Выбрать главу

Olver gaapte hem ongelovig aan en Mart zuchtte. De knul had een handvol ‘ooms’ die voor hem zorgden, en elk had, behalve Mart dan, een slechte invloed.

Thom en Beslan brachten Olvers grijns weer te voorschijn. Hij trok zijn hand los en rende lachend voor hem uit. Thom leerde hem jongleren en hoe hij op de harp en de fluit kon spelen. Beslan leerde hem hoe je een zwaard moest gebruiken. Zijn andere ‘ooms’ gaven hem andere lessen, waarbij het om opmerkelijk verschillende kunsten ging. Als Mart zijn krachten weer terugkreeg, was hij van plan de jongen te leren hoe je een vechtstok en de Tweewaterse boog moest gebruiken. Wat de jongen leerde van Chel Vanin of van de Roodarmen wilde Mart niet weten.

Toen Mart dichterbij kwam, rees Luca op uit zijn fraaie stoel. Zijn stompzinnige glimlach vervaagde tot een zure grijns. Hij bekeek Mart van top tot teen en zwiepte zijn belachelijke mantel met een zwierig gebaar om zich heen en kondigde met luide stem aan: ‘Ik ben een drukbezet man. Ik heb veel te doen. Het is mogelijk dat ik weldra de eer heb om hoogvrouwe Suroth voor een besloten voorstelling te ontvangen.’ Zonder verdere woorden schreed hij weg, waarbij zijn opgesmukte mantel als gevolg van de windstoten als een banier achter hem aanwapperde.

Mart hield zijn mantel met beide handen vast. Een mantel moest warmte geven. Hij had Suroth in het paleis gezien, hoewel nooit van dichtbij. Maar dat was dichtbij genoeg, vond hij. Hij kon zich niet voorstellen dat ze enige tijd zou vrijmaken om Valan Luca’s Grote Reizende Voorstelling en Schitterende Vertoning van Wereldwonderen en Verbazingwekkende Zaken te bezoeken. Deze titel stond in voet-hoge, rode letters te lezen op het doek dat russen twee hoge palen bij de toegang hing. Als ze wel zou komen, zou ze waarschijnlijk de leeuwen opvreten. Of ze de doodsschrik op het lijf jagen. ‘Heeft hij er al mee ingestemd, Thom?’ vroeg hij zacht, terwijl hij Luca nakeek.

‘We kunnen met hem meereizen als hij Ebo Dar verlaat,’ zei Thom. ‘Tegen een prijs.’ Hij snoof en blies zijn snorpunten op en streek geërgerd met zijn hand door zijn witte haar. ‘Voor wat hij wil hebben, zouden we moeten eten en slapen als vorsten, maar hem kennende betwijfel ik dat. Hij gelooft niet dat we misdadigers zijn, aangezien we nog steeds vrij rondlopen, maar hij weet dat we ergens voor op de loop zijn, anders zouden we wel op een andere manier reizen. Helaas is hij niet van plan om eerder te vertrekken dan de lente. Op zijn yroegst.’

Mart overwoog een paar welgemeende vloeken. Niet tot aan de lente. Het Licht mocht weten wat Tylin tot aan de lente met hem zou uithalen. Of wat ze hem zou laten doen. Misschien was het niet zo’n slecht idee om Vanin paarden te laten stelen. ‘Geef me meer tijd voor de dobbelstenen,’ zei hij, alsof het niets uitmaakte. ‘Als hij zoveel vraagt als jij zegt, moet ik mijn beurs gaan spekken. Je kunt één ding zeggen van Seanchanen: ze schijnen het niet erg te vinden om te verliezen.’ Hij probeerde voorzichtig te zijn en zijn geluk niet al te lang te beproeven, maar zelfs toen hij iets te lang had doorgespeeld, had niemand hem gedreigd zijn keel door te snijden wegens bedrog. Tenminste niet sinds hij na zijn herstel weer op eigen benen naar buiten kon. Aanvankelijk had hij gedacht dat het zijn geluk was, of misschien dat het ta’veren zijn eindelijk iets opbracht waar je iets aan had.

Beslan keek hem ernstig aan. Het was een donkere, slanke jongeman, iets jonger dan Mart, van een onbezorgde liederlijkheid toen Mart hem voor het eerst ontmoette. Hij was altijd in voor een kroegentocht, vooral als het eindigde met vrouwen of een gevecht. Maar na de komst van de Seanchanen was hij ernstiger geworden. Voor hem betekende dat echt heel ernstig. ‘Mijn moeder zal niet blij zijn als ze te weten komt dat ik haar speeljongen help wegkomen uit Ebo Dar, Mart. Ze zal me uithuwelijken aan iemand die scheel kijkt en een snor heeft als een Taraboonse voetsoldaat.’ Zelfs na al die maanden kromp Mart nog steeds ineen. Hij kon er maar niet aan wennen dat Tylins zoon het prima vond wat zijn moeder met Mart uitspookte. Nou ja, Beslan geloofde inderdaad dat zij ietwat te bezitterig was geworden – een beetje maar, hoor! – maar dat was de enige reden waarom hij bereid was te helpen. Beslan beweerde dat zijn moeder Mart gewoon nodig had, zodat ze de afgedwongen overeenkomsten met de Seanchanen van zich af kon zetten! Soms wenste Mart dat hij terug was in Tweewater, waar je tenminste wist hoe andere mensen dachten.

