of Tyr. Nee, ze hadden hem ontvoerd en hij was een gevangene van de Witte Toren. Nee, hij was zelf naar de Witte Toren getrokken en had gehoorzaamheid gezworen aan de Amyrlin Zetel. Dat laatste won veel aan geloofwaardigheid omdat een aantal lieden beweerde dat ze een proclamatie hadden gezien, die door Elaida zelf was ondertekend, waarin dit met zoveel woorden was aangekondigd. Mart had zo zijn twijfels over een dode Rhand of over het gerucht dat hij gehoorzaamheid had gezworen. Op de een of andere manier wist hij zeker dat hij het zou weten als Rhand dood was. En wat dat andere betrof, hij geloofde nooit dat Rhand uit eigen beweging in de buurt van de Witte Toren zou komen. Herrezen Draak of niet, daar was hij verstandig genoeg voor.
Dat nieuws – en al zijn verschillende versies — wond de Seanchanen op, zoals een stok een mierennest. Officieren van hoge rang schreden elk uur van de dag door de gangen van het Tarasinpaleis met hun rare pluimhelmen onder de arm en hun laarzen dreunend op de vloertegels en met vastberaden gezichten. Koeriers snelden te paard en op to’raken weg uit Ebo Dar. Sul’dam en damane liepen wacht in de straten in plaats van bij de poorten en joegen nog heviger op geleidsters. Mart ging de officieren uit de weg en knikte beleefd naar elke sul’dam die hij in de straten voorbijliep. Hoe het ook met Rhand was, zelf kon hij in Ebo Dar niets doen. Eerst moest hij de stad uit. De ochtend na zijn ontmoeting met de gholam verbrandde Mart na Tylins vertrek elk lang roze lint in de haard. De hele bos. Hij verbrandde ook een roze jas die ze voor hem had laten maken, twee paar roze broeken en een roze mantel. De kamers vulden zich met de stank van brandende wol en zijde, en hij opende een paar ramen om de stank te laten ontsnappen, maar hij gaf er eigenlijk niets om. Hij voelde een geweldige opluchting toen hij zich kleedde in een helderblauwe broek, een geborduurde groene jas en een blauwe mantel met ongelooflijk ingewikkelde borduursels. Zelfs al dat kantwerk kon hem niet schelen. Het was tenminste geen roze. Hij wilde nooit meer iets in die kleur zién!