Выбрать главу

‘Soms zie ik dingen, en als ik weet wat ze betekenen, gebeuren ze,’ zei Min. Ze moesten door de onderlinge afstand harder praten en haar woorden galmden door de gang. Dienaren draaiden zich om en staarden. Min schoof naar het midden van de gang. Ze wilde de ander halverwege tegemoet komen, meer niet. Even later voegde Aviendha zich bij haar.

Min vroeg zich af of ze haar moest vertellen wat ze gezien had toen ze allemaal bij elkaar waren. Aviendha zou ook Rhands kinderen dragen. Vier! Een vierling! Maar er was iets vreemds aan. De kinderen waren gezond, maar wel vreemd. En mensen hielden er vaak niet van om iets over hun toekomst te horen, zelfs al zeiden ze dat ze dat wel wilden. Ze wenste dat iemand haar kon zeggen of zij-Zwijgend liepen ze naast elkaar door. Aviendha veegde met haar vingers het zweet van haar gezicht en slikte heftig. Ook Min moest slikken. Alles wat Rhand voelde, voelde zij in de bol. Alles! ‘Werkt het kunstje met de zakdoek bij jou ook niet?’ vroeg ze hees. Aviendha knipperde met haar ogen en werd vuurrood. Wat later zei ze: ‘Dat is beter. Dank je. Ik... Met hem in mijn hoofd vergeet ik het.’ Ze keek haar nadenkend aan. ‘Het werkt bij jou niet?’ Min schudde beschaamd haar hoofd. Dit hoorde niet! ‘Maar het helpt als ik praat.’ Als deze bizarre toestand een kans moest krijgen, moest ze vriendschap met deze vrouw zien te sluiten. ‘Het spijt me wat ik heb gezegd. Over toh en hachje, bedoel ik. Ik weet iets van jullie gebruiken. Maar er is iets aan die man wat me onbeschaamd maakt. Ik kan mijn tong niet beheersen. Maar geloof maar niet dat ik me door jou laat slaan of snijden. Misschien heb ik toh, maar dan moeten we het op een andere manier proberen. Ik kan altijd je paard nog verzorgen, als we de tijd hebben.’

‘Je bent net zo trots als mijn zuster,’ mompelde Aviendha. Wat bedoelde ze daar nou weer mee? ‘Maar je hebt ook een goed gevoel voor humor.’ Ze leek in zichzelf te praten. ‘Je stelde je niet dwaas aan over Rhand en Elayne, zoals de meeste natlandse vrouwen zouden doen. En je deed me denken aan...’ Met een zucht trok ze haar sjaal over haar schouders, ik weet wel wat oosquai te vinden. Als je te dronken bent om na te denken, dan...’ Ze staarde de gang in en bleef stokstijf staan. ‘Nee!’ gromde ze. ‘Nu, nog niet!’ Er kwam iemand naar hen toe en Mins mond viel open van verbijstering, zo groot dat Rhand uit haar bewustzijn werd weggeduwd. Uit opmerkingen had ze begrepen dat de kapitein-generaal van Elaynes garde een vrouw was, en ook nog eens Elaynes zwaardhand. Meer niet. Deze vrouw had een zware, ingewikkeld gevlochten, goudblonde vlecht over een schouder van haar korte rode jas met witte kraag en droeg een ruim vallende blauwe broek die in hooggehakte laarzen was gestoken. Lichtschijnsels dansten om haar heen en er flikkerden talloze beelden, meer dan Min ooit bij iemand had gezien. Het leken er wel duizenden, die over elkaar heen stroomden. Elaynes zwaardhand en kapitein-generaal van de koninginnegarde... wankelde... een beetje, alsof ze al aan de oosquai had gezeten. Dienaren zagen haar kijken en besloten dat ze elders werk hadden, waardoor het drietal alleen achterbleef. Ze scheen Min of Aviendha niet te zien tot ze bijna tegen hen opbotste.

‘Vervloekt nog aan toe, je hebt haar hiermee geholpen, niet?’ bromde ze, en richtte haar glazige blauwe ogen op Aviendha. ‘Bloed en as, eerst verdwijnt ze uit mijn hoofd en dan...!’ Ze beefde en moest zich zichtbaar beheersen, maar ze bleef hoorbaar ademen. Haar benen leken haar niet te kunnen dragen. Ze likte haar lippen, slikte en ging toen boos door: ‘Bloedvuur, ik kan mijn aandacht er niet voldoende bijhouden om het van me af te zetten! Laat ik je zeggen dat als ze doet wat ik denk dat ze doet, dat ik haar het hele bloedpaleis rondschop. En ze krijgt er een pak slaag bij waardoor ze een maand niet kan zitten. En jij ook! Al moet ik dolkwortel vinden om het te doen!’

‘Mijn eerstezuster is een volwassen vrouw, Birgitte Trahelion,’ zei Aviendha scherp. Ondanks haar ferme toon waren haar schouders wat gebogen en ontweek ze de blik van de ander. ‘Hou eens op met ons als kinderen te behandelen.’

