Выбрать главу

Een groepje Doodswachtgardisten in hun schitterende wapenrusting kwam voorbij en Bethamin bleef staan kijken. Ze lieten een kielzog achter als een grootschip onder vol zeil. Er zou vreugde heersen in de stad en in het land als Tuon eindelijk zou onthullen wie ze was. En er zouden feesten zijn alsof ze net was aangekomen. Ze voelde een schuldig soort plezier als ze aan de Dochter van de Negen Manen dacht, alsof ze iets verbodens als kind had gedaan. Maar uiteraard was Tuon, tot ze de sluier afnam, slechts hoogvrouwe Tuon, niet hoger dan Suroth. De Doodswachtgarde stampte door, met hart en ziel verknocht aan keizerin en rijk, en Bethamin liep de andere kant op. Heel toepasselijk, aangezien ze met hart en ziel verknocht was aan het bewaren van haar eigen vrijheid. De Gouden Zwanen van de Hemel was een nogal grootse naam voor de kleine herberg die tussen een openbare stal en een lakwarenwinkel ingeklemd zat. De winkel stond vol officieren die de winkel leeg kochten, de stal was overvol soldaten die waren uitgeloot en nog niet waren ingedeeld, en De Gouden Zwanen vol sul’dam. Bethamin mocht blij zijn dat ze maar twee bedgenoten had. De herbergierster, die opgedragen was zo veel mogelijk sul’dam onderdak te bieden, liet er wel vier of vijf een bed delen, als ze de kans kreeg. Maar het beddengoed was er schoon en het eten vrij goed, zij het wat uitheems. En omdat de enige andere keus waarschijnlijk een hooizolder was, deelde ze maar al te graag een bed met een ander. Om deze tijd waren de ronde tafels in de gelagkamer leeg. Enkele sul’dam die hier verbleven, hadden dienst en de rest ging gewoon de herbergierster uit de weg. Darnella Shoran keek met over elkaar geslagen armen fronsend toe hoe een paar dienstmeisjes ijverig de groenbetegelde vloer veegden. De magere vrouw droeg haar grijze haar in een knotje in de nek, en haar forse kaak gaf haar een strijdlustig uiterlijk. Ze had ondanks dat belachelijke mes van haar een der’sul’dam kunnen zijn. Het heft zat vol goedkope sierstenen. De dienstmeisjes waren zogenaamde vrije vrouwen, maar ze sprongen slaafs overeind wanneer de herbergierster sprak. Bethamin maakte zelf een sprongetje toen de vrouw haar aansprak. ‘U kent mijn regels aangaande mannen, vrouw Zeami?’ wilde ze weten. Na al die tijd vond ze de trage spraak van deze mensen nog steeds vreemd, ik heb gehoord van uw uitlandse gewoonten, en dat is uw zaak, maar niet onder mijn dak. Als u mannen wilt ontmoeten, dan doet u dat maar elders!’

‘Ik verzeker u dat ik geen mannen ontmoet. Hier noch elders, vrouw Shoran.’

De herbergierster keek haar wantrouwig aan. ‘Nou, hij kwam langs en vroeg naar u. Een niet onaardige blonde man. Geen jongen, maar ook niet erg oud. Iemand van u, en hij sprak zo traag dat ik hem amper kon verstaan.’

Bethamin deed haar best om de vrouw ervan te overtuigen dat ze geen blonde man kende en dat ze vanwege haar werk geen tijd voor mannen had. Dat was allebei waar, maar als het nodig was geweest, had ze gelogen. De Gouden Zwanen was niet gevorderd, en ze deelde liever met drie een bed dan op een hooizolder te belanden. Ze probeerde uit te vinden of de vrouw het op prijs zou stellen als ze straks een kleinigheidje voor haar zou kopen. Maar de herbergierster leek zowaar beledigd toen ze een mes met fraaiere stenen voorstelde. Ze had niets kostbaars bedoeld, niets dat als omkoping uitgelegd kon worden, maar vrouw Shoran leek het wel zo op te vatten en wees het voorstel beledigd en verontwaardigd af. Ze kon de manier waarop vrouw Shoran over hen dacht, niet veranderen. De herbergierster bleef geloven dat zij hun vrije tijd allemaal met uitspattingen doorbrachten. Ze keek nog steeds verontwaardigd toen Bethamin de trap opliep en deed of winkelen het enige in haar gedachten was.

