Mart pulkte met een vinger in zijn oor en schudde zijn hoofd. Hij moest het verkeerd gehoord hebben. Selucia, die er kalm met gevouwen handen bij stond, vertrok geen spier. Maar Suroth hijgde: ‘Daar ga je haar toch zeker voor straffen!’ zei ze boos. Haar ogen schoten vuur en leken Anath ter plekke te kunnen verbranden. Maar Anath negeerde Suroth volkomen; die had wat haar betrof net zo goed een stoel kunnen zijn. ‘Je begrijpt het niet, Suroth.’ Tuons zucht bewoog de sluier die haar gezicht bedekte. Bedekte, maar niet verborg. Ze zag er... gelaten uit. Hij was geschokt toen hij had vernomen dat ze slechts een paar jaar jonger was dan hijzelf. Hij had gedacht een jaar of tien. Nou, misschien wel zes of zeven. ‘De voortekenen zeggen het anders, Anath,’ zei het meisje kalm en helemaal niet boos. Ze gaf eenvoudig feiten weer. ‘Wees ervan verzekerd dat ik het je zal vertellen als ze veranderen.’
Iemand tikte op zijn schouder en hij keek in het gezicht van een breed glimlachtend dienstmeisje. Nou ja, hij was er toch niet echt op gebrand geweest om onmiddellijk te vertrekken.
Tuon maakte hem bezorgd. Als hij haar in de gangen zag, maakte hij zijn fraaiste buiging, terwijl zij hem volkomen negeerde, net als Suroth en Anath, maar hij kreeg de indruk dat ze elkaar iets te vaak tegenkwamen.
Op een middag liep hij Tylins vertrekken in en vernam dat Tylin en Suroth zich voor het een of ander hadden afgezonderd. En in de slaapkamer zag hij Tuon, die zijn ashandarei onderzocht. Hij bevroor bij de aanblik van haar vingers die over de woorden gleden die in de Oude Spraak in de zwarte schacht waren gesneden. Aan het begin en eind van de regel stond een raaf in een nog donkerder stukje metaal, terwijl er ook nog twee op de ietwat gebogen kling waren gegraveerd. Voor de Seanchanen waren raven een keizerlijk zegel. Hij hield zijn adem in en probeerde geluidloos achteruit te lopen.
Het gesluierde gezicht draaide zich naar hem toe. Het was een lief gezicht, dat zelfs knap genoemd kon worden als ze niet een gezicht trok alsof ze op een bundel doorntakken beet. Hij vond niet langer dat ze er als een jongen uitzag – haar ingesnoerde, brede gordels zorgden ervoor dat je haar ronde vormen zag – maar het scheelde niet veel. Hij zag zelden een volwassen vrouw zonder even te denken hoe het zou zijn om haar te kussen of met haar te dansen. Dat gold zelfs die hooghartige Seanchaansen. Maar met Tuon kwam hij niet eens op de gedachte. Een vrouw moest iets hebben waar je je arm omheen kon leggen. Wat had je er anders aan?
‘Ik kan me niet voorstellen dat Tylin zo’n voorwerp bezit,’ zei ze koel, en zette de speer met de lange kling terug naast zijn boog, ‘dus moet het van jou zijn. Wat is het? Hoe kwam het in je bezit?’ Dat kille verholen bevel om inlichtingen te geven deed hem de kaken opeenklemmen. Dat mens zag hem als een dienaar. Licht, voor zover hij wist, kende ze niet eens zijn naam! Tylin zei dat ze nooit naar hem gevraagd had en hem ook niet had genoemd na die keer dat ze had aangeboden hem te kopen.
‘Het wordt een speer genoemd, vrouwe,’ zei hij, terwijl hij de aandrang weerstond om met in de riem gestoken duimen tegen de deurpost te leunen. Per slot was ze Seanchaans Bloed. ‘Ik heb hem gekocht.’
‘Ik zal je tien keer de prijs geven die je betaald hebt,’ zei ze. ‘Noem de prijs.’
Hij lachte bijna. Hij wilde het, en beslist niet voor zijn plezier. Geen denk je dat je het zou willen verkopen?, maar slechts ik koop het voor tienmaal jouw prijs. ‘De prijs was geen goud, vrouwe.’ Onwillekeurig gleed zijn hand naar de zwarte halsdoek om er zeker van te zijn dat het litteken om zijn hals niet te zien was. ‘Alleen een dwaas zou die prijs een keer betalen, laat staan tien keer.’ Ze keek hem even onderzoekend aan. Uit haar gezicht viel niets op te maken, hoe dun de sluier ook was. En een ogenblik later had hij er net zo goed niet meer kunnen zijn. Ze gleed langs hem alsof hij er niet stond en verdween uit het vertrek.
