Выбрать главу

Ze besefte dat ze stond te treuzelen. De man van wie ze elke nacht droomde, was aan de andere kant van die deur, en ze stond hier als een onnozel wicht. Ze had zo lang gewacht en zo veel gewild, en nu was ze bijna bang. Ze wilde dit niet uit de hand laten lopen. Met enige moeite sterkte ze zich.

‘Zijn jullie klaar?’ Haar stem klonk niet zo flink als ze had gehoopt, maar hij trilde tenminste niet. Vlinders ter grootte van vossen fladderden in haar maag. Dat was al lang niet meer gebeurd. ‘Natuurlijk,’ zei Aviendha, maar ze moest eerst slikken. ‘Ik ben klaar,’ zei Min vaagjes.

Ze gingen naar binnen zonder te kloppen en deden de deur haastig weer dicht.

Voor ze goed en wel in de zitkamer waren, sprong Nynaeve met grote ogen overeind, maar Elayne merkte haar of Lan nauwelijks op, hoewel de zoete rook van Lans pijp de kamer vulde. Rhand was er echt; het was zo moeilijk om te geloven dat hij er echt zou zijn. Die verschrikkelijke vermomming die Min beschreven had, was weg, op de sjofele kleren en grove handschoenen na, en hij was... zo mooi en knap.

Ook Rhand sprong overeind toen hij haar zag, maar voor hij helemaal rechtop stond, wankelde hij, greep de tafel met beide handen vast en kokhalsde heftig. Elayne omhelsde de Bron en deed een stap naar hem toe, maar stond toen stil en liet de Kracht wegvloeien. Haar vermogen in Heling was heel klein, en Nynaeve was trouwens even snel als zij. De gloed van saidar omgaf haar plotseling en ze hief haar handen naar Rhand op.

Hij deinsde terug en wuifde haar weg. ‘Het is niet iets wat jij kunt helen, Nynaeve,’ zei hij wild. ‘Hoe dan ook, je schijnt het pleit beslecht te hebben.’ Zijn gezicht was een strak masker van verborgen gevoelens, maar Elayne had de indruk dat zijn ogen haar verslonden. En Aviendha. Ze merkte verrast dat ze daar blij om was. Ze had gehoopt dat het zo zou zijn, dat zij dat kon opbrengen terwille van haar eerstezuster, en nu bleek dat haar geen enkele moeite te kosten. Het kostte hem zichtbaar moeite om rechtop te staan en zijn ogen van haar en Aviendha los te rukken, hoewel hij het probeerde te verbergen. ‘We hadden al weg moeten zijn, Min,’ zei hij. Elaynes onderkaak zakte. ‘Je wilde zomaar weggaan, zonder maar even met ons te praten?’ wist ze uit te brengen. ‘Mannen!’ zeiden Min en Aviendha bijna tegelijk binnensmonds en keken elkaar toen verbaasd aan. Haastig lieten ze hun over elkaar geslagen armen vallen. Even waren ze, ondanks hun grote onderlinge verschillen, bijna een spiegelbeeld geweest van vrouwelijke afkeer. ‘De mannen die mij in Cairhien hebben geprobeerd te doden, zouden dit paleis in een rokende puinhoop veranderen als ze wisten dat ik hier was,’ zei Rhand rustig. ‘Misschien al op grond van een vermoeden. Ik neem aan dat Min je verteld heeft dat het Asha’man waren. Je kunt ze niet vertrouwen, op drie na misschien. Damer Flin, Jahar Narishma en Eben Hopwil. Die zou je kunnen vertrouwen. Wat de rest betreft...’ Hij plantte de gehandschoende vuisten in zijn zij zonder dat hij het kennelijk in de gaten had. ‘Soms keert een zwaard zich in je hand, maar ik heb nog steeds een zwaard nodig. Blijf gewoon weg van iedere man in het zwart. Luister, er is geen tijd om te praten. Het is het beste als ik snel vertrek.’ Ze had het bij het verkeerde eind gehad. Hij was niet helemaal zoals ze over hem gedroomd had. In haar droom had hij soms iets jongensachtigs gehad, maar dat was verdwenen alsof het weggebrand was. Daarover treurde ze, voor hem. Ze dacht niet dat hij het zelf betreurde, in één ding heeft hij gelijk,’ zei Lan net zo rustig als Rhand, de pijp nog in zijn mond. Hier stond nog een man die nooit een jongen leek te zijn geweest. Onder de gevlochten leren band om zijn hoofd waren zijn ogen ijsblauw. iedereen in zijn buurt is in groot gevaar. Iedereen.’ Om de een of andere reden snoof Nynaeve. En legde toen haar hand op de leren tas met harde bulten op de tafel en glimlachte. Maar na een moment vervaagde haar glimlach, ‘Zijn mijn eerstezuster en ik in gevaar?’ vroeg Aviendha terwijl ze haar vuisten in haar zij zette. Haar omslagdoek viel op de vloer, maar ze was zo gespannen dat ze dat niet scheen te merken. ‘Deze man heeft toh aan ons, Aan’allein, en wij aan hem. Er moet een oplossing komen.’

