Выбрать главу

De lege gangen waarin hij liep, waren slechts vaag verlicht. Een op de drie of vier staande lampen brandden met kleine vlammetjes voor de spiegels en vormden kleine lichtpoelen met bleke schaduwen ertussen die net geen duisternis werden. Zijn laarzen klonken luid op de vloertegels. Ze weerkaatsten op de marmeren trappen. Het was heel onwaarschijnlijk dat er nog iemand wakker was op dit uur, maar als iemand hem zag, moest hij er niet uitzien alsof hij aan het rondsluipen was. Hij stak zijn duimen achter zijn riem en dwong zichzelf om onbezorgd voort te stappen. Het was niet erger dan het stelen van een stuk taart van een keukenvensterbank. Al bevatten die brokjes herinneringen uit zijn jeugd ook stukken waarin hij half gevild werd voor zoiets, nu hij erover nadacht.

Hij stapte de zuilengang rond de binnenplaats op en zette zijn kraag op tegen de regenvlagen die tussen de gegroefde witte zuilen zwiepten. Vervloekte regen! Een man kon erin verzuipen, zelfs als hij niet buiten was. De lampen aan de muur waren uitgeblazen, behalve het stel bij de open poort, het enige lichtschijnsel in de regenval. Hij kon de wachters buiten de poort niet zien. De Seanchaanse wachten zouden even onbeweeglijk staan als op een zonnige namiddag. Maar dat gold ook voor de Ebodaranen: ze hielden er niet van om door iets in verlegenheid gebracht te worden. Na een paar tellen trok hij zich terug in de voorhal om niet helemaal doornat te worden. Er bewoog niets op het erf. Waar bleven ze? Bloed en as, waar...? Er verschenen ruiters in de poort, voorafgegaan door twee man te voet met stoklantaarns. Hij kon hen in de regen niet tellen, maar het waren er te veel. Hadden Seanchaanse boodschappers lantaarndragers? Misschien, in zulk weer. Zijn gezicht vertrok tot een grijns en hij trok zich verder terug in de voorhal. Het kleine licht van een staande lamp achter hem was genoeg om de nacht buiten tot een zwarte deken te maken, maar hij bleef strak naar buiten turen. Na een paar tellen verschenen er vier gestalten in zware mantels, die zich naar de deuropening haastten. Als het boodschappers waren, zouden ze hem zonder te kijken voorbijlopen.

‘Jouw man Vanin is onbeschaafd,’ verkondigde Egeanin, die haar kap afwierp zodra ze buiten de zuilengang was. In het donker was haar gezicht slechts een schaduw, maar haar kille stem was genoeg om hem voor te bereiden op wat hij zou zien voor ze de voorhal inkwam en hem dwong om achteruit te gaan. Haar wenkbrauwen stonden boos en haar ogen waren ijzig blauw. Ze werd gevolgd door een grimmige Domon, die de regen van zijn mantel schudde, en twee sul’dam, de een met stroblond haar en de ander met lang bruin haar. Veel meer zag hij niet, want ze stonden met gebogen hoofden de tegels voor hun voeten te bekijken. ‘Je hebt me niet gezegd dat ze twee man bij zich had,’ ging Egeanin door, en stroopte haar handschoenen af. Vreemd dat ze haar lispelende tongval zo ferm kon laten klinken. Ze gaf een man niet de kans er een woord tussen te krijgen. ‘Of dat vrouw Anan mee zou komen. Gelukkig weet ik hoe ik me moet aanpassen. Plannen moeten altijd worden aangepast zodra het anker eenmaal is opgehaald. Heb jij je trouwens al buiten gewaagd? Ik mag hopen dat je niet opgevallen bent.’

‘Wat bedoel je met aanpassen?’ vroeg Mart, en streek met zijn hand door zijn haren. Licht, ze waren nat. ‘Ik heb alles zorgvuldig voorbereid!’ Waarom stonden die twee sul’dam zo stil? Als hij ooit standbeelden van tegenzin gezien had, was het dit stel wel. ‘Wie zijn die anderen, buiten?’

‘De mensen van de herberg,’ zei Egeanin ongeduldig. ‘Om maar iets te noemen: ik heb een passend gevolg nodig om voor elke nachtwacht geloofwaardig te zijn. Die twee... zwaardhanden zijn gespierde kerels; dat maakt ze dus voortreffelijke lantaarndragers. En ik wilde niet riskeren hen in dit noodweer kwijt te raken. Het is beter dat we vanaf het begin allemaal bij elkaar blijven.’ Ze draaide haar hoofd en volgde zijn blikken naar de sul’dam. ‘Dit zijn Seta Zarbei en Renna Emain. Ik vermoed dat ze hopen dat je die namen na vannacht zult vergeten.’

