Toen ze voor de geknielde gevangenen bleven staan, fronste de vrouw met het arendsgezicht afkeurend naar de Shaido die hen gevangen hadden genomen, waarna ze met haar vrije hand gebaarde dat ze weg moesten gaan. Om de een of andere reden bleef ze de schouder van de gai’shain stevig vasthouden. De drie Speervrouwen draaiden zich meteen om en haastten zich naar de voorbijtrekkende Shaido. Net als een van de mannen, maar Rolan en de anderen wisselden eerst enkele nietszeggende blikken uit voor ze de anderen volgden. Misschien betekende het iets, misschien niets. Faile wist opeens hoe iemand in een draaikolk zich moest voelen, wanhopig grijpend naar een houvast.
‘Wat we hier hebben, zijn nog meer gai’shain voor Sevanna,’ merkte de ongelooflijk lange vrouw geamuseerd op. Haar gezicht vertoonde sterke trekken, die sommigen mooi zouden noemen, maar naast de andere Wijze met het arendsgezicht leek ze eerder zachtmoedig. ‘Sevanna is pas tevreden als de hele wereld gai’shain is gemaakt, Therava. Maar daar zou ik ook helemaal niets op tegen hebben,’ besloot ze met een lach.
De Wijze met de arendsogen lachte niet. Haar gezicht bleef steenhard, net als haar stem. ‘Sevanna heeft al te veel gai’shain, Someryn. Wij hebben te veel gai’shain. Ze houden ons op; we trekken bijna kruipend verder terwijl we verder moeten snellen.’ Haar stalen blik gleed langs de geknielde rij.
Faile kromp ineen toen de blik op haar viel en begroef haastig haar gezicht in de kom. Ze had Therava nooit eerder gezien, maar in haar blik herkende ze het soort vrouw dat Therava was. Iemand die elke uitdaging volkomen wilde neerslaan en reeds in een achteloze blik een uitdaging kon zien. Ontsnappen zou meer dan moeilijk worden als Therava persoonlijk belangstelling voor haar vertoonde. Niettemin hield ze de vrouw vanuit haar ooghoeken in de gaten. Het leek wel of ze naar een bandadder met in de zon glinsterende schubben keek die zich een voet van haar gezicht opgericht hield. Gedwee, dacht ze. Ik kniel hier gedwee neer en denk alleen aan het opdrinken van mijn thee. Je hoeft niet tweemaal naar me te kijken, koudbloedige heks. Ze hoopten dat de anderen ook zagen wat voor vrouw deze Aiel was.
Alliandre niet. Ze probeerde wankelend op haar gezwollen voeten overeind te komen, waarna ze met een van pijn vertrokken gezicht weer op haar knieën zakte. Toch bleef ze met rechte rug in de neerdwarrelende sneeuw zitten, het hoofd hoog, de donkere deken om haar heen alsof die een fijne zijden omslagdoek was over een prachtig gewaad. Haar blote benen en rondwaaiende haren bedierven het beeld enigszins, maar nog altijd leek ze een en al hoogmoed op een siertafel.
‘Ik ben Alliandre Maritha Kigarin, koningin van Geldan,’ verkondigde ze luid, zoals een koningin zich tot onbehouwen zwervers zou richten. ‘U doet er verstandig aan mij en mijn gezellinnen goed te behandelen en hen te straffen die ons zo wreed hebben behandeld. U kunt een grote losprijs voor ons verkrijgen, groter dan u zich kunt voorstellen, en vrijspraak voor uw misdaden. Mijn leenvorstin en ik eisen een passend onderkomen tot alles geregeld kan worden, en zo ook voor haar dienstmeid. De anderen mogen met minder toe, zolang hun maar geen kwaad wordt gedaan. Ik zal geen losprijs betalen als u de minste van de dienaren van mijn leenvorstin slecht behandelt.’
Faile had wel kunnen kreunen. Dacht die idiote vrouw nu echt dat deze mensen gewone bandieten waren?
