‘Dat hoefde niet,’ dacht Verin verstrooid hardop. Hoewel haar ogen gericht waren op een inktvlek op haar vinger, keek ze ergens in een ongeziene verte. ‘De Wijzen hebben blijkbaar besloten dat Rhand Irgain en de andere twee al voldoende heeft gestraft toen hij... deed wat hij deed. Terwijl ze de anderen nog slechter dan honden behandelden, hebben ze deze drie zo goed mogelijk verzorgd en in leven gehouden. Ik hoorde hen zeggen dat ze een man wilden vinden voor Ronaille.’
‘Irgain weet alles over de eed die anderen hebben gezworen.’ In Coreles stem klonk iets van verbazing door. ‘Zodra Damer met haar klaar was, begon ze te huilen vanwege het verlies van haar zwaardhanden, maar ze is bereid de eed af te leggen. Damer wil het nu ook proberen met Sashalle en Ronaille.’ Verbazingwekkend genoeg ging ze verdedigend rechter staan. Ze was zoals elke Gele altijd hooghartig geweest, maar had ook altijd geweten wat haar plaats was in verhouding tot Cadsuane. ik wil Damer laten proberen of hij wat met ze kan.’
‘Natuurlijk, Corele.’ Blijkbaar was iets van Damers doorzettingsvermogen op haar overgegaan. Cadsuane was bereid er geen ophef over te maken zolang het niet te ver ging. Nadat ze voor het eerst van de vreemde gebeurtenissen in Shienar had gehoord, was ze zusters die ze vertrouwde om zich heen aan het verzamelen. Zusters van hier, maar ook anderen. Haar ogen en oren hadden jarenlang een wakend oog gehouden op Siuan Sanche en Moiraine Damodred, maar pas in Shienar had ze iets nuttigs ontdekt. Hoewel ze hen vertrouwde, wilde dat niet zeggen dat ze van plan was deze zusters hun eigen gang te laten gaan. Er stond te veel op het spel. In elk geval kon ze een zuster niet in die toestand laten.
De deur sloeg open toen Jahar hollend binnenkwam. De zilveren belletjes aan het eind van zijn donkere vlechten tinkelden. Hoofden draaiden zich om naar de jongeman in de keurige blauwe jas die Merise voor hem had uitgekozen. Zelfs Sorilea en Sarene staarden naar hem, maar zijn woorden verdreven elke gedachte aan het knappe bruine gezicht.
‘Alanna is bewusteloos, Cadsuane. Ze is net in een gang in elkaar gezakt. Merise heeft me haar naar een slaapkamer laten brengen en mij naar u toegestuurd.’
Cadsuane overstemde de geschrokken uitroepen en vroeg Corele en Sorilea mee te komen. De laatste mocht hierbij niet worden genegeerd. Ze beval Jahar voor te gaan. Ook Verin liep mee en Cadsuane stuurde haar niet weg. Verin viel dingen op die anderen over het hoofd zagen.
De bedienden in het zwart hadden geen enkel idee wie Jahar was, maar stapten ijlings voor Cadsuane opzij toen zij snel achter hem aanbeende. Ze had hem willen zeggen voort te maken, maar als ze nog iets sneller liepen, zou het hollen worden. Ze waren net uit de zonnekamer of een kleine man met een hoog kaalgeschoren voorhoofd en in een donkere jas met horizontale kleurenbanen stapte met een buiging voor haar. Ze moest wel blijven staan. ‘De genade van het Licht voor u, Cadsuane Sedai,’ zei hij gladjes. ‘Vergeef me dat ik u lastig val, wanneer u zoveel haast hebt, maar ik meende dat ik u moest meedelen dat vrouwe Caraline en hoogheer Darlin zich niet meer in het paleis van vrouwe Arilyn bevinden. Ze hebben zich ingescheept naar Tyr en zijn daarmee, vrees ik, buiten uw bereik.’
‘U zou nog verbaasd opkijken over alles wat binnen mijn bereik valt, heer Dobraine,’ zei ze koeltjes. Licht, ze had een of meer zusters in Arilyns paleis moeten plaatsen, maar ze was er zo zeker van geweest dat dat stel daar prima zat. ‘Was dit wel verstandig?’ Ze twijfelde er niet aan dat hij dit had geregeld, al vroeg ze zich wel af of hij het lef had dat toe te geven. Geen wonder dat hij haar over die twee niet had lastig gevallen.
Haar toon maakte geen indruk. En hij had iets verrassends. ‘Hoogheer Darlin zal de Stedehouder van mijn heer Draak in Tyr worden en het leek ons verstandig vrouwe Caraline het land uit te krijgen. Ze heeft haar opstand en haar aanspraken op de Zonnetroon openlijk afgezworen, maar wellicht willen anderen haar gebruiken. Het was misschien onverstandig, Cadsuane Sedai, hen onder de hoede van bedienden te laten. Maar bij het Licht, u mag hun niets verwijten. Ze waren in staat hun twee... gasten bij te staan, maar konden het niet opnemen tegen mijn wapenknechten.’
