‘Er is nog iets, Rhand,’ zei Elayne, en stopte even omdat ze moest slikken. Licht, ze had gedacht dat dit het gemakkelijkste zou zijn. ik neem aan dat Aviendha en ik met elkaar moeten praten zolang het nog kan,’ zei Min haastig en sprong van de tafel af. ‘Ergens waar we alleen kunnen zijn. Willen jullie ons verontschuldigen?’ Aviendha rees sierlijk van het tapijt omhoog en streek haar rok glad. ‘Ja. Min Farsen en ik moeten elkaar leren kennen.’ Ze keek Min wat twijfelend aan terwijl ze haar omslagdoek schikte, maar ze gingen arm in arm weg.
Rhand keek hen met een behoedzame blik in zijn ogen na, alsof hij wist dat hun vertrek afgesproken was. Een in de hoek gedreven wolf. Maar die aderen van goud glansden in haar hoofd. ‘Zij hebben van jou iets gekregen dat ik niet heb gekregen,’ begon Elayne, en slikte. Haar gezicht werd vuurrood. Bloed en as! Hoe pakten andere vrouwen dit aan? Zorgvuldig nam ze de gebundelde indrukken in haar hoofd in ogenschouw. Die van hem en die van Birgitte. In die tweede was nog niets veranderd. Ze stelde zich voor hoe ze Birgittes indruk in een zakdoek wikkelde en die stevig dichtknoopte. Birgitte was weg. Rhand bleef over. En die glinsterende gouden aderen. Vlinders ter grootte van wolfshonden bonsden dreunend met hun vleugels. Ze slikte nog eens en haalde diep adem. ‘Je moet me met de knopen helpen,’ zei ze beverig, ik kan deze kleren niet zelf uittrekken.’
De twee gardisten veerden op toen Min en de Aielvrouw de gang opkwamen. Hun gezichten verstrakten toen Min de deur sloot en ze beseften dat er niemand meer uitkwam.
‘Zo slecht kan haar smaak toch niet zijn?’ bromde Deni binnensmonds, en haar handen grepen de lange knuppel steviger vast. Min dacht niet dat iemand dat had mogen horen.
‘Overmoedig en onschuldig,’ gromde Caseille. ‘De kapitein-generaal heeft ons gewaarschuwd.’ Ze legde een gehandschoende hand op de deurgrendel met de leeuwenkop.
‘Je kunt naar binnen gaan en je meteen laten villen,’ zei Min opgewekt. ‘Heb je haar ooit woedend gezien? Ze kan een beer laten janken!’
Aviendha haalde haar arm uit die van Min en nam wat afstand. De gardiste kreeg de volle laag. ‘Twijfel je eraan of mijn zuster een man alleen wel aankan? Ze is een Aes Sedai en heeft het hart van een leeuw. En jullie hebben gezworen haar te volgen! Je volgt haar waar ze ook naartoe gaat, maar je stopt je neus niet in haar mouw.’ De gardisten wisselden een lange blik. Deni haalde haar schouders op. Caseilles gezicht betrok, maar ze haalde haar hand van de grendel weg. ‘Ik heb gezworen dat ik dat meisje in leven zal houden,’ zei ze met harde stem, ‘en dat ben ik van plan. Ga nu maar met jullie poppen spelen, kinderen, en laat mij m’n werk doen. Min overwoog een mes te voorschijn te halen en zo’n flitsende vingeroefening van Thom Merrilin te doen. Alleen maar om te laten zien wie er hier een kind was. De magere vrouw was niet jong meer, maar haar haren vertoonden nog geen spoortje grijs en ze zag er behoorlijk sterk uit. En snel. Min wilde graag geloven dat de forse figuur van de ander ook best uit vet kon bestaan, maar dat deed ze niet. Ze kon ook geen beelden om hen heen zien, maar geen van beiden leken erg bang om te doen wat zij nodig vonden. Nou ja, ze lieten Elayne en Rhand tenminste alleen. Misschien was het mes niet nodig. Uit haar ooghoek zag ze hoe de Aielse met tegenzin haar mes losliet. Licht, als Aviendha haar niet telkens zo precies na-aapte, ging ze nog geloven dat er meer in dat gehanseflans met de Ene Kracht zat dan haar was verteld. Aan de andere kant was het al begonnen voor dat gedoe met de Kracht. Misschien dachten ze beiden op dezelfde manier. Een verontrustende gedachte. Licht, al dat gepraat over hem en dat hij met hen alledrie zou trouwen was aardig om over te praten, maar wie zou hij werkelijk trouwen?