Ze maakte zich niettemin wel degelijk zorgen over de onbekende man. Ze herkende hem beslist niet. Het was heel goed mogelijk dat hij op haar onderzoek was gestuit, en als hij haar had kunnen opsporen, was ze dus niet voorzichtig genoeg geweest. Misschien was ze wel gevaarlijk onvoorzichtig geweest. Ze hoopte dat hij terug zou komen. Ze moest het weten. Ze moest!

Ze opende de deur naar haar kamer en bleef stokstijf staan. Het was onmogelijk, maar haar ijzeren kist stond met opengeslagen deksel op het bed. Er zat een heel goed slot op, en de enige sleutel zat in haar buidel. De dief was er nog steeds en stond vreemd genoeg in haar dagboek te bladeren. Hoe had de man in Lichtsnaam voorbij de waakzame vrouw Shoran kunnen komen?

Ze verstijfde slechts een ogenblik. Toen trok ze haar mes uit de riem-schede en wilde om hulp schreeuwen.

Het gezicht van de man veranderde niet en hij probeerde niet weg te rennen of haar aan te vallen. Hij haalde alleen maar iets kleins uit zijn buidel en hield het omhoog, zodat ze het kon zien. Ze snakte naar adem en als verdoofd frommelde ze het mes terug, waarna ze haar handen spreidde om aan te geven dat ze geen wapens had en niet probeerde er een te pakken. In zijn vingers hield hij een goudgerande ivoren schijf waarin een raaf en een toren waren uitgesneden. Ineens herkende ze de blonde man van middelbare leeftijd. Wat vrouw Shoran over knap had gezegd, klopte wel, maar alleen een dwaas dacht op die manier aan een Waarheidszoeker. Ze had, het Licht zij dank, niets gevaarlijks in haar dagboek geschreven. Maar hij moest iets weten. Hij had naar haar gevraagd. O Licht, hij moest het weten!

‘Sluit de deur,’ zei hij kalm terwijl hij het schijfje weer wegstak. Ze gehoorzaamde. Ze wilde wegrennen. Ze wilde om genade smeken. Maar hij was een Zoeker, dus bleef ze bevend staan. Tot haar verrassing liet hij het dagboek weer in haar kist vallen en gebaarde naar de enige stoel. ‘Ga zitten. Er is geen reden om je ongemakkelijk te voelen.’

Langzaam hing ze haar mantel op en ging op de stoel zitten. Deze keer gaf ze er niet om hoe ongemakkelijk de vreemde lattenrug zat. Ze probeerde niet te verbergen hoezeer ze beefde. Ook iemand van het Bloed, zelfs iemand van het Hoge Bloed, zou piepen als hij door een Zoeker ondervraagd werd. Er restte haar een vage hoop. Hij had haar niet gevraagd hem te vergezellen. Misschien wist hij het toch niet.

‘Je hebt navraag gedaan naar een scheepskapitein die Egeanin Sarna heet,’ zei hij. ‘Waarom?’

De hoop verdween met een klap die ze in haar borst kon voelen, ik was op zoek naar een oude vriendin,’ zei ze met trillende stem. De beste leugens bevatten altijd zoveel mogelijk waarheid. ‘We waren samen in Falme. Ik weet niet of ze het overleefd heeft.’ Liegen tegen een Zoeker was verraad, maar ze had haar eerste verraad al gepleegd door tijdens de slag bij Falme te vluchten.

‘Ze leeft,’ zei hij kortaf. Hij ging op het voeteneind van het bed zitten zonder zijn ogen van haar af te wenden. Ze waren blauw en deden haar verlangen om haar mantel weer om te slaan. ‘Ze is een heldin, een Kapitein van het Groen, en heet nu vrouwe Egeanin Tamarath. Die beloning heeft ze uit handen van hoogvrouwe Suroth ontvangen. Ze is in Ebo Dar. Je zult je vriendschap met haar vernieuwen. En aan mij verslag uitbrengen over wie ze ziet, waar ze naartoe gaat, wat ze zegt. Alles.’

