Выбрать главу

De geribbelde zeilen aan de drie hoge masten van de Kidron bolden in de koude wind die het schip voortjoeg naar het land dat voor hen lag. De donkere kustlijn was zo dichtbij dat ze heuvels en lage bergen konden ontwaren. Mannen en vrouwen stroomden het dek op, allen van het Bloed, en in hun fijnste zijden gewaden. Ze sloegen geen acht op de wind die hun mantels liet fladderen en letten evenmin op de scheepsbemanning, die blootsvoets tussen hen heen en weer sprong. En dat was maar goed ook, want de bemanning kon het schip niet al buigend en knielend varende houden. Het Bloed, dat zich voorbereid had om zich op het dek neer te werpen, neeg bij het zien van haar sluier nu slechts het hoofd als waren ze onder gelijken. Yuril, de man met de dunne neus van wie iedereen dacht dat hij haar schrijver was, ging door een knie. Natuurlijk was hij haar schrijver, maar ook haar Hand, die het bevel voerde over haar Waarheidszoekers. Het Macura-mens wierp zich plat neer en kuste het dek tot een paar zachte woorden van Yuril haar vuurrood overeind deden komen, waarna ze haar plooirok gladstreek. Tuon had in Tanchico getwijfeld of ze haar in dienst zou nemen, maar de vrouw had als een echte da’covale gesmeekt. Om de een of andere reden haatte ze de Aes Sedai tot in haar botten. Hoewel ze al beloond was voor haar buitengewoon belangrijke inlichtingen, hoopte ze de Aes Sedai nog meer kwaad te kunnen berokkenen.

Tuon neeg het hoofd voor het Bloed en beklom het halfdek, gevolgd door de twee Doodswachtgardisten. De wind maakte het haar korte mantel moeilijk en drukte nu eens de sluier tegen haar gezicht en joeg die dan weer alle kanten op. Het maakte niet uit; het was voldoende dat ze de sluier droeg. Haar persoonlijke banier, twee gouden leeuwen die een strijdwagen uit vroeger tijden trokken, waaide op de achtersteven boven de zes roergangers, die moeite hadden met de lange roerstang. De Raaf en de Rozen was neergehaald zodra de eerste scheepsmaat haar sluier had gezien en dit had doorgegeven. Kidrons kapitein, een brede, verweerde vrouw met wit haar en ongelooflijk groene ogen, boog toen Tuons muiltjes het halfdek raakten en richtte haar aandacht weer op het schip. Bij de reling stond Anath in sombere zwarte zijde, en hoewel ze geen mantel droeg, scheen de kille wind haar niet te deren. Het was een slanke vrouw die zelfs in vergelijking met een man lang zou zijn geweest. Haar koolzwarte gezicht was prachtig, maar haar grote zwarte ogen leken even scherp als priemen. Zij was Tuons soe’feia, haar Waarheidsspreker, benoemd door de keizerin, moge zij eeuwig leven, toen Neferi stierf. Dat was een verrassing, omdat Neferi’s Linkerhand al geoefend was en gereed om haar te vervangen, maar als de keizerin vanaf haar Kristallen Troon sprak, was haar woord wet. Ze werd beslist niet geacht om bang te zijn voor haar soe’feia, maar Tuon was dat wel, een beetje. Ze voegde zich bij de vrouw, greep de reling vast en moest haar handen ontspannen om geen nagel te breken. Dat zou zeer veel ongeluk hebben betekend. ‘Zo,’ zei Anath, en het woord leek als een spijker in Tuons schedel te boren. De lange vrouw keek misprijzend op haar neer en verachting kleurde haar stem. ‘Je verbergt je gezicht – min of meer – en nu ben je slechts hoogvrouwe Tuon. Hoewel iedereen nog steeds weet wie je in werkelijkheid bent, zelfs al zullen ze het niet zeggen. Hoelang ben je van plan om door te gaan met deze fratsen?’ Anaths volle lippen stonden minachtend en met een slanke hand maakte ze een kort wegwerpgebaar, ik neem aan dat deze dwaasheid te maken heeft met de straffen die je de damane hebt opgelegd. Je bent een dwaas als je denkt dat je je dient te vernederen om zoiets kleins. Wat heeft ze gezegd dat je zo boos werd? Niemand schijnt het te weten, behalve dat je een woedeaanval kreeg, waarvan ik het heel jammer vind dat ik die gemist heb.’

Tuon dwong haar handen, die begonnen te trillen, stil op de reling te blijven liggen en zette een streng gezicht op. ‘Ik zal de sluier dragen tot een voorteken mij zegt dat de tijd gekomen is om die af te nemen, Anath,’ zei ze, en dwong haar stem tot kalmte. Het was een geluk dat niemand Lidya’s raadselachtige woorden had opgevangen. Iedereen wist dat damane de toekomst konden voorspellen, en als iemand van het Bloed de voorspelling had opgevangen, zouden ze allemaal in het geheim over haar lot hebben zitten kletsen. Anath lachte grof en begon haar opnieuw te vertellen wat een dwaas ze was, deze keer met meer bijzonderheden. Veel meer bijzonderheden. Ze nam niet de moeite zachter te spreken. Kapitein Tehan staarde recht voor zich uit, maar haar ogen vielen bijna uit haar gerimpelde gezicht. Tuon deed of ze aandachtig luisterde, maar haar wangen werden roder en roder tot ze dacht dat de sluier zowat in vlammen opging.

Velen van het Bloed noemden hun Stemmen soe’feia, maar Stemmen van het Bloed waren so’jhin, en zij wisten dat zij gestraft konden worden als hun eigenaars onaangenaam getroffen werden door hun woorden, zelfs als ze soe’feia werden genoemd. Een waarheidsspreker kon op geen enkele manier gestuurd, omgepraat of afgestraft worden. Van een waarheidsspreker werd geëist dat deze de naakte waarheid zou zeggen, of je die nu wilde horen of niet. De leden van het Bloed die hun Stemmen soe’feia noemden, meenden dat Algwyn, die bijna duizend jaar geleden de laatste man was op de Kristallen Troon, krankzinnig wras geweest omdat hij zijn soe’feia in leven en op haar post had gelaten nadat zij hem in aanwezigheid van het voltallige hof in zijn gezicht had geslagen. Zij begrepen de gewoonten van haar familie net zo min als de kapitein met haar uitpuilende ogen deed. De gezichten van de Doodswachtgardisten, half verborgen door de wangstukken van hun helmen, bleven onbewogen. Zij begrepen het.