Dat was niet de enige keer dat hij haar alleen tegenkwam. Natuurlijk werd ze niet altijd gevolgd door Anath, Selucia of lijfwachten, maar hij kreeg de indruk dat ze veel te vaak opdoemde en naar hem keek als hij zich opeens omdraaide. Het gebeurde ook vaak dat als hij een kamer verliet, zij aan de andere kant van de deur stond. Meer dan eens keek hij bij het verlaten van het paleis over zijn schouder en zag hij haar gesluierde gezicht achter een venster. En ze staarde echt niet. Ze keek hem aan en liep dan weer verder, alsof hij niet meer bestond. Ze keek uit een raam en draaide zich om zodra hij haar opgemerkt had. Ze bekeek hem alsof hij een staande lamp was in de gang, een plavuis op het Mol Hara Plein. Maar hij werd er zenuwachtig van. Per slot van rekening had de vrouw aangeboden om hem te kópen. Zoiets had natuurlijk tot gevolg dat een man zenuwachtig werd.
Maar zelfs Tuon kon het groeiende gevoel dat alles zich ten goede had gekeerd, niet onderdrukken. De gholam kwam niet terug en hij begon te geloven dat het wezen misschien een gemakkelijker ‘oogst’ had gevonden. Hij bleef hoe dan ook weg van donkere en eenzame plekken waar het wezen hem kon aanvallen. Zijn vossenzegel werkte goed, maar een grote mensenmassa was beter. Bovendien wist hij zeker dat Aludra zich de laatste keer bijna iets had laten ontvallen, voor ze zich beheerste en hem haastig haar wagen uitwerkte. Een vrouw zou je alles vertellen als je haar maar vaak genoeg kuste. Hij bleef weg bij De Zwerfster om Tylins achterdocht niet op te wekken, maar Nerim en Lopin brachten stiekem alle kleren naar de kelder van de herberg. Stukje bij beetje verdween de halve inhoud van de met ijzer versterkte kist onder Tylins bed over het Mol Hara Plein naar de verborgen ruimte onder de herbergkeuken.
Maar hij begon zich zorgen te maken over die ruimte. Het was goed genoeg voor een kist. Een man zou zijn beitels moeten breken om erin te komen. En hij had toen in de herberg zelf gewoond. Nu kieperde Setalle het goud gewoon in het gat nadat ze iedereen had weggestuurd. Wat zou er gebeuren als iemand zich afvroeg waarom ze iedereen uit de keuken joeg elke keer als Lopin en Nerim kwamen?
Iedereen kon die vloertegel oplichten, als ze wisten waar ze naar moesten kijken. Hij moest er zelf zeker van zijn. Veel later, heel veel later ging hij zich afvragen waarom die stomme dobbelstenen hem niet gewaarschuwd hadden.
19
Drie vrouwen
De wind kwam uit het noorden en de zon stond nog niet helemaal boven de horizon, en dat betekende volgens de plaatselijke inwoners altijd dat er regen kwam. De bewolkte lucht leek inderdaad dreigend genoeg toen Mart het Mol Hara Plein overstak. Deze keer waren er geen sul’dam of damane in de gelagkamer van De Zwerfster, al was het nog steeds afgeladen vol met Seanchanen en pijprook, hoewel de muzikanten nog niet waren verschenen. De meesten aten hun ontbijt en keken soms achterdochtig in de kom, alsof ze niet wisten wat ze nu precies aten. Hij had hetzelfde met die gekke witte pap die de Ebodaranen zo lekker vonden. Nier iedereen had zijn aandacht bij het voedsel. Aan een tafel zaten drie mannen en een vrouw in hun lange geborduurde kleren te kaarten en pijp te roken. Ze hadden allemaal hun hoofd geschoren op de manier van de lagere edellieden. Marts aandacht werd getrokken door de gouden munten op hun tafel; ze speelden om een hoge inzet. De grootste stapel munten lag voor een kleine man met zwart haar die even donker was als Anath. Met in zijn mond een in zilver gevatte pijpensteel zat hij als een roofdier naar zijn tegenstanders te grijnzen. Maar Mart had zijn eigen goud en hij had evenveel geluk met kaarten als met dobbelstenen.