Выбрать главу

‘Dank je, maar ik heb geen boetedoening nodig,’ zei ze beleefd toen Anath eindelijk haar tirade beëindigd had.

Ooit had ze Neferi vervloekt omdat die was gestorven door een stomme val van een trap en ze had toen haar nieuwe soe’feia gevraagd om de boetedoening te voltrekken. De doden vervloeken was genoeg om je vele maanden sei’mosiev te laten zijn. De vrouw was er op een vreemde manier bijna teder over geweest, hoewel zij dagenlang gehuild had en zelfs niet in staat was geweest een nachthemd aan te trekken. Maar dat was niet de reden waarom ze nu de boetedoening weigerde; een boetedoening moest streng zijn, anders werd het evenwicht niet hersteld. Nee, ook nu ging ze het zich niet gemakkelijk maken, want ze had haar beslissing genomen. Bovendien wilde ze de raad van haar soe’feia niet opvolgen. Ze wilde eigenlijk helemaal niet naar haar luisteren. Selucia had het al gezegd: ze was altijd koppig geweest. Weigeren om naar je waarheidsspreker te luisteren was heel erg. Misschien hoorde ze dat evenwicht toch te aanvaarden. Drie grote grijze dolfijnen doken naast het schip op en lieten een geluid horen. Het waren er drie en ze kwamen niet opnieuw boven. Houd vast aan de gekozen koers.

‘Als we aan land zijn,’ zei ze, ‘dient hoogvrouwe Suroth geprezen te worden.’ Houd vast aan je gekozen koers. ‘En haar eerzucht moet gepeild worden. Ze heeft meer met de Voorlopers gedaan dan de keizerin, moge zij eeuwig leven, kon dromen, maar succes van deze orde van grootte wakkert vaak eerzucht aan van eenzelfde omvang.’ Anath was geërgerd door de verandering van onderwerp en rechtte met samengeknepen lippen haar rug. Haar ogen glinsterden, ik ben er zeker van dat Suroth slechts eerzuchtig is terwille van de belangen van het Rijk,’ zei ze kortaf.

Tuon knikte. Daar was ze zelf helemaal niet zo zeker van. Dat soort zelfverzekerdheid kon leiden naar de Toren van de Raven, zelfs voor haar. Wellicht juist voor haar. ‘Ik moet een manier zien te vinden om zo spoedig mogelijk de Herrezen Draak te ontmoeten. Hij moet vóór Tarmon Gai’don voor de Kristallen Troon knielen, of alles is verloren.’ Dat hadden de Voorspellingen van de Draak heel duidelijk gezegd.

Anaths stemming draaide om als een zeil aan de mast. Ze glimlachte en legde bijna bezitterig een hand op Tuons schouder. Dat ging te ver, maar ze was soe’feia, en dat gevoel van eigendom bestond misschien alleen in Tuons geest. ‘Je moet voorzichtig zijn,’ zei Anath liefjes. ‘Je mag hem niet laten weten hoe gevaarlijk je voor hem bent tot het te laat voor hem is om te ontsnappen.’

Ze kreeg nog meer raadgevingen, maar Tuon liet het over zich heengaan. Ze luisterde genoeg om iets op te vangen, maar er werd niets gezegd dat ze al niet honderd keer eerder gehoord had. In de verte zag ze de monding van een grote haven. Ebo Dar. Vanuit die plaats zou de Corenne zich verspreiden zoals die zich verspreidde vanuit Tanchico. Die gedachte gaf haar een gevoel van blijdschap, van iets bereikt te hebben. Achter haar sluier was ze slechts hoogvrouwe Tuon, niet hoger in rang dan velen van het Bloed, maar in haar hart zou ze altijd Tuon Athaem Kore Paendrag zijn, Dochter van de Negen Manen, en ze was gekomen om terug te vorderen wat haar voorouders ontstolen was.