Min spreidde haar handen, ik weer niet wat iemands toh of lurven of hachje ermee te maken heeft, maar ik ga nergens heen voor je met hen gepraat hebt, Rhand!’ Ze deed alsof ze Aviendha’s woeste blik niet zag.

Rhand zuchtte, leunde tegen de tafel en streek met zijn vingers door zijn donkere rossige krullen die tot in zijn nek vielen. Hij leek te twijfelen over iets.

‘Het spijt me dat jullie uiteindelijk de sul’dam en damane hier moesten ontvangen,’ zei hij ten slotte. Hij klonk alsof hij spijt had, maar niet zoveel; hij had het net zo goed over het koude weer kunnen hebben. ‘Taim werd geacht om ze af te leveren bij de zusters die volgens mij bij jullie waren. Maar ik neem aan dat iedereen zo’n vergissing kan begaan. Misschien dacht hij dat al die Wijsheden en Wijzen van Nynaeve Aes Sedai waren.’ Zijn glimlach was stil, maar bereikte zijn ogen niet.

‘Rhand,’ zei Min, zacht waarschuwend.

Hij had de schaamteloosheid om haar vragend aan te kijken, alsof hij haar niet begreep. En hij praatte gewoon door. ‘Hoe dan ook, jullie schijnen hier genoeg Aes Sedai te hebben om die handvol vrouwen te kunnen controleren tot je ze kunt overdragen aan de... de andere zusters rond Egwene. De zaken lopen nooit zoals je verwacht, hè? Wie zou hebben gedacht dat een paar zusters die op de loop zijn voor Elaida in opstand zouden komen tegen de Witte Toren? Met Egwene als Amyrlin! En de Bond van de Rode Hand als haar leger. Ik neem aan dat Mart daar een poos kan blijven.’ Hij knipperde met de ogen, raakte even zijn voorhoofd aan en ging toen door op die ergerlijk achteloze toon: ‘Nou ja, een vreemde wending van gebeurtenissen kun je altijd verwachten. Als het zo doorgaat, zal ik verbaasd staan als mijn vriendinnen in de Toren genoeg moed bijeenschrapen om openlijk naar buiten te treden.’ Elayne trok een wenkbrauw op en keek naar Nynaeve. Wijsheden en Wijzen? Was de Bond Egwenes leger? Was Mart erbij? Nynaeves grote onschuldige ogen hadden haar schuld niet duidelijker kunnen maken dan een heraut onder het venster. Elayne nam aan dat het niets uitmaakte. Hij zou de waarheid snel genoeg horen, als hij omgepraat kon worden om naar Egwene te gaan. Hoe dan ook, ze had belangrijker zaken voor hem. De man kletste maar wat en gooide er van alles uit waarvan hij hoopte dat ze erop zouden antwoorden of erdoor zouden worden afgeleid.

‘Het werkt niet, Rhand.’ Elayne kneep met haar handen in haar rok om zich ervan te weerhouden een vermanende vinger op te steken. Of een vuist te schudden. Ze wist niet zeker wat het moest worden. De andere zusters. De échte Aes Sedai, had hij willen zeggen. Hoe durfde hij. En zijn vriendinnen in de Toren! Geloofde hij nog steeds Alviarins vreemde brief? Haar stem klonk koel, streng en rustig, en duldde geen onzin. ‘Dit alles doet er in het geheel niet toe, niet nu. We moeten praten over jou, Aviendha, Min en mij. En dat doen we ook. Allemaal, Rhand Altor, en je verlaat het paleis pas als we dat hebben gedaan!’

Een heel lange tijd keek hij haar gewoon aan, met een onbewogen gezicht. Toen haalde hij hoorbaar adem en zijn gezicht leek graniet.

‘Ik hou van je, Elayne.’ Zonder te wachten ging hij door, en de woorden stroomden als water door een gesprongen dam. Zijn gezicht hleef een stenen muur. ik hou van je, Aviendha. Ik hou van je, Min. Ik hou van jullie allemaal evenveel. Ik wil er niet één. Ik wil jullie alledrie. Zo, dat is gezegd. Ik ben weerzinwekkend. Nu kunnen jullie weggaan zonder om te kijken. Het is trouwens waanzin. Ik kan het me niet veroorloven om iemand lief te hebben.’