‘Ze zit er nog steeds,’ zei Birgitte grimmig na een tijdje. ‘Opzij, Min Farsen,’ zei ze, en trok haar arm los, ‘opzij, of ik...’
‘Oosquai!’ Aviendha schreeuwde bijna van wanhoop en wrong zich zowaar in de handen, ik weet oosquai te vinden! Als jullie dronken zijn...! Alsjeblieft, Birgitte! Ik... ik beloof plechtig om je te gehoorzamen, als een leerlinge haar meesteres, maar stoor haar alsjeblieft niet! Maak haar niet te schande!’
‘Oosquai?’ zei Birgitte terwijl ze over haar kaak wreef, is dat net zoiets als brandewijn? Hmmm. Ik denk dat het meisje bloost! De meeste tijd is ze echt preuts, weet je dat. Een grap, zei je?’ Plotseling grinnikte ze en spreidde haar armen wijd uit. ‘Breng me naar die oosquai van jou, Aviendha. Ik weet niet wat jullie twee willen, maar ik ben van plan dronken genoeg te worden om... nou ja... om mijn kleren uit te trekken en op de tafel te dansen. Maar niet dronkener dan dat.’
Min begreep er helemaal niets van, en ook niet waarom Aviendha Birgitte aanstaarde en plotseling begon te lachen om die ‘geweldige grap’, maar ze wist heel zeker waarom Elayne waarschijnlijk bloosde. De harde bol van indrukken in haar hoofd was opnieuw een brullende bosbrand geworden.
‘Kunnen we die oosquai nú opscharrelen?’ zei ze. ‘Ik wil zo dronken worden als een verdronken muis, en heel snel!’
Toen Elayne de volgende ochtend ontwaakte, was de slaapkamer ijzig koud, viel er een lichte sneeuw op Caemlin en was Rhand verdwenen. Behalve uit haar hoofd. Dat was genoeg. Ze glimlachte traag. Genoeg, voor nu tenminste. Ze strekte zich behaaglijk uit onder de dekens en herinnerde zich hoe wild ze de avond tevoren geweest was. Plus een groot gedeelte van de dag! Ze kon nauwelijks geloven dat zij dat was geweest en vond dat ze moest blozen als de zon! Maar ze wilde alleen zijn met Rhand en ze geloofde niet dat ze ooit nog zou blozen, niet om iets wat met hem verbonden was. Het mooiste was nog dat hij een geschenk had achtergelaten. Op het kussen naast haar lag een gouden lelie in volle bloei, met de dauw nog fris op de weelderige blaadjes. Waar hij midden in de winter op zoiets zijn hand had kunnen leggen, kon ze zich onmogelijk voorstellen. Maar ze weefde er een Bewaring omheen en legde de bloem op een tafeltje waar ze hem iedere ochtend bij het wakker worden kon zien. De weving die ze van Moghedien had geleerd, zorgde ervoor dat de bloem altijd fris bleef en dat de geur nimmer verflauwde. Het was een blijvende herinnering aan de man die haar zijn hart had gegeven.
Haar ochtend werd besteed aan het nieuws dat Alivia ’s nachts verdwenen was; een zaak die ernstig genoeg was om de Kinne heftig te beroeren. Pas toen Zaide verscheen omdat Nynaeve niet voor een les was komen opdagen, merkte Elayne dat ook Nynaeve en Lan uit het paleis waren verdwenen, en niemand wist hoe of wanneer. En pas veel later ontdekte ze dat van de verzameling angrealen en ter’angrealen uit Ebo Dar de krachtigste van de drie angrealen verdwenen was, alsmede enkele andere voorwerpen. Ze was er zeker van dat ze bestemd waren voor een vrouw die verwachtte dat ze elk moment met de Ene Kracht kon worden aangevallen. Dat maakte het haastig geschreven briefje van Nynaeve bij de andere angrealen des te verontrustender.
13
Verheugend nieuws
De zonnekamer van het Zonnepaleis was koud, ondanks de hoog oplaaiende haardvuren aan beide kanten, de dikke kleden op de vloer en het schuine glazen dak dat het heldere ochtendlicht naar binnen liet, tenminste daar waar de vastzittende sneeuw op de dunne spijlen het niet tegenhield. Toch was de kamer best geschikt voor een ontvangst. Cadsuane had het verstandiger gevonden de troonzaal niet op te eisen. Tot dusver had heer Dobraine gezwegen over haar ‘gasten’ Caraline Damodred en Darlin Sisnera. Ze had geen betere manier geweten om te voorkomen dat ze verder gingen op het verkeerde pad dan door ze stevig in de hand te houden. Dobraine ging wellicht wat moeilijk doen als ze zijn grenzen van wat betamelijk was, overschreed. Hij stond de jongen te na en dus wilde zij hem niet voor het blok zetten of zijn eed laten breken. Terugkijkend op haar leven kon ze zich haar falen herinneren, fouten waaraan ze soms met bittere spijt dacht en die levens hadden gekost, maar nu kon ze zich geen fouten of falen veroorloven. Ze mocht vooral niet falen. Licht, wat wilde ze graag iemand bijten!