15

Behoefte aan een klokkengieter

De rechthoekige wagen deed Mart denken aan de wagens van de ketellappers die hij gezien had, kleine huisjes op wielen. Deze wagen zat echter vol ingebouwde kasten en werkbanken en was niet bedoeld om in te wonen. Hij haalde zijn neus op voor de vreemde, bittere geuren die er binnen heersten en schoof ongemakkelijk heen en weer op het driepotige krukje, de enige zitplaats. Zijn gebroken benen en ribben en de snijwonden die hij had opgelopen toen dat hele bloedgebouw boven op zijn hoofd in elkaar was gestort, waren bijna helemaal geheeld, maar zo nu en dan deden zijn verwondingen nog steeds pijn. Hij hoopte vooral op medelijden. Vrouwen vonden het heerlijk om medelijden te tonen, als je het maar op de juiste manier speelde. Hij dwong zichzelf op te houden met het draaien aan zijn grote zegelring. Laat een vrouw weten dat je zenuwachtig ben en ze zou er het hare van denken en het medelijden zou als sneeuw voor de zon verdwijnen.

‘Luister, Aludra,’ zei hij, en toonde zijn meest innemende glimlach, ‘je zou nu toch wel moeten weten dat de Seanchanen van geen kanten naar jouw vuurwerk komen kijken. Ik heb gehoord dat die damane iets doen, dat hemellicht genoemd wordt, iets dat jouw beste vuurwerk verlaagt tot een paar vonkjes uit de schoorsteen. Het is niet mijn bedoeling om je te beledigen.’

‘Ik heb die zogenaamde hemellichten zelf nog niet gezien,’ zei ze afwijzend met haar sterke Taraboonse tongval. Haar hoofd was gebogen over een houten vijzel ter grootte van een flink vaatje. Een brede blauwe band bond haar donkere, tot haar middel vallende haren onder aan haar nek losjes bijeen, maar desondanks viel het toch naar voren over haar gezicht. Haar lange witte schort met de donkere vegen verborg niet hoe goed haar donkergroene rok over haar heupen viel, maar hij had meer belangstelling voor wat ze aan het doen was. Nou, bijna net zoveel. Ze was bezig grof zwart poeder fijn te malen met een houten stamper die bijna net zo lang was als haar arm. Het poeder leek wel op wat hij binnen in een opengesneden vuurpijl had gezien, maar hij wist nog steeds niet wat erin ging. ‘Hoe dan ook,’ ging ze door zonder zijn grote belangstelling op te merken, ‘ik ga je geen Gildegeheimen verklappen. Dat zul je toch wel begrijpen?’

Mart kromp ineen. Hij had haar juist dagenlang bewerkt om dat te gaan doen, sinds een toevallig bezoek aan Valan Luca’s reizende beestenspul had onthuld dat ze hier in Ebo Dar was, en de hele tijd had hij gevreesd dat zij het Vuurwerkersgilde zou noemen. ‘Maar je bent geen Vuurwerker meer, weet je nog? Ze hebben je eruit... eh... je zei dat je het Gilde verlaten had.’ Het was niet de eerste keer dat hij overwoog om haar er fijntjes aan te herinneren dat hij haar eens gered had van vier Gildeleden die haar de keel hadden willen afsnijden. Dat soort zaken was voor de meeste vrouwen genoeg om je met kussen te overladen en je alles aan te bieden wat je maar wilde. Maar toen hij haar die keer redde, waren er geen kussen geweest en het was ook niet waarschijnlijk dat ze er nu mee zou beginnen. ‘Hoe dan ook,’ zei hij luchtig, ‘je hoeft je geen zorgen te maken over het Gilde. Hoelang heb je nu al nachtbloemen gemaakt? En niemand is langsgekomen om je regen te houden. Sterker nog, ik wed dat je nooit meer een andere Vuurwerker zult zien.’