‘Kunnen we nu teruggaan naar het paleis?’ vroeg Olver. Het was meer een eis dan een vraag, ik heb leesles bij vrouwe Riselle. Ze laat mijn hoofd op haar borst rusten als ze me voorleest.’

‘Een opmerkelijke prestatie, Olver,’ zei Thom, en streek over zijn snor om een glimlach te verbergen. Hij leunde naar de anderen over en sprak zachter om de jongen het niet te laten horen. ‘Die vrouw laat mij eerst harp spelen voor ik mijn hoofd op dat prachtige kussen mag leggen.’

‘Riselle zorgt er eerst voor dat iedereen haar heeft vermaakt,’ grinnikte Beslan met een wetende grijns, en Thom staarde hem in opperste verbazing aan.

Mart kreunde. Deze keer was het niet zijn been of het feit dat iedere man in Ebo Dar, behalve Mart Cauton, de boezem mocht kiezen waarop hij het hoofd kon laten rusten. Die rottige dobbelstenen waren zojuist opnieuw in zijn hoofd aan het rollen. Er kwam iets slechts zijn kant op. Iets heel slechts.

16

Een onverwachte ontmoeting

De weg terug naar de stad was iets meer dan twee span. De wandeling over lage heuvels liet in eerste instantie de pijn uit Marts been verdreven, maar bracht die weer terug voor hij boven op een helling Ebo Dar zag liggen. De stad lag achter buitengewoon dikke, witgepleisterde muren, die geen blijde tijdens een beleg ooit kapot had kunnen slaan. Binnen die muren was de stad ook wit, hoewel sommige spitskoepels smalle kleurbanen hadden. De witgepleisterde gebouwen, de witte spitsen en torens en de witte paleizen blonken zelfs op een grijze winterdag. Hier en daar was het bovenste stuk van een toren verdwenen en op sommige plaatsen waren gaten te zien, omdat het gebouw dat er ooit had gestaan, was vernietigd. Maar al met al had de Seanchaanse verovering maar weinig schade veroorzaakt. Ze waren te snel en te sterk geweest, en hadden de stad al in handen voordat er slechts wat verspreid verzet kon worden georganiseerd.

De handel had verrassend genoeg maar weinig geleden onder de val van de stad. De Seanchanen moedigden de handel aan, hoewel kooplieden en scheepskapiteins en hun bemanningen verplicht waren een eed te zweren om de Voorlopers te gehoorzamen, de Terugkeer af te wachten en Zij die thuiskomen te dienen. In de praktijk betekende dit dat je over het algemeen je gewone leven kon voortzetten, dus stribbelden weinigen tegen. Elke keer als Mart keek, was de brede haven gevuld met nog meer schepen. Het scheen hem toe dat hij deze middag van Ebo Dar zelf naar de overkant had kunnen lopen, naar de Rahad, een onguur stadsdeel dat hij liever nooit meer wilde bezoeken. In de dagen nadat hij er voor het eerst in geslaagd was om weer te lopen, was hij vaak naar de havens gegaan om uit te kijken. Niet naar de schepen met de geribbelde zeilen of die van het Zeevolk, die door de Seanchanen opnieuw werden opgetuigd en voorzien van een eigen bemanning, maar naar een vaartuig dat de Gouden Bijen van Illian of het Zwaard en de Hand van Arad Doman of de Afnemende Manen van Tyr voerde. Hij deed het niet langer meer. Vandaag keek hij nauwelijks naar de haven. De dobbelstenen die in zijn hoofd tolden, donderden als onweer. Wat er ook stond te gebeuren, hij betwijfelde of hij het aangenaam zou vinden. Dat deed hij zelden als de stenen een waarschuwing gaven. Wagens en karren verlieten in een gestage stroom de stad door de grote, overwelfde toegangspoort, terwijl mensen te voet zich naar binnen probeerden te worstelen en er buiten de muren een grote rij wagens en ossenkarren stond te wachten om binnen te komen. Er zat bijna geen beweging in. Iedereen die te paard naar buiten kwam, was een Seanchaan. Ze hadden een huid zo donker als die van het Zeevolk of zo licht als die van een Cairhienin. Ze vielen op en niet alleen omdat ze te paard waren. Sommige mannen droegen wijde broeken en vreemd krappe jassen met hoge, nauwe kragen tot aan de kin en rijen blinkende knopen op de borst. Of ze droegen wapperende, geborduurde jassen die bijna net zo lang waren als een vrouwenrok. Deze laatsten waren van het Bloed, evenals de vrouwen in merkwaardig gesneden rijkleding met wijde mouwen die tot aan de stijgbeugels reikten. Aan hun voeten droegen ze fleurige laarzen. Enkelen droegen kanten sluiers die slechts hun ogen vrijlieten, opdat hun gezicht niet blootgesteld werd aan de laaggeborenen. De meeste ruiters droegen echter felgekleurde wapenrustingen van elkaar overlappende platen. Sommige soldaten waren ook vrouwen, hoewel je het verschil niet kon zien door de geschilderde helmen die leken op koppen van reusachtige insecten. Er was gelukkig niemand die het zwart-en-rood van de Doodswachtgarde droeg. Zelfs de andere Seanchanen leken zenuwachtig te zijn als de gardisten in de buurt waren, en dat was voor Mart genoeg om met een grote boog om hen heen te lopen.