Выбрать главу

‘Ik denk dat het een geweldig idee is,’ zei ze. Dat was niet helemaal een leugen. Het was geweldig, vergeleken bij haar andere keuzes. ‘Maar ik zie niet in waarom ik hier als een werkmeid op jouw oproep ga wachten, ik doe het, maar we gaan allemaal samen.’ Ze had gelijk. De mannen vonden het niks.

12

Een lelie in de winter

Een tweede dienaar viel al buigend bijna op zijn neus en Elayne schreed zuchtend verder door de gang van het paleis. Tenminste, dat probeerde ze, als erfdochter van Andor, kalm en statig. Eigenlijk wilde ze zo hard mogelijk rennen, hoewel haar donkerblauwe rok haar waarschijnlijk wel zou laten struikelen. Ze kon bijna voelen hoe zijn uitpuilende ogen haar en haar gezellinnen volgden. Niet meer dan een kleine ergernis, die zou overgaan; een zandkorrel in haar muiltje. Die vervloekte Rhand, die altijd denkt dat hij het het beste weet, voor iedereen, is als jeuk op mijn rug! dacht ze. Als hij meende ditmaal aan haar te kunnen ontsnappen...! ‘Onthoud goed,’ zei ze streng. ‘Hij krijgt niets te horen over verspieders of dolkwortel of wat daarmee te maken heeft!’ Het allerlaatste waar ze behoefte aan had, was een beslissing om haar te ‘redden’. Mannen deden aan dat soort onzin; Nynaeve noemde het ‘denken met hun borsthaar’. Licht, hij zou heel goed kunnen overwegen de Aiel en de Saldeanen weer binnen te halen! In het paleis zelf! Het was bitter om toe te geven, maar als hij dat wilde, kon ze hem niet tegenhouden. Ja, ze kon openlijk oorlog voeren, maar ook dan zou ze het niet redden.

‘Ik ga hem niets zeggen dat hij niet hoeft te weten,’ zei Min. Ze keek fronsend naar een magere dienares met wijd open ogen, wier kniks haar met gespreide benen op de vloer deed belanden. Elayne keek schuins naar Min en dacht aan de tijd dat ze zelf een broek droeg. Ze bedacht of ze dat niet nog eens zou doen. Je kon er beslist vrijer in rondlopen dan in een rok. Maar niet met laarzen met hakken, bedacht ze. Daardoor was Min bijna even lang als Aviendha, maar zelfs Birgitte zwikte op zulke laarzen. Mins strakke broek en haar jasje dat maar net tot de heupen reikte, zagen er beslist gewaagd uit. ‘Je gaat tegen hem liegen?’ Aviendha’s toon droop van achterdocht. Zelfs uit de manier waarop ze haar donkere omslagdoek verschoof, bleek haar afkeuring, en ze gluurde boos langs Elayne naar Min. ‘Natuurlijk niet,’ zei Min scherp, en keek even boos terug. ‘Behalve als het nodig is.’ Aviendha grinnikte even, schrok ervan en trok toen een strak gezicht.

Wat moest ze met hen aan? Ze móésten elkaar aardig vinden. Dat móést gewoon. Maar de twee vrouwen hadden elkaar na hun eerste ontmoeting aangekeken als een stel vreemde katten in een kleine kamer. Zeker, ze hadden overal mee ingestemd, maar dat was gewoon omdat niemand een andere keus had. Ze hadden alledrie de man weer onder handbereik, maar Elayne hoopte dat dat stel niet nog eens aan elkaar wilde tonen hoe handig ze met het mes waren. Achteloos spelend, zonder iets wat op dreiging wees, maar ook heel openlijk. Niettemin was Aviendha behoorlijk onder de indruk gekomen van de vele messen die Min bij zich droeg.

Een slungelige jonge dienaar die een blad met hoge glaskappen voor de staande lampen droeg, boog toen ze voorbijliep. Helaas keek hij haar zo aandachtig aan dat hij het blad met glaskappen vergat. Het splinteren van brekend glas op de vloer was in de hele gang te horen.

Elayne zuchtte opnieuw. Ze hoopte dat iedereen snel aan de nieuwe omstandigheden zou wennen. Uiteraard was zijzelf niet degene die zoveel aandacht trok, en ook Aviendha en zelfs Min waren niet de reden van de opschudding. Nee, door Caseille en Deni vlak achter hen puilden de ogen uit en struikelden dienaren. Ze had nu acht lijfwachten, en deze twee stonden toen ze wakker werd op wacht bij de deur.