‘Drakenvuur, als ze zich als een volwassene gedraagt, zal ik haar behandelen als een volwassene, maar ze heeft het recht niet om dit te doen, niet in mijn arme hoofd! Niet in mijn...!’ Ineens puilden Birgittes glazige blauwe ogen uit. Haar mond viel open en ze zou gevallen zijn als Min en Aviendha haar niet bij de arm hadden gegrepen.

Ze kneep haar ogen dicht, er ontsnapte een enkele snik en ze fluisterde: ‘Twéé maanden!’ Ze schudde zichzelf los en richtte zich op. Ze hield Aviendha’s blik vast met blauwe ogen die helder als water en hard als ijs waren. ‘Scherm haar voor me af en ik vergeet jouw aandeel hierin.’ Aviendha’s verontwaardigde blikken gleden gewoon langs haar heen.

‘Jij bent Birgitte Zilverboog!’ zei Min ademloos. Ze had het geweten, zelfs voor Aviendha haar naam gezegd had. Geen wonder dat de Aielse zich gedroeg alsof ze bang was dat die bedreiging ter plekke zou worden uitgevoerd. ‘Birgitte Zilverboog! Ik heb je bij Falme gezien!’

Birgitte schrok en keek snel om zich heen. Toen ze besefte dat ze alleen waren, ontspande ze zich. Een beetje. Ze bekeek Min van top tot teen. ‘Wie je ook zag, Zilverboog is dood,’ zei ze plompverloren. ‘Nu ben ik Birgitte Trahelion, en dat is alles.’ Ze grimlachte. ‘En nog wel vrouwe Birgitte Trahelion, als het je mag behagen. Vervloekt nog aan toe. Ik zou een schaap op moederdag kussen als ik er op die manier iets aan kon veranderen, denk ik. En wie mag jij wel zijn, zo ver van huis? Laat je altijd je benen zien als een domme verendanseres?’

‘Ik ben Min Farsen,’ zei ze kort. Dit was Birgitte Zilverboog, heldin in honderd legenden? Wat was dat een vuilbek! En wat bedoelde ze met dat Zilverboog dood was? De vrouw stond voor haar neus! Bovendien was ze er zeker van dat die vele, vele beelden en lichten, die zo snel en onduidelijk voorbij waren geflitst, meer avonturen aangaven dan een vrouw in een heel leven beleefd kon hebben. Vreemd genoeg waren enkele van die beelden verbonden met een lelijke man die ouder was dan zijzelf, en andere met een lelijke man die veel jonger was, maar Min wist ergens dat het om dezelfde man ging. Legende of geen legende, die hooghartige houding ergerde haar gruwelijk. ‘Elayne, Aviendha en ik hebben zojuist een zwaardhand gebonden,’ zei ze onnadenkend. ‘En als Elayne dat een beetje viert, nou, denk dan maar eens twee keer na voordat je naar binnenstormt, of jij bent degene in moeilijkheden.’

Dat was genoeg voor haar om Rhand weer te voelen. Dat vuur brandde nog steeds en was amper minder geworden, maar het Licht zij dank, hij was niet meer... Het bloed kleurde haar wangen. Hij had vaak genoeg in haar armen gelegen en daarna in het verwarde beddengoed getracht op adem te komen, maar dit leek echt op gluren! ‘Hij?’ zei Birgitte zacht. ‘Moedermelk in een kommetje! Ze had verliefd kunnen worden op een zakkenroller of een paardendief, maar ze moest hem zo nodig kiezen, de zottin. Van wat ik van hem gezien heb, lijkt hij me veel te knap voor welke vrouw dan ook. Hoe dan ook, ze moet ermee ophouden.’

‘Je hebt het recht niet!’ hield Aviendha beledigd vol. Birgitte trok een geduldig gezicht. Ietwat ingespannen, maar toch geduldig. ‘Ze kan zo zedig zijn als een Talmouraanse deerne, behalve als ze haar hoofdje op een beulsblok wil leggen, maar ik geloof dat ze haar moed bijeenraapt om hem opnieuw zijn kunsten te laten tonen. Maar als ze gedaan heeft wat ze ook gedaan mag hebben, zal ze alles vergeten en zit ze weer in mijn hoofd. Bloedvuur, dat wil ik niet nog eens meemaken!’ Ze richtte zich op en was duidelijk van plan om door te lopen en Elayne het hoofd te bieden.

‘Bekijk het als een goede grap,’ zei Aviendha smekend. Smekend! ‘Ze heeft een goede grap met je uitgehaald, dat is alles.’ Een spottend gekrulde lip maakte duidelijk wat Birgitte daarvan dacht. ‘Elayne heeft me een kunstje geleerd,’ zei Min haastig, en greep Birgitte bij de mouw. ‘Het werkte niet voor mij, maar misschien...’ Maar toen ze het had uitgelegd...