‘Ik eis de terugkeer van mijn windvindster, Aes Sedai!’ Harine din Togara, geheel in groen zijdebrokaat, zat stijf rechtop voor Cadsuane en klemde de lippen weer ferm opeen. Ondanks een rimpelloos gezicht zaten er witte lokken in haar sluike zwarte haar. Ze was al zo’n tien jaar golfvrouwe van haar clan, maar had daarvoor al veel langer het bevel gevoerd over een groter schip. Haar zeilvrouwe, Derah din Selaan, een jongere vrouw in het blauw, zat op een stoel die zorgvuldig een voet achter de stoel van de golfvrouwe was geplaatst. Dit vonden zij gepast. Het tweetal had een beeldhouwwerk van zwarthouten woede kunnen zijn en hun buitenlandse sieraden versterkten dat beeld. Geen oog bewoog toen Eben met een buiging zilveren roemers met warme kruidenwijn aanbood. De jongen leek niet te weten wat hij moest doen toen ze niets pakten. Met een onzekere frons hield hij de buiging vol tot Daigian aan zijn rode jas trok en hem, glimlachend als een vermaakt koerende kropduif, wegleidde. Een slanke jongeman met een grote neus en grote oren. Hij zou nooit knap of leuk worden genoemd, maar ze voelde iets bezitterigs over hem. Ze gingen op een bekleed bankje vlak voor een haard zitten om kattenbak te spelen.
‘Uw zuster helpt ons om uit te zoeken wat er op die ongelukkige dag is voorgevallen,’ zei Cadsuane gladjes en een tikje verstrooid. Ze nam een slokje, wachtte en maalde er niet om toen ze hun ongeduld opmerkte. Het deed er niet toe dat Dobraine mopperde hoe onmogelijk het was aan de voorwaarden te voldoen van die ongelooflijke overeenkomst die Rafela en Merana ten behoeve van dat Altor-joch hadden gesloten, maar hij had dit Zeevolk best zelf kunnen afhandelen. Ze kon echt niet veel aandacht aan hen besteden. Misschien was dat maar goed ook. Als ze echt aandacht aan de Atha’an Miere besteedde, zou het haar hard vallen om ze niet als bijters plat te meppen, al waren zij niet de bron van haar verbittering. Vijf zusters zaten keurig naast elkaar rond de haard aan de andere kant van de zonnekamer. Nesune had een groot in hout gebonden boek uit de librije van het paleis op een lessenaar voor haar stoel. Net als de anderen droeg ze een eenvoudig wollen kleed dat meer bij een koopvrouw hoorde dan bij een Aes Sedai. Als ze de zijden kleding al misten, lieten ze het niet blijken. Sarene, met haar dunne vlechten met kralen, stond aan een groot borduurraam te werken en haar naald maakte de kleine steekjes van een nieuwe bloem in een veld vol bloemenpracht. Erian en Beldeine speelden Steen, terwijl Elza toekeek en haar beurt afwachtte om tegen de winnaar te spelen. Aan hun uiterlijk en gedrag te zien leken ze te genieten van een vrije ochtend, zonder zich ook maar ergens zorgen over te maken. Misschien wisten ze dat ze hier waren omdat Cadsuane hen wilde bestuderen. Waarom hadden ze trouw gezworen aan dat Altor-joch? Bij Kiruna en de anderen was hijzelf er tenminste bij geweest, toen ze gehoorzaamheid wilden zweren. Ze was bereid toe te geven dat niemand de invloed van een ta’veren kon weerstaan. Maar dit vijftal was wel heel zwaar gestraft voor zijn ontvoering en had het besluit tot een eed van trouw al genomen nog voor hij in de buurt was. Aanvankelijk was ze geneigd hun verschillende verklaringen te slikken, maar de laatste paar dagen had die neiging zware schokken te verdragen. Verontrustend harde schokken.
‘Mijn windvindster is niet onderhorig aan uw gezag, Aes Sedai,’ merkte Harine scherp op alsof ze de bloedverwantschap ontkende. ‘Shalon zal en moet meteen bij mij terugkomen.’ Derah knikte instemmend. Cadsuane dacht dat de zeilvrouwe zelfs van een rots zou springen als Harine haar dat zou opdragen. In de rangorde van de Atha’an Miere stond Derah een heel eind onder Harine. Dat was zowat alles wat Cadsuane van hen wist. Het Zeevolk kon later misschien van nut blijken, maar voor nu moest ze proberen greep op hen te krijgen.