Bethamin klemde haar kaken op elkaar om niet in een hysterische lachbui uit te barsten. Hij wilde Egeanin, niet haar. Het Licht zij geprezen! Het Licht zij geprezen in al zijn oneindige barmhartigheid! Ze had slechts willen weten of de vrouw in leven was en of ze voorzorgen moest nemen. Egeanin had haar ooit bevrijd; Bethamin kende haar toen al tien jaar en Egeanin was altijd een toonbeeld van plichtsbesef geweest. Er was nog steeds een mogelijkheid dat ze die ene dwaling zou betreuren, maar dat was wonder boven wonder niet gebeurd. En de Zoeker zat achter haar aan, niet... Er doemden mogelijkheden voor haar op, feiten, en ze verloor elke neiging om te lachen. In plaats daarvan maakte ze haar lippen nat. ‘Hoe... hoe kan ik onze vriendschap hernieuwen?’ Egeanin was nooit haar vriendin geweest, meer een kennis, maar het was te laat om dat nu te zeggen. ‘U zegt me net dat Egeanin tot het Bloed verheven is. Elke eerste zet moet van haar komen.’ De angst maakte haar driest. En joeg haar schrik aan, zoals haar in Falme overkomen was. ‘Waarom hebt u me als Hoorder nodig? U kunt haar op elk gewenst ogenblik ondervragen.’ Ze beet op haar wang om haar tong tot rust te brengen. Licht, ze wilde niets liever dan Hoorder zijn. Zoekers waren de geheime hand van de keizerin, moge zij eeuwig leven; in naam van de keizerin kon hij zelfs Suroth ondervragen, of Tuon. Zeker, hij zou op een afschuwelijke manier sterven als hij het bij het verkeerde eind had, maar bij Egeanin liep hij weinig gevaar. Ze was slechts van het lage Bloed. Als hij Egeanin ging ondervragen... Tot haar verbijstering beval hij haar niet gewoon hem te gehoorzamen, maar keek hij haar onderzoekend aan. ik zal je bepaalde dingen uitleggen,’ zei hij, en dat was een nog grotere schok. Zoekers legden nooit iets uit, had ze gehoord. ‘Je bent voor mij of voor het rijk van geen enkel nut, tenzij je het overleeft. Je overleeft het echter niet als je er niet in slaagt om te doorgronden wat je tegemoet treedt. Als je ook maar iemand iets vertelt van wat ik je nu ga zeggen, zul je dromen van de Toren van de Raven. Je zult erover dromen, een te verwachten vrees van waar je zult belanden. Luister en leer. Egeanin werd naar Tanchico gestuurd nog voor de stad in onze handen viel. Daar moest ze, naast andere zaken, proberen achtergelaten sul’dam uit Falme te vinden. Vreemd genoeg vond ze er niet een, hoewel dat anderen wel lukte, zoals degenen die jou geholpen hebben terug te keren. In plaats daarvan doodde Egeanin de sul’dam die ze vond. Ik beschuldigde haar zelf, en ze nam niet de moeite het te ontkennen. Ze liet niet eens woede blijken, of verontwaardiging. En wat al even erg was: in het geheim spande ze samen met Aes Sedai.’ Hij sprak de naam vlak uit, zonder de gebruikelijke afkeer, meer als een beschuldiging. ‘Ze verliet Tanchico op een schip dat onder bevel stond van een man genaamd Baile Domon. Hij veroorzaakte enige opschudding toen zijn schip geënterd werd en hij werd tot eigendom verklaard. Ze kocht hem en maakte hem onmiddellijk so’jhin. Hij is duidelijk belangrijk voor haar. Het interessante is dat ze ooit deze zelfde man naar hoogheer Turak in Falme bracht. Domon verwierf een dusdanige achting bij de hoogheer dat de kerel vaak werd uitgenodigd om met hem van gedachten te wisselen.’ Zijn gezicht betrok. ‘Heb je wijn? Of brandewijn?’ Bethamin schrok, ik geloof dat Iona in een veldfles de plaatselijke brandewijn heeft. Nogal scherp...’