Выбрать главу

Hoe dan ook, geen van de Seanchanen keek naar de drie mannen en een jongen die langzaam naast de rij wagens en karren naar de stad liepen. Nou ja, de mannen liepen langzaam en Olver huppelde mee. Door Marts been gingen ze niet zo snel, maar hij probeerde voor de anderen te verbergen hoeveel hij op zijn stok moest steunen. De dobbelstenen verkondigden gewoonlijk gebeurtenissen die hij maar ternauwernood zou overleven, zoals veldslagen of een gebouw dat instortte. Tylin. Hij vreesde wat er zou gaan gebeuren als de stenen deze keer zouden stilliggen.

Bijna alle wagens en karren die de stad uitreden, werden vergezeld door Seanchanen, die op de bok zaten of ernaast liepen. Ze waren eenvoudiger gekleed dan de ruiters en zagen er helemaal niet vreemd uit. De mensen die stonden te wachten om naar binnen te mogen, waren vaak stadsbewoners of boeren uit de omgeving. De mannen droegen lange vesten en de vrouwen hadden hun rokken aan een kant opgebonden om een in kousen gekleed been of kleurrijke onderrokken te laten zien. Hun wagens en karren werden door ossen getrokken. Hier en daar in de rij bevonden zich uitlanders, kooplieden met een kleine stoet door paarden getrokken wagens. In de winter was er in Ebo Dar meer handel dan verderop in het noorden, waar kooplieden zich over besneeuwde wegen moesten worstelen. Sommigen kwamen van ver. Een stevige Domani met een donker schoonheidsvlekje op haar bronskleurige wang reed voorop in een rij van vier wagens. Ze hield haar opwaaiende mantel om zich heen en schold een man uit die vijf wagens voor haar naast de voerman zat, een vettige kerel die zijn lange, dikke snor achter een Taraboonse sluier verborg. Zonder twijfel een concurrent. Een magere vrouw uit Kandor, met een grote parel in haar linkeroor en zilveren kettingen over haar borst, zat kalm in het zadel met een gehandschoende hand op de zadelknop. Misschien wist ze nog steeds niet dat haar grijze ruin en de paardenspannen voor haar wagens in beslag zouden worden genomen als ze eenmaal in de stad was. De Seanchanen hadden een op de vijf paarden van de inwoners afgenomen, en, om de handel niet af te schrikken, een op de tien van de uitlanders. Zeker, ze werden betaald, en in andere tijden zou het een redelijke prijs zijn geweest, maar nu was het bij lange na niet de prijs die de paarden bij de huidige vraag zouden opleveren. Mart merkte altijd paarden op, zelfs als hij aan andere dingen dacht. Een dikke Cairhienin in een jas die er net zo gewoon uitzag als de jassen die zijn voerlieden droegen, schreeuwde boos over de vertraging, en zijn fraaie roodbruine merrie danste zenuwachtig rond. De merrie was heel fraai gebouwd en zou waarschijnlijk naar een officier gaan. Wat ging er gebeuren als de dobbelstenen niet meer rondtolden?

De brede hoogpoorten naar de stad toe werden bewaakt. Sul’dam in hun met bliksemflitsen versierde blauwe kleding zochten zich met damane aan zilverkleurige lijnen een weg door de verkeersstromen. Een enkel paar was al voldoende om elke ordeverstoring de baas te kunnen, zelfs een vijandige aanval, maar dat was niet de enige reden voor hun aanwezigheid. In de eerste dagen na de val van Ebo Dar, toen hij nog steeds aan bed gekluisterd was, hadden de Seanchanen de stad op zijn kop gezet op zoek naar de vrouwen die zij marath’damane noemden, en nu zorgden ze ervoor dat er niet één de stad zou binnenkomen. Elke sul’dam had nog een lijn over de schouder voor het geval dat. Sul’dam en hun damane zochten ook de haven af en controleerden elk vaartuig, elk schip dat aankwam. Naast de brede hoogpoort stonden op een verhoging twintig voet hoge staken waarop de met teer bedekte, maar nog steeds herkenbare hoofden van een tiental mannen en twee vrouwen te zien waren. Al deze mensen waren in botsing gekomen met de Seanchaanse rechtspraak. Boven hen hing het teken van die rechtspraak, een afgeschuinde beulsbijl waarvan de schacht omwikkeld was door een wit koord met ingewikkelde knopen. Een bord onder elk hoofd gaf de misdaad aan die het hoofd op de staak had gebracht: moord, verkrachting, roof met geweld of een aanval op iemand van het Bloed. Kleinere misdaden leverden boetes of geselingen op, of maakten van iemand een da’covale. Niemand, ook niet de edelen, ontsnapte aan de rechtspraak van de Seanchanen. Van het Bloed zelf was niemand te zien — als een van hen een terechtstelling verdiende, werd hij teruggestuurd naar Seanchan of met een wit koord gewurgd – maar drie van de hoofden op de staken hadden aan een Seanchaan toebehoord. Twee borden waarop opstandigheid stond, hingen onder de hoofden van een voormalige Vrouwe der Schepen van de Atha’an Miere en van haar Meester der Klingen.