Jahar stond van de ene voet op de andere te wippen en wilde doorlopen, maar Merise hield hem tegen. Ook Cadsuane wilde graag zo snel mogelijk naar Alanna.
‘Ik hoop dat u over een jaar nog steeds deze mening bent toegedaan,’ merkte ze op. Dobraine boog slechts.
Alanna was naar de dichtstbijzijnde beschikbare slaapkamer gebracht. De kamer was niet groot en leek zelfs kleiner door de donkere houten panelen waar de Cairhienin zo dol op waren. Het was er overvol toen iedereen zich naar binnen had gewurmd. Merise knipte met een vinger, wees en Jahar trok zich terug in een hoek, maar dat hielp niet veel.
Alanna lag met gesloten ogen op bed en Ihvon, haar zwaardhand, zat geknield naast haar terwijl hij over haar pols wreef. ‘Het lijkt wel of ze bang is wakker te worden,’ zei de grote slanke man alsof hij het al vele malen had herhaald. ‘Voor zover ik kan voelen, is er niets mis, maar ze lijkt bang te zijn.’
Corele wuifde hem opzij, zodat ze Alanna’s gezicht met beide handen kon omvatten. De gloed van saidar omringde de Gele zuster en de weving van Heling hechtte zich rond Alanna, maar de slanke Groene zuster bewoog geen spiertje. Corele trok haar handen hoofdschuddend terug.
‘Mijn gave in Heling is misschien niet gelijk aan die van jou, Corele, maar ik heb het ook geprobeerd,’ merkte Merise droogjes op. Nog steeds was goed te horen dat ze uit Tarabon kwam, maar ze had haar zwarte haren nu strak uit haar strenge gezicht weggekamd. Van iedereen vertrouwde Cadsuane haar misschien nog wel het meest. ‘Wat gaan we nu doen, Cadsuane?’
Sorilea staarde naar de languit liggende vrouw en aan haar gezicht was niets te zien, behalve haar opeengeperste lippen. Cadsuane vroeg zich af of ze hun bondgenootschap heroverwoog. Verin staarde eveneens naar Alanna en er lag doodsangst in haar ogen. Cadsuane had niet gedacht dat Verin ook maar voor iets bang was. Maar ook zijzelf voelde iets van pure angst. Als ze hierdoor haar band met de jongen kwijtraakte...
‘Laten we gaan zitten en wachten tot ze wakker wordt,’ zei ze kalm. Iets anders was er niet te doen. Niets.
‘Waar is hij?’ grauwde Demandred en balde zijn vuisten op de rug. Hij stond wijdbeens in de kamer en besefte dat hij iedereen overheerste. Dat deed hij altijd. Desondanks had hij graag Semirhage of Mesaana hier gehad. Hoewel hun verbond kwetsbaar was, het was immers slechts een toezegging dat ze niet onderling zouden strijden tot de anderen waren uitgeschakeld, bestond het al behoorlijk lang. Door hun samenwerking hadden ze tegenstander na tegenstander uit balans gebracht, waarna ze velen hadden omgebracht of ergere dingen hadden aangedaan. Voor Semirhage was het echter moeilijk erbij te zijn en Mesaana was de laatste tijd heel schuw geworden. Als zij erover piekerde hun bondgenootschap te beëindigen... ‘Altor is in vijf grote steden gezien, waaronder die vervloekte plek in de Woestenij, en in een tiental kleinere nadat die blinde stommelingen, die dwazen in Cairhien, hebben gefaald. En dan noem ik alleen nog maar de ontvangen verslagen! De Grote Heer mag weten wat er nog meer te paard of te schaap op ons af komt kruipen, of wat deze wilden ook bedacht hebben om berichten door te geven.’ Graendal had deze plaats gekozen, aangezien zij als eerste was aangekomen, en dit alles ergerde hem. Zichtmuren zorgden ervoor dat de gestreepte houten vloer omringd leek door een woud van vrolijke bloemenranken en fladderende vogeltjes die nog meer kleur vertoonden. De lucht was doordrongen van zoete geuren en zacht vogelgefluit. Alleen de boog van een poort bedierf dat waanbeeld. Waarom maakte ze een herinnering aan wat verloren was gegaan? Dan konden ze net zo goed schoklansen en zoefvleugels in de zichtmuren tonen op deze plek die zo dicht bij Shayol Ghul lag. Trouwens, hij meende zich te herinneren dat ze een grote afkeer van de natuur had.