Een deel van al die verbazing werd niet alleen veroorzaakt doordat Elayne twee gardisten op sleeptouw had, maar vooral door het feit dat ze vrouwen waren. Dat was niemand gewend, ook niet na Rhand en zijn Speervrouwen. Maar Birgitte had gezegd dat ze de lijfwachten ceremonieel zou aankleden en dat had ze gedaan. Zodra ze de vorige avond Elaynes kamers verlaten had, moest ze iedere naaister en kleedster in het paleis aan het werk hebben gezet. De twee lijfwachten droegen nu elk een felrode hoed met een lange witte pluim plat op de brede rand, en over de borst een brede rode sjerp die met sneeuwwit kant was afgezet en waarop witte leeuwen naar boven klommen. Hun karmozijnen jassen met witte kraag waren van zijde en de stijl was iets aangepast. Ze hingen bijna tot op de knieën. Daaronder droegen ze scharlaken broeken met een witte bies. De mouwen en de hals liepen uit in uitbundig kantwerk en hun zwarte laarzen leken wel spiegels, zo glanzend waren ze gepoetst. Ze zagen er heel fraai uit en zelfs de zo kalme Deni stapte ietwat hanig rond. Elayne vermoedde dat ze nog trotser zouden zijn als de zwaardriemen en scheden met goudwerk gereed waren, en de gelakte helmen en borstkurassen. Birgitte wilde borstkurassen voor vrouwen en Elayne vermoedde dat de ogen van de wapenmeester zeker hadden uitgepuild.

Op dit moment was Birgitte druk bezig om vrouwen te ondervragen om er twintig voor de lijfwacht te kiezen. Elayne kon voelen dat ze niet lichamelijk maar geestelijk bezig was. En dat kon alleen maar betekenen dat ze bezig was haar lijfwacht samen te stellen, tenzij ze aan het lezen was of Steen speelde. Ze nam buiten haar plichten zelden tijd voor zichzelf. Elayne hoopte dat ze het bij die twintig zou houden. Ze hoopte ook dat Birgitte het zo druk had dat ze het niet zou merken wanneer zij de binding zou versluieren, tot het te laat was. Het was gek dat ze zo vaak had zitten piekeren hoe ze Birgitte kon buitensluiten, terwijl de oplossing een eenvoudig antwoord van Vandene op Elaynes vraag was geweest. Het had haar er ietwat berouwvol aan herinnerd hoe veel minder ze eigenlijk wist dan een volleerde zuster, vooral van zaken die de andere zusters als vanzelfsprekend aanvaardden. Kennelijk wist iedere zuster met een zwaardhand dat je de binding kon versluieren, zelfs ongebondenen. Het was vreemd hoe de dingen soms liepen. Als ze geen lijfwacht had genomen en zich daardoor was gaan afvragen hoe ze hen én Birgitte kon ontlopen, zou ze nooit de binding hebben leren versluieren.

Niet dat ze al snel van plan was om aan haar lijfwacht te ontkomen, maar je kon maar beter voorbereid zijn voor het geval het nodig zou zijn. Birgitte zou beslist niet meer toestaan dat zij en Aviendha alleen in de stad rondliepen, overdag of ’s nachts. Toen ze bij de deur van Nynaeves kamer aankwamen, zette ze elke gedachte aan Birgitte opzij. Ze bedacht alleen nog dat ze de binding pas op het allerlaatst moest versluieren. Rhand was aan de andere kant van die deur. Rhand, die zo vaak in haar gedachten was dat ze zich afvroeg of ze niet leek op zo’n dwaze vrouw uit een verhaal die zich vanwege een man van een muur wierp. Ze had altijd gevonden dat die verhalen door een man moesten zijn geschreven. Maar Rhand maakte soms werkelijk dat ze zich een onnozel wicht voelde. Het Licht zij dank merkte hij er gelukkig niets van. ‘Wacht hier en laat niemand binnen,’ beval ze de gardisten. Een onderbreking kon ze nu niet gebruiken, laat staan iemand die dingen zag die hem niet aangingen. Als ze geluk had, zou niemand die fraaie uniformen herkennen en weten wat ze betekenden, omdat de lijfwacht iets nieuws was. ‘Ik ben maar even binnen.’

De gardisten groetten kwiek met een vuist op de borst en gingen aan beide zijden van de deur staan. Caseille hield onbewogen haar hand op het gevest van haar zwaard en Deni nam de lange knuppel in beide handen en glimlachte vaag. Elayne was er zeker van dat de vrouw-dacht dat ze hier was om een geheime minnaar te bezoeken. Ze vermoedde dat Caseille hetzelfde dacht. Hoewel niemand onderweg Rhands naam genoemd had, was er vaak genoeg ‘hij dit’ of ‘hij dat’ gevallen. Geen van beiden was er echter met een excuus vandoor gegaan om Birgitte op de hoogte te stellen. Als de twee haar lijfwacht waren, dan waren ze de hare en niet die van Birgitte. Maar ze zou Birgitte er niet buiten kunnen houden als ze nu niet snel de binding versluierde.