‘Is dat waar, Galina? Is zij een koningin van de natlanders?’ Een derde vrouw was op een grote zwarte ruin geruisloos achter de gevangenen komen staan. Faile dacht dat ze een Aielse moest zijn, maar wist het niet zeker. Ze kon het moeilijk zeggen omdat ze op een paard zat, maar de vrouw leek minstens even lang als Faile, en afgezien van Aiel waren dat maar weinig vrouwen, zeker niet vrouwen met zulke groene ogen en zo’n zongebruind gezicht. Toch... Die brede donkere rok leek op het eerste oog Aiels, maar was gesplitst om te kunnen paardrijden, en leek evenals haar roomwitte hemd van zijde. Onder de zoom waren in de stijgbeugels rode laarzen zichtbaar. De brede, gevouwen doek die haar lange goudblonde haren bijeenhield, was van rode brokaatzijde, en daarbovenop droeg ze een duimdikke diadeem van goud en vuurdruppels. In tegenstelling tot het bewerkte goud en gesneden ivoor van de Wijzen droeg ze snoeren met grote parels en halskettingen met smaragden, saffieren en robijnen op zowat evenveel boezem als Someryn de wereld aanbood. De armbanden, die tot haar ellebogen reikten, verschilden op dezelfde wijze van de armbanden van de twee Wijzen. Aiel droegen geen ringen, maar aan haar vingers flonkerden edelstenen. Ze droeg geen donkere omslagdoek, maar een vuurrode mantel met gouden borduurwerk en een met wit bont afgezette zoom. Ze zat echter net zo onhandig als een Aiel in het zadel. ‘En de leenvorstin van een koningin?’ Ze verslikte zich bijna in die onbekende klanken. ‘Betekent dat dat de koningin haar gehoorzaamheid heeft gezworen? Een echt machtige vrouw dus. Geef antwoord, Galina!’
De in zijde geklede gai’shain dook in elkaar en schonk de vrouw op het paard een smekende glimlach. ‘Een echt machtige vrouw als een koningin haar trouw heeft gezworen, Sevanna,’ zei ze ijverig, ik heb nog nooit eerder van zoiets gehoord. Maar ik denk dat zij inderdaad koningin is. Ik heb Alliandre eenmaal eerder gezien, jaren geleden, en het meisje uit mijn herinnering kan heel goed deze vrouw zijn. Ze werd tot koningin van Geldan gekroond. Maar wat ze in Amadicia doet, weet ik niet. Zowel de Witmantels als Ailron zouden haar ogenblikkelijk oppakken als ze...’
‘Genoeg, Lina,’ zei Therava streng. De hand op Galina’s schouder verstrakte zichtbaar. ‘Je weet dat ik een hekel heb aan loos gebabbel.’
De gai’shain kromp ineen alsof ze geslagen werd en haar mond klapte dicht. Met een ingetogen glimlach keek ze op naar Therava, waarbij ze zelfs nog onderdaniger leek dan toen ze naar Sevanna had geglimlacht. Aan een van haar vingers flitste goud toen ze haar handen wrong. Vrees blonk in haar donkere ogen. Zij was zeker geen Aielse. Therava leek niet onder de indruk van het onderdanige gekronkel van Galina. Ze had slechts een hond iets bevolen en die had gehoorzaamd. Al haar aandacht ging uit naar Sevanna. Someryn nam de gai’shain van terzijde op. Haar lippen bewogen verachtelijk, waarna ze de omslagdoek over haar boezem trok en Sevanna aankeek. Aiel verrieden weinig met hun gezichtsuitdrukkingen, maar ze had een duidelijke hekel aan Sevanna, terwijl ze tegelijk ook heel behoedzaam bleef.
Over de rand van haar kom volgden Failes ogen de vrouw te paard. In zekere zin leek het of ze Logain zag of Mazrim Taim. Sevanna had eveneens met bloed en vuur haar naam hoog aan de hemel geschreven. Cairhien zou nog jaren nodig hebben om te herstellen wat zij had verwoest en de rimpelingen hadden zich verspreid over Andor, Tyr en nog verder. Perijn gaf de schuld aan een man die Couladin heette, maar Faile had genoeg van deze vrouw vernomen om te vermoeden dat zij de hand in dit alles had gehad. En er was niemand die bestreed dat de slachting bij Dumaisbron de schuld van Sevanna was geweest. Perijn was daar bijna omgekomen, en om die reden wilde ze persoonlijk met Sevanna afrekenen. Rolan mocht van haar zijn oren behouden als ze die rekening mocht vereffenen. De uitbundig uitgedoste vrouw liet haar rijdier langzaam langs de rij geknielde vrouwen stappen. Haar strenge groene ogen leken bijna even kil als die van Therava. Het geluid van de knisperende sneeuw onder de zwarte hoeven leek opeens heel luid. ‘Wie van jullie is de meid?’ Een vreemde vraag. Maighdin aarzelde met strak opeengeklemde kaken voor ze haar hand opstak. Sevanna knikte nadenkend. ‘En de... leenvorstin?’
Heel even overwoog Faile zich niet bekend te maken, maar Sevanna zou het toch te weten komen, goedschiks of kwaadschiks. Aarzelend stak ze haar hand op en huiverde, niet alleen van de kou. Therava keek met haar wrede ogen toe en lette goed op Sevanna en de drie gevangenen.
Waarom die arendsblikken niemand opvielen, begreep Faile niet, maar Sevanna leek er niets van te merken toen ze haar ruin keerde naar de anderen in de rij. ‘Op die voeten kunnen ze niet lopen,’ zei ze even later, ik zie niet in waarom ze niet met de kinderen kunnen meerijden. Heel ze, Galina.’