Выбрать главу

Met opgeheven hoofd en rechte rug verliet Nynaeve de kamer met alle waardigheid die ze nog kon opbrengen. In de gang greep ze de deur en knalde hem zo hard dicht als ze maar kon. De overal weerkaatsende knal was heel bevredigend. Als iemand klaagde, kon ze altijd zeggen dat de deur uit haar handen was geglipt. Ze draaide zich om en veegde tevreden haar handen af. En schrok op toen ze zag wie haar in de gang opwachtte. Op het eerste gezicht leek Alivia, in eenvoudige blauwe kleding die ze van een lid van de Kinne had gekregen, een gewone vrouw. Ze was wat langer dan Nynaeve, met fijne rimpeltjes in haar ooghoeken en witte strepen in haar goudgele haar. Maar haar blauwe ogen keken zeer intens, als haviksogen die op een prooi zijn gericht. ‘Vrouw Corlie heeft me gestuurd om u te zeggen dat ze u graag aan het avondmaal wil zien,’ zei de blauwogige havik met een trage Seanchaanse tongval. ‘Vrouw Karistovan, vrouw Arman en vrouw Juarde zullen er ook zijn.’

‘Wat doe je hier alleen?’ wilde Nynaeve weten. Ze wenste dat ze meer als de andere zusters kon zijn, die zonder nadenken de kracht van andere geleidsters kenden, maar dat was ook iets dat ze nooit had kunnen leren. Misschien konden sommige Verzakers Alivia overtroeven, maar beslist niemand anders. En ze was een Seanchaanse. Nynaeve had er hier in de gang graag iemand bij gehad. Het had Lan mogen zijn, maar ze had hem bevolen om weg te blijven van haar lessen met het Zeevolk. Ze wist niet zeker of hij haar verhaal had geloofd over hoe ze gisteren op de trap was uitgegleden. ‘Je mag nergens zonder geleide naar toe.’ Alivia haalde een schouder op. Een paar dagen geleden was ze nog een zielig hoopje mens geweest bij wie Talaan vergeleken een toonbeeld van durf was. Maar ze kroop nu niet meer weg, voor niemand meer. ‘Er was niemand vrij, dus ik glipte uit mezelf weg. Bovendien, als je me altijd laat bewaken, zul je me nooit durven vertrouwen en kan ik nooit sul’dam doden.’ Omdat het er zo achteloos uit kwam, klonk het des te killer. ‘Je zou wat van mij kunnen leren. Die Asha’man zeggen dat ze wapens zijn, en ze zijn niet slecht, dat weet ik. Maar ik ben beter.’

‘Misschien is dat zo,’ zei Nynaeve scherp terwijl ze haar stola verschoof. ‘En misschien weten we meer dan je denkt.’ Ze zou deze vrouw graag enkele wevingen tonen die ze van Moghedien had geleerd. Met inbegrip van een paar waarover ze het allemaal eens waren dat die te gemeen waren om iemand aan te doen. Behalve... Ze was er redelijk zeker van dat de ander haar ondanks al haar verzet gemakkelijk kon overweldigen. Het was niet gemakkelijk om niet met haar voeten te schuifelen bij die doordringende blik. ‘Tot, en als, we anders besluiten, wil ik je alleen met twee of drie Kinsvrouwen zien, als je weet wat goed voor je is.’

‘Wat je zegt,’ zei Alivia onverstoorbaar. ‘Welke boodschap kan ik terugbrengen naar vrouw Corlie?’

‘Zeg vrouw Corlie dat ik haar vriendelijke uitnodiging moet afslaan. En onthou wat ik je gezegd heb!’

‘Ik zal het haar zeggen,’ zei de Seanchaanse langzaam, en negeerde de terechtwijzing. ‘Maar ik denk niet dat het zomaar een uitnodiging was. Een uur na het eerste duister, zei ze. Misschien kun je eraan denken.’ Met een vluchtige, betekenisvolle glimlach liep ze ongehaast weg.

Nynaeve staarde nijdig de verdwijnende rug na, maar niet vanwege het nalaten van een kniks. Nou ja, dat niet alleen. Jammer dat ze minstens voor de Aes Sedai niet wat van haar beklagenswaardige houding had bewaard. Nynaeve keek even naar de deur waarachter de Atha’an Miere zich bevond en overwoog om Alivia te volgen om er zeker van te zijn dat ze deed wat haar gezegd was. In plaats daarvan ging ze de andere kant op. Ze haastte zich niet. Het zou niet erg leuk zijn als het Zeevolk naar buiten kwam en bedacht dat ze aan het afluisteren was, maar ze haastte zich beslist niet. Ze wilde alleen maar stevig doorstappen. Dat was alles.

