‘En dat heb je geheim gehouden, wolkoppige schaapherder?’ zei Min. ‘Als ik dat geweten had...!’ Ze toverde een mes uit haar mouw, keek er nijdig naar en stopte het knorrig weer weg. Die oplossing zou zowel voor Rhand als voor Alanna even pijnlijk zijn geweest. ‘Dus dat was tegen het gebruik,’ zei Aviendha, half vragend. Ze verschoof op het tapijt en voelde aan haar mes.
‘Zeer zeker,’ zei Elayne. Dat een zuster een man, welke man dan ook, zoiets kon aandoen, was walgelijk. Dat Alanna het Rhand had aangedaan...! Ze herinnerde zich de donkere, onstuimige Groene zuster met haar kwikzilveren grapjes en haar kwikzilveren karakter. ‘Alanna heeft meer toh aan hem dan ze in een heel léven kan goedmaken! En aan ons. Ze zou wensen dat ik haar alleen maar had gedóód nadat ze in mijn handen valt!’
‘Nadat wij haar in handen gekregen hebben,’ zei Aviendha, die knikte om haar woorden te benadrukken.
‘Dus...’ Rhand tuurde in zijn wijn. ‘Je ziet dat het geen zin heeft. Ik... ik geloof dat ik nu beter terug kan gaan naar Nynaeve. Kom je mee, Min?’ Ondanks alles wat ze hem hadden gezegd, leek hij niet te geloven dat Min nog met hem mee zou komen. Het klonk niet alsof hij er bang voor was, het klonk slechts berustend. ‘Er is iets,’ hield Elayne vol. Ze boog zich iets voorover en probeerde hem zuiver door wilskracht haar woorden te laten aanvaarden. ‘Een binding schermt je niet af tegen een ander. Zusters binden zich niet aan dezelfde man vanwege een gewoonte, Rhand, maar omdat ze hem niet willen delen. Niet omdat het niet kan. En het druist ook niet in tegen de wet van de Toren.’ In de ogen van de zusters hadden sommige gewoonten de kracht van wet. Nynaeve leek elke dag meer gebruiken en waardigheden te willen ophouden. Als ze dit te weten kwam, zou ze waarschijnlijk recht door het dak schieten. ‘Nou, wij willen je delen. We zullen je delen, als je ermee instemt.’ Wat kwamen die woorden gemakkelijk! Een tijd geleden had ze dit niet gekund. Tot ze besefte dat ze evenveel van Aviendha hield als van hem, alleen op een andere manier. En van Min, ook een zuster, al hadden Aviendha en Min elkaar nog niet als zodanig aanvaard. Als ze de kans kreeg, sneed ze Alanna van top tot teen open, omdat ze hem had aangeraakt, maar Aviendha en Min waren anders. Ze vormden een deel van haar. Op een bepaalde manier waren zij haar, en was zij hen. Haar stem werd zachter, ik vraag het je, Rhand. Wij vragen het. Laat ons alsjeblieft een binding maken.’
‘Min?’ mompelde hij, bijna beschuldigend. Zijn ogen waren vol wanhoop. ‘Je wist het, hè? Je wist dat als ik hen zag...’ Hij schudde zijn hoofd, niet in staat om verder te gaan.
‘Ik wist het niet, van die binding. Ze hebben het mij zojuist verteld,’ zei ze terwijl ze hem zachtmoedig aankeek. Het was de zachtaardigste blik die Elayne ooit van Min had gezien. ‘Maar ik wist, hoopte ik, wat er zou gebeuren als je Elayne en Aviendha zou weerzien. Sommige dingen moeten gewoon gebeuren, Rhand. Dat moet gewoon.’
Rhand staarde in de wijnbeker en de tijd leek zich uit te rekken tot uren. Ten slotte zette hij de beker op het blad. ‘Goed dan,’ zei hij rustig, ik kan niet zeggen dat ik dit niet wil, want ik wil het. Het Licht moge me ervoor verteren! Maar denk aan de prijs die jullie daarvoor moeten betalen.’
Elayne hoefde niet aan de prijs te denken. Ze had het vanaf het begin geweten, had het besproken met Aviendha om er zeker van te zijn dat zij het ook zou begrijpen. Ze had het Min uitgelegd. ‘Neem wat je wilt en betaal de prijs ervoor’, was her oude gezegde. Geen van hen had over de prijs hoeven nadenken; ze wisten het en waren bereid die te betalen. Maar er was geen tijd te verliezen. Zelfs nu nog zag ze hem er best voor aan te besluiten dat de prijs te hoog was. Alsof hij dat besluiten kon!