‘Elayne is dapper,’ zei ze tegen de gardisten. ‘Even dapper als de dapperste die ik ooit heb ontmoet. En ze is niet stom. Als je dat denkt, zul je op een gegeven moment raar staan te kijken.’ Ze staarden op haar neer met het voordeel van hun ruimschoots hogere leeftijd, sterk, onbewogen en vastbesloten. Nog even en ze zouden haar nogmaals zeggen op te krassen. ‘Goed, we kunnen hier niet blijven staan als we moeten praten, niet waar, Aviendha?’
‘Nee,’ zei de Aielse strak, en keek de gardisten nijdig aan. ‘We kunnen hier niet blijven staan.’
De gardisten trokken zich van hun vertrek niets aan. Ze moesten doen wat hun was opgedragen en daar viel het toezicht op Elaynes vriendinnen niet onder. Min hoopte dat ze hun werk goed deden. Ze is helemaal niet zo dom, dacht ze. Maar soms laat ze zich leiden door haar moed. Ze hoopte dat de gardisten Elayne niet in doornstruiken zouden laten lopen waar ze niet weer uit kon komen. Al lopende bekeek ze de Aielse van opzij. Aviendha liep naast haar, maar zo ver van haar vandaan als de gang toeliet. Zonder naar Min te kijken haalde ze een zwaarbewerkte ivoren armband uit haar beurs en liet hem met een tevreden glimlachje over haar linkerpols glijden. Al vanaf het begin had iets haar gestoken, en Min wist niet wat. Aiel waren volgens iedereen gewend dat vrouwen een man deelden. Dat was heel wat meer dan zijzelf kon opbrengen. Ze hield alleen zo verschrikkelijk veel van hem dat ze bereid was om hem te delen, en als het dan toch moest, was er niemand ter wereld met wie ze hem liever wilde delen dan met Elayne. Bij haar leek her helemaal geen delen. Maar deze Aielse was een vreemdelinge. Elayne had gezegd dat het belangrijk was dat ze elkaar leerden kennen, maar hoe kon dat nou als de ander niet met haar wilde praten?
Ze verspilde echter weinig tijd aan het zich zorgen maken over Elayne of Aviendha. Wat zich in haar hoofd genesteld had, was te geweldig. Rhand. Een klein balletje dat haar alles over hem zei. Ze was er zo zeker van geweest dat alles mis zou gaan, tenminste voor haar. Hoe zou het zijn om na dit alles met hem te vrijen, als zij alles van hem wist! Licht! Natuurlijk zou hij ook alles van haar weten. En wat ze daarvan dacht, wist ze nog niet zeker.
Ineens besefte ze dat die bundeling van gevoelens en indrukken niet meer hetzelfde was. Er was een soort van... roodgekleurd gebrul, als een bosbrand die door een droog woud raasde. Wat kon...? Licht! Ze struikelde en kon zich nog net staande houden. Als ze geweten had dat dit brullende vuur, deze vlammende honger in hem zat, zou ze bang zijn geweest voor zijn aanraking! Aan de andere kant... zou het aardig zijn om te weten of zij ook zo’n vlammenwoede in hem kon laten ontsteken. Ze kon niet wachten om te zien of ze hetzelfde kon bereiken als... Opnieuw struikelde ze en deze keer moest ze zich vastklampen aan een kist. O Licht! Elayne. Haar gezicht voelde aan als een laaiende haard. Alsof ze door de bedgordijnen gluurde!
Haastig probeerde ze Elaynes kunstje en probeerde die bal van gevoelens in een doek te knopen. Er gebeurde niets. Wanhopig probeerde ze het opnieuw, maar het brullende vuur bleef vlammen! Ze moest er niet meer naar kijken, het niet meer voelen. Ze wilde alles doen om haar aandacht daarvan af te leiden! Alles. Misschien hielp het als ze begon te praten.
‘Ze had hartsbladthee moeten drinken,’ bracht ze uit. Ze zei nimmer iets over wat ze zag, behalve aan de betrokkenen, en alleen maar als die het wensten te horen, maar ze moest iets zeggen. ‘Hier komt een kind van. Twee. Een jongen en een meisje, allebei gezond en sterk.’
‘Ze wil zijn kinderen,’ mompelde de Aielse. Haar groene ogen staarden recht vooruit, ze had haar kaken op elkaar geklemd en zweet parelde op haar voorhoofd. ‘Ik ga die thee niet drinken als ik...’ Ze richtte zich op en keek Min van de andere kant van de gang in de ogen. ‘Mijn zuster en de Wijzen hebben me over jou verteld. Kun jij werkelijk dingen zien over mensen, dingen die uitkomen?’