De bleke vrouw kromp ineen bij het horen van de naam Seta, dus moest de ander Renna zijn. Geen van beiden keek op. Op welke manier zou Egeanin ze in de hand hebben? Dat deed er ook niet toe. Wat er wel toe deed, was dat ze hier waren en klaar stonden om te doen wat nodig was.

‘Het is nergens voor nodig om hier te blijven,’ zei Mart. ‘Laten we doorgaan.’ Hij liet de veranderingen in haar plan zonder verdere opmerkingen over zich heengaan. Per slot van rekening had hij, terwijl hij op dat bed in Tylins vertrekken lag, besloten om zelf ook een verandering aan te brengen.

31

Wat de Aelfinn zeiden

De Seanchaanse edelvrouwe was verrast en behoorlijk geërgerd toen Mart haar naar de zolderhokjes leidde. Seta en Renna kenden uiteraard de weg, en hij werd geacht enkel zijn mantel en verdere eigendommen te pakken. De twee sul’dam volgden hem door de slecht verlichte gangen. De mantels hingen op hun rug en ze hielden hun ogen op de vloer gericht. Domon liep achter hen, alsof hij hen in de gaten moest houden. De vlecht opzij van zijn hoofd zwaaide mee als zijn ogen een zijgang inschoten, en soms voelde hij aan zijn middel alsof hij een zwaard of een knuppel wilde pakken. Afgezien van de groep waren de met wandtapijten behangen gangen leeg.

‘Ik heb hier een klein klusje te doen,’ zei Mart achteloos tegen Egeanin, en glimlachte. ‘Je hoeft er je hoofd niet over te breken. Ik heb maar heel weinig tijd nodig.’ Zijn allerbeste glimlach leek even weinig indruk te maken als die van gisteren in haar kamer in de herberg. ‘Als je me nu aan de grond laat lopen...’ gromde ze dreigend. ‘Onthou nou maar wie dit plan bedacht heeft,’ mompelde hij, en ze gromde weer wat. Licht, vrouwen schenen altijd maar te denken dat ze gewoon de leiding over konden nemen!

Ze klaagde echter niet meer. Snel klommen ze naar de bovenste verdieping van het paleis en vervolgens de smalle zoldertrap op. Er waren maar een paar lampen aangestoken, minder dan in de gangen beneden, en de doolhof van smalle gangetjes tussen de houten hokken vormde een massa vage schaduwen. Er bewoog niets en Mart haalde opgelucht adem. Hij zou nog wat meer op z’n gemak zijn als ook Renna geen zucht van opluchting had geslaakt.

Zij en Seta wisten waar de verschillende damane gehuisvest waren, en hoewel ze zich niet haastten, liepen ze zonder te aarzelen verder de doolhof in, misschien omdat Domon nog steeds vlak achter hen liep. Niet echt een beeld dat vertrouwen uitstraalde. Nou ja, als wensen paarden waren, zouden bedelaars rijden. Een man moest het doen met wat hij had. Vooral als hij geen keus had.

Egeanin keek hem nog een keer boos aan en bromde nog wat, dit keer woordeloos, en schreed toen met wapperende mantel achter de anderen aan. Hij trok een lelijk gezicht en keek haar na. Zoals die vrouw liep, zou je haar in een broek voor een man kunnen houden. Maar hij had iets te doen en misschien niet iets kleins. Hij wilde het eigenlijk niet doen. Licht, hij had geprobeerd er zichzelf uit te praten! Maar hij móést. Zodra Egeanin achter Domon en de anderen om een hoek verdween, schoot hij naar de dichtstbijzijnde deur van de kamer waar volgens hem iemand van het Zeevolk zat. Hij opende geluidloos de houten deur en glipte de inktzwarte duisternis in. De slapende vrouw daarbinnen snurkte met een raspend geluid. Langzaam liep hij al tastend vooruit tot zijn knie tegen het bed stootte. Hij betastte de bult op het bed en vond haar hoofd net op tijd om zijn hand over haar mond te klemmen toen ze wakker schrok.

‘Ik wil dat je antwoordt op een vraag,’ fluisterde hij. Bloed en as! Stel dat hij zich had vergist in de kamer? Stel dat ze geen windvindster was, maar zo’n rottige Seanchaanse? ‘Wat zou je doen als ik die halsband van je nek haal?’ Hij haalde zijn hand weg en hield zijn adem in.