Ze opende zich voor saidar, verbond zich met Aviendha en schonk haar een glimlach. Het was altijd een genoegen om met haar eerstezuster op een diepere manier gevoelens van geest en lichaam te delen. Het leek veel op wat ze spoedig met Rhand zouden delen. Ze had dit zorgvuldig uitgewerkt en vanuit elk gezichtspunt onderzocht. Het inzicht dat ze had verkregen door de wevingen van de Wijzen tijdens Aielbindingen te bestuderen, was een grote hulp geweest. Door die plechtigheid was ze op de gedachte gekomen. Zorgvuldig weefde ze Geest, een stroom van ruim honderd draden, elke draad precies op zijn plaats, waarna ze de weving rond Aviendha plaatste. Daarna deed ze hetzelfde met Min. Op een bepaalde manier waren het helemaal geen losse wevingen. Ze gloeiden beiden volkomen gelijk en als ze naar de ene keek, leek ze ook de ander te zien. Dit waren niet de wevingen van de Aielbinding, maar ze hadden dezelfde basis. Ze omvatten; wat er gebeurde met iemand die door de weving omvat was, gebeurde met iedereen die door diezelfde weving was gebonden. Zodra de wevingen op hun plaats zaten, gaf ze de hoofddraad van de cirkel van twee over aan Aviendha. De reeds gemaakte wevingen bleven bestaan en Aviendha plaatste soortgelijke wevingen rond Elayne en Min, waarna ze ze in elkaar liet opgaan tot haar weving niet meer te onderscheiden was van die van Elayne. Vervolgens overhandigde ze de leiding weer aan Elayne. Het ging hun nu heel gemakkelijk af, na zeer veel oefening. Vier wevingen, of eigenlijk drie, maar het scheen een en dezelfde weving. Alles was gereed. Aviendha was een rots van vertrouwen en voelde even sterk als alles wat Elayne ooit van Birgitte gevoeld had. Min had de rand van de tafel vast en haar onderbenen gekruist. Ze kon de stromen niet zien, maar ze toonde een zelfverzekerde grijns, die enigszins werd bedorven doordat ze haar lippen natmaakte. Elayne haalde diep adem. In haar ogen waren de drie omgeven en verbonden door een maaswerk van Geest waarbij het fijnste kantwerk grof zou lijken. Als het nu maar ging zoals ze geloofde dat het zou gaan. Uit elk van hen liet ze de weving in smalle lijnen naar Rhand toestromen, waarbij ze drie stromen in elkaar draaide en veranderde in de zwaardhandbinding. Die binding legde ze Rhand op, zo zacht als een dekentje op een klein kind. Het spinnenweb van Geest vouwde zich om hem heen, zette zich in hem vast. Hij knipperde niet eens met zijn ogen, maar het was gebeurd. Ze liet saidar los. Gebeurd. Hij staarde hen onbewogen aan en legde langzaam zijn vingers tegen zijn slapen.
‘Licht, Rhand, wat een pijn,’ mompelde Min met gewonde stem. ‘Ik heb het nooit geweten; ik heb het me nooit kunnen voorstellen. Hoe kun je dat verdragen? Sommige pijnen schijn je niet eens meer te kennen! Heb je er zo lang mee geleefd dat ze een deel van je zijn geworden? Die reigers op je handpalmen; je kunt het branden nog steeds voelen. Die dingen op je arm doen pijn! En je zij. O Licht, je zij. Waarom huil je niet, Rhand? Waarom huil je niet?’
‘Hij is de car’a’carn,’ zei Aviendha lachend. ‘Sterk als het Drievoudige Land zelf!’ Haar gezicht stond trots, zo trots, maar zelfs toen ze lachte, stroomden de tranen over haar wangen. ‘De aderen van goud. O, aderen van goud. Je houdt echt van me, Rhand.’ Elayne staarde hem slechts aan, voelde hem in haar hoofd. De pijn van wonden die hij werkelijk vergeten had. De spanning en het ongeloof; de verbazing. Maar zijn gevoelens waren onbuigzaam, als aderen van gestolde dennenhars, bijna steen. Er klopte en gloeide echter goud doorheen. Telkens als hij naar Min of naar Aviendha keek. Of naar haar. Hij hield écht van haar. Hij hield van alledrie. Ze wilde lachen van vreugde. Andere vrouwen kenden wellicht twijfel, maar zij zou altijd de echtheid van zijn liefde weten, in de naam van het Licht, ik hoop dat je beseft wat je gedaan hebt,’ zei hij zachtjes, in de naam van het Licht, ik hoop dat je niet beseft...’ De hars verhardde iets. Hij was er zeker van dat ze pijn leden en wapende zich er al tegen. ik... ik moet gaan. Ik weet nu tenminste dat het jullie goed gaat; daar hoef ik me geen zorgen meer over te maken.’ Plotseling grinnikte hij. Als die lach ook zijn ogen had bereikt, zou hij er bijna jongensachtig hebben uitgezien. ‘Nynaeve zal buiten zichzelf zijn als ze denkt dat ik ben weggeglipt zonder haar te zien. Niet dat ze het niet verdient om een beetje overstuur te raken.’