Mart was al zo vaak door de poort gelopen dat hij de tentoongestelde hoofden nauwelijks meer opmerkte. Olver huppelde mee en zong een rijmpje. Beslan en Thom liepen met hun hoofden dicht bij elkaar, en het enige dat Mart opving, waren Thoms woorden ‘een linke zaak’, maar het kon hem niet schelen waar ze het over hadden. Toen waren ze in de lange, schemerige tunnel die door de muur voerde, en het lawaai van de wagens die erdoorheen trokken, maakte het luisteren onmogelijk, zelfs als hij gewild had. Thom en Beslan bleven dicht tegen de muur aan doorlopen, een behoorlijk eind weg van de wagenwielen, terwijl ze zacht mompelden. Olver sprong achter hen aan, maar toen Mart het daglicht weer instapte, liep hij tegen Thom op voor hij in de gaten kreeg dat iedereen vlak voor de tunneltoegang stil stond. Hij wilde een bitse opmerking maken, toen hij plotseling zag waar iedereen naar stond te staren. Mensen achter hem in de tunnel duwden hen opzij, maar ook hij bleef kijken. De straten van Ebo Dar waren altijd overvol, maar niet zoals nu. Het leek of een dam was gebroken en een vloed van mensen de stad was ingestroomd. De straat was over de hele breedte volgepakt. Mensen stroomden om kudden levende have heen, diersoorten die hij nog nooit eerder gezien had. Gevlekte witte koeien met lange, omhoog stekende hoorns, lichtbruine geiten met heel fijn haar dat tot aan het plaveisel viel, schapen met vier hoorns. Het leek wel of elke straat en elke zijstraat waren volgepropt met mensen. Wagens en karren zochten zich stapvoets een weg door de massa, als ze al bewogen, en het geschreeuw en het gevloek van de voerlieden verdronken bijna in het lawaai van stemmen en dieren. Mart kon geen woorden onderscheiden maar wel tongvallen. Trage, lijzige Seanchaanse tongvallen. Sommigen stootten de mensen naast hen aan en wezen naar hem, in zijn fel gekleurde kleren. Ze gaapten en wezen naar alles, alsof ze nog nooit een herberg of een messenwinkel gezien hadden. Hij gromde binnensmonds en trok de brede hoedrand over zijn ogen. ‘De Terugkeer’, mompelde Thom, en als Mart niet bij zijn schouder had gestaan, had hij het niet kunnen horen. ‘Terwijl wij zaten te luieren bij Luca, is de Corenne aangekomen.’

Mart had gedacht dat deze Terugkeer, waar de Seanchanen onophoudelijk over spraken, zoiets als een inval van een leger zou zijn. Een voerman schreeuwde en zwaaide met zijn lange zweep naar een paar jongens die op de zijkant van de wagen waren geklommen om rond te snuffelen tussen een soort wijnranken die in houten tonnetjes met aarde zaten. Op een andere wagen stond een groot druk-raam, en weer een andere, die er net in was geslaagd de tunnel in te draaien, voerde de geur van hop mee en iets dat op brouwersvaten leek. Op sommige wagens waren kratten gestapeld met vreemd gekleurde kippen, eenden en ganzen — het pluimvee van een boer. Ja, het was een leger, alleen niet het soort dat hij zich had voorgesteld. Dit soort leger zou moeilijker te bestrijden zijn dan soldaten. ‘Het Licht-nog-aan-toe, moeten we hier doorheen!’ mopperde Beslan met afkeer, en ging op zijn tenen staan om over de menigte heen te kijken. ‘Hoe ver nog voor we een doorgang vinden?’ Toen ze langs de haven waren gelopen, had Mart er niet echt op gelet, maar nu herinnerde hij zich het weer: de haven was propvol schepen geweest. Misschien wel twee of drie keer zoveel schepen als toen ze bij het eerste ochtendlicht naar Luca’s kamp waren vertrokken. Een behoorlijk aantal was nog steeds onder zeil aan het afloeven. Betekende dat dat er buitengaats nog meer lagen te wachten? Licht! Hoeveel hadden er sinds de ochtend hun lading kunnen lossen? Hoeveel moesten er nog gelost worden? Hoeveel mensen konden er op dat aantal schepen vervoerd zijn? En waarom waren ze hier naartoe gekomen in plaats van naar Tanchico? Een huivering liep langs zijn rug. Misschien kwamen er nog meer.