‘Wat heb je gehoord?’ vroeg ze zacht, nog steeds met gebogen hoofd. De stamper draaide bijna niet meer in haar handen. ‘Zeg op.’ Zijn nekharen gingen bijna overeind staan. Hoe deden vrouwen dat toch? Je verborg elke aanwijzing en toch pikten ze regelrecht nét datgene op wat je wenste te verbergen. ‘Hoe bedoel je? Ik hoor dezelfde geruchten als jij, mag ik aannemen. De meeste over de Seanchanen.’

Ze draaide zich zo snel om dat haar haren als een dorsvlegel rondzwaaiden. Ze greep de zware stamper met beide handen beet en zwaaide ermee boven haar hoofd. Ze was misschien tien jaar ouder dan hij, had grote donkere ogen en een kleine volle mond, die gewoon geschapen leek om ermee te kussen. Hij had er een paar keer aan gedacht. De meeste vrouwen werden wat meegaander na enkele zoenen. Nu had ze haar tanden ontbloot en ze zag eruit alsof ze elk ogenblik zijn neus eraf kon bijten. ‘Zeg op!’ beval ze. ik dobbelde wat met een Seanchaan bij de haven,’ zei hij met tegenzin, en hield de opgeheven stamper zorgvuldig in het oog. Een man kon wat bluffen, wat opscheppen en dan wegkomen als de zaak niet al te ernstig was, maar een vrouw kon je in een bevlieging zo de schedel inslaan. En zijn heup deed pijn en was stijf van het lange zitten. Hij wist niet echt hoe snel hij van dat krukje kon opstaan, ik wilde niet degene zijn die je het vertelde, maar... Het Gilde bestaat niet meer, Aludra. Het Gildehuis in Tanchico is weg.’ Dat was het enige echte Gildehuis van het Gilde geweest. Het huis in Cairhien was al tijden verlaten, en voor de rest reisden Vuurwerkers slechts rond om voorstellingen te houden voor heersers en edelen. ‘Ze weigerden de Seanchaanse soldaten binnen te laten. Er werd gevochten, ze probeerden het in ieder geval, toen de soldaten zich toch een weg naar binnen baanden. Ik weet niet wat er gebeurd is – misschien had een soldaat een lantaarn bij zich op een plek waar dat niet zou mogen – maar het halve gebouw ontplofte, voor zover ik het begrepen heb. Misschien heeft men overdreven. Maar de Seanchanen geloofden dat een Vuurwerker de Ene Kracht gebruikte en ze...’ Hij zuchtte en probeerde zijn stem zo meelevend mogelijk te maken. Bloed en as, hij had haar dit niet willen vertellen! Ze staarde hem nog steeds aan en ze had nog steeds die rottige knuppel klaar om zijn schedel in te slaan. ‘Aludra, de Seanchanen dreven iedereen uit het Gildehuis die nog in leven was bijeen, plus een paar Vuurwerkers uit Amador, en iedereen daar in de buurt die ook maar op een Vuurwerker léék, en ze hebben ze allemaal da’covale gemaakt. Dat betekent...’ ik weet wat dat betekent!’ zei ze woest. Ze liet de stamper weer in de grote vijzel vallen en begon zo verwoed te stampen dat hij bang was dat het ding zou ontploffen, als dat inderdaad het poeder was dat in vuurwerk gestopt werd. ‘Dwazen!’ gromde ze boos, en stampte woedend in de vijzel. ‘Grote, blinde dwazen! Bij de machtigen moet je je nek een beetje buigen en doorlopen, maar dat wilden ze niet inzien!’ Ze snoof en veegde haar wangen met de rug van haar hand af. ‘Je hebt het mis, jonge vriend. Zolang er nog een Vuurwerker in leven is, leeft het Gilde, en ik, ik leef nog steeds!’ Ze keek hem nog steeds niet aan en veegde opnieuw haar wangen met haar hand af. ‘En wat zou je doen als ik je het vuurwerk gaf? Het met een katapult naar de Seanchanen gooien, mag ik aannemen?’ Haar gesnuif zei wat ze daarover dacht.