De vrouwen van het Zeevolk waren niet echt degenen in het paleis die ze wilde vermijden. Geen gewone uitnodiging, hè? Sumeko Karistovan, Chilares Arman en Famelle Juarde waren met Reanne Corlie lid van het Naaikransje in Ebo Dar geweest. De maaltijd was slechts een voorwendsel. Ze wilden met haar over de windvindsters praten. Meer in het bijzonder over het verband tussen de Aes Sedai en de ‘wilders’ van het Zeevolk. Ze wilden haar niet echt de les lezen over hoe ze de waardigheid van de Witte Toren behoorde te bewaren. Zover waren ze nog niet gegaan, maar ze schenen er wel steeds dichterbij te komen. De hele maaltijd zou een en al puntige vragen opleveren en nog puntiger opmerkingen. Maar geen enkele opdracht om ermee op te houden. Ze betwijfelde of ze dat zouden doen zonder dat er een rechtstreeks bevel werd gegeven. En ze waren heel goed in staat om haar op te zoeken als ze niet kwam. Hun zeggen dat ze wat meer pit moesten tonen, was een verschrikkelijke fout gebleken. Gelukkig was zij niet de enige die het zich moest laten welgevallen. Elayne was erin geslaagd het ergste uit de weg te gaan. O, wat had ze graag dat hele stel in Novicewit of de kleren van een Aanvaarde gezien. Wat zou ze graag van de Atha’an Miere af willen zijn!

‘Nynaeve!’ klonk het vreemd gedempt achter haar, in de tongval van het Zeevolk. ‘Nynaeve!’

Nynaeve dwong haar hand om haar vlecht met rust te laten en draaide zich vliegensvlug om, klaar voor een uitbrander. Ze was nu geen lerares meer, ze waren niet op een schip en ze konden haar toch wel met rust laten, vervloekt nog aan toe!

Talaan kwam met haar blote voeten op de rode tegels al glijdend vlak voor haar tot stilstand. De jonge vrouw hijgde en keek om zich heen alsof ze bang was dat iemand achter haar aankwam. Elke keer wanneer er een dienaar verscheen, kromp ze ineen en ze haalde pas weer adem als ze zag dat het slechts een dienaar was. ‘Kan ik naar de Witte Toren?’ vroeg ze ademloos, terwijl ze zich in de handen wrong en van de ene voet op de andere hupte. ‘Ik zal nooit gekozen worden. Ze noemen het een offer om de zee voor altijd te verlaten, maar ik droom ervan Novice te worden. Ik zal mijn moeder ontzettend missen, maar... alstublieft. U moet me meenemen naar de Toren. Dat moet!’

Nynaeve knipperde met haar ogen bij die woordenstroom. Veel vrouwen droomden ervan Aes Sedai te worden, maar ze had nog nooit iemand gehoord die zei dat ze Novice wilde worden. Bovendien... het Zeevolk weigerde Aes Sedai mee te nemen op een schip waarvan de windvindster kon geleiden. Maar om te voorkomen dat de Witte Toren de zaak dieper onderzocht, werd er van tijd tot tijd een leerling gekozen om naar de Witte Toren te gaan. Egwene zei dat er maar drie zusters van het Zeevolk waren en die drie waren heel zwak in de Ene Kracht. Drieduizend jaar had deze regeling volstaan om de Toren ervan te overtuigen dat het vermogen onder de vrouwen van de Atha’an Miere zeldzaam en onderontwikkeld was, en niet de moeite van een onderzoek waard. Talaan had gelijk; iemand die zo sterk was als zij zou nimmer toestemming krijgen om naar de Toren te gaan. Sterker nog, het vormde een deel van de overeenkomst dat de Zeevolkzusters hun Aes Sedai-schap mochten opgeven om terug te keren naar de schepen. De Zaal van de Toren zou daar nog wel flink over gaan brullen!

‘De oefeningen zijn erg hard, Talaan,’ zei ze vriendelijk, ‘en je moet minstens vijftien zijn. Bovendien...’ Er was nog iets dat de jonge vrouw haar gezegd had dat haar ineens trof. ‘Je zult je moeder missen?’ vroeg ze ongelovig. Ze gaf er niet om hoe het klonk, ik ben negentien!’ zei Talaan verontwaardigd. Kijkend naar dat jongensachtige gezicht en haar figuur wist Nynaeve niet of ze dat geloven moest. ‘En natuurlijk zal ik mijn moeder missen. Zie ik er zo onnatuurlijk uit? O, ik zie het al. Onder elkaar zijn we heel aanhankelijk hoor, maar in het openbaar moet ze alles vermijden waaruit voorkeur blijkt. Dat is een ernstige misdaad bij ons. Het zou moeder haar rang kunnen kosten en we zouden béiden ondersteboven aan de ra worden opgehesen om gegeseld te worden.’