Выбрать главу

‘Je kunt het beste door sloppen en steegjes gaan.’ zei hij, en verhief zijn stem zodat ze hem over de maalstroom van geluiden konden horen. ‘Anders kom je nooit voor de avond bij het paleis.’ Beslan keek hem fronsend aan. ‘Ga je niet met ons mee? Mart, als je opnieuw probeert om vervoer op een schip te kopen... Ditmaal kom je er niet zo gemakkelijk vanaf en dat weet je.’ Mart keek de zoon van de koningin even nijdig aan. ‘Ik wil alleen maar wat wandelen,’ loog hij. Zo gauw hij weer in het paleis was teruggekeerd, zou Tylin hem weer gaan vertroetelen. Dat zou op zich nog niet zo erg zijn geweest, ware het niet dat het haar niet kon schelen wie haar zag als ze zijn wangen streelde en lieve woordjes in zijn oor fluisterde. Bovendien, stel dat de dobbelstenen in zijn hoofd zouden stoppen als hij bij haar was? Bezitterig was deze dagen nauwelijks het woord om Tylin te beschrijven. Bloed en as, de vrouw kon wel besloten hebben om hem te trouwen! Dat wilde hij niet, nog niet. Hij wist met wie hij zou trouwen, en dat was niet met Tylin Quintara Mitsobar. Alleen... wat kon hij ertegen doen als ze anders besliste?

Ineens herinnerde hij zich Thoms gemurmel over ‘een linke zaak’. Hij kende Thom en hij kende Beslan. Olver gaapte naar de Seanchanen zoals zij stonden te gapen naar alles om hen heen. Hij wilde wegspringen om beter te kunnen kijken, maar Mart greep hem nog net op tijd bij zijn schouder en duwde hem protesterend in Thoms handen. ‘Neem de jongen mee naar het paleis en geef hem zijn lessen als Riselle met hem klaar is. En vergeet maar wat voor waanzin jullie aan het bedenken waren. Anders zouden die hoofden van jullie straks nog weleens buiten de poort te zien zijn, met dat van Tylin ernaast.’ En zijn eigen hoofd niet te vergeten! De twee mannen staarden hem uitdrukkingsloos aan, waardoor zijn achterdocht alleen maar werd bevestigd.

‘Misschien zou ik met je mee moeten gaan,’ zei Thom ten slotte. ‘We kunnen wat praten. Je hebt opmerkelijk veel geluk, Mart, en je hebt een zekere smaak voor, laten we zeggen, het avontuur.’ Beslan knikte. Olver kronkelde in Thoms greep en probeerde naar al die vreemde mensen tegelijk te kijken. Hij interesseerde zich niet voor wat volwassenen met elkaar bespraken.

Mart gromde zuur. Waarom wilde men toch altijd dat hij de held uithing? Vroeg of laat zou hij er in blijven, ik hoef nergens over te praten. Ze zijn hier, Beslan. Als je ze er vanmorgen al niet van kon weerhouden om binnen te komen, zul je nu zeker niet in staat zijn om ze eruit te werken. Rhand rekent met hen af, als we de geruchten mogen geloven.’ Opnieuw wentelden de kleuren door zijn hoofd en ze onderdrukten even het geluid van de dobbelstenen. ‘Je hebt die rottige eed afgelegd om op de Terugkeer te wachten; dat hebben we allemaal gedaan.’ Een weigering zou tot gevolg hebben gehad dat ze in de ketens waren geslagen en in de haven moesten werken of de kanalen van de Rahad schoon moesten maken. Hij zag het dus helemaal niet als een eed. ‘Wacht op Rhand.’ Opnieuw verschenen de kleuren en verdwenen. Bloed en as! Hij moest gewoon niet meer denken aan... aan bepaalde mensen. Weer draaiden de kleuren. ‘Het kan nog steeds goed komen, als je je tijd gunt.’

‘Je begrijpt het niet, Mart,’ zei Beslan woest. ‘Moeder zit nog steeds op de troon, en Suroth heeft haar gezegd dat ze over heel Altara zal heersen, niet alleen over dat kleine gebied rond Ebo Dar, en misschien wel meer, maar daarvoor moest moeder plat op haar gezicht liggen en trouw zweren aan een vrouw aan de overkant van de Arythische Oceaan. Suroth zegt dat ik iemand van het Bloed moet huwen en de zijkant van mijn hoofd moet scheren, en moeder luistert. Suroth doet net alsof ze gelijken zijn, maar mijn moeder móét luisteren als Suroth spreekt. Wat Suroth ook zegt, Ebo Dar is niet meer van ons, en de rest ook niet. Misschien kunnen we de Seanchanen niet met wapens verjagen, maar we kunnen het land wel zo ophitsen dat ze er geen greep op krijgen. De Witmantels zijn erachter gekomen. Vraag hun wat ze met “Altaraanse Maan” bedoelen.’ Mart kon dat wel raden zonder het aan iemand te hoeven vragen. Hij beet op zijn tong en weerhield zich ervan om te zeggen dat er meer Seanchaanse soldaten in Ebo Dar waren dan Witmantels in Altara tijdens de Witmantel-oorlog. Een straat vol Seanchanen was geen plaats voor loslippigheid, ook al leken de meesten boeren en ambachtslieden te zijn. ik begrijp dat je je zinnen erop hebt gezet om je hoofd op een staak te krijgen,’ zei hij zacht. Zo zacht als hij kon en toch gehoord te worden boven het lawaai van de stemmen, het geloei van het vee en het gegak van de ganzen. ‘Je weet toch dat ze Hoorders hebben. Die stalknecht daar kan er een zijn, of die magere meid met dat pak op haar rug.’

Beslan keek zó woest naar het stel waar Mart naar had gewezen dat ze – als ze echt Hoorders wraren geweest – hem daarvoor al hadden kunnen opbrengen. ‘Misschien zing je een ander liedje als ze Andor bereiken,’ gromde hij. Hij drong zich de menigte in en schoof iedereen opzij die hem in de weg stond. Mart zou niet verbaasd hebben opgekeken als er een gevecht was uitgebroken. Hij vermoedde dat Beslan er een zocht.

Thom draaide zich om en wilde met Olver achter Beslan aan, maar Mart greep hem bij de mouw. ‘Probeer hem wat te laten afkoelen, Thom. En koel zelf ook wat af, als je toch met hem bezig bent. Ik dacht dat je er nu onderhand wel genoeg van zou hebben om je blind te scheren.’

‘Mijn hoofd is koel, en ik zal proberen het zijne af te koelen,’ zei Thom droog. ‘Maar hij kan niet zo maar stilzitten; het is zijn land.’ Er gleed een vage glimlach over zijn verweerde gezicht. ‘Je zegt dat je geen gevaar zult zoeken, maar dat is precies wat je nu doet. Daarmee vergeleken is wat Beslan en ik proberen, een avondwandelingetje in de tuin. Met jou in de buurt is zelfs de barbier blind. Kom, jongen,’ zei hij, en zwaaide Olver op zijn schouders. ‘Riselle laat misschien je hoofd niet op haar boezem rusten als je te laat bent.’ Mart keek hem fronsend na toen hij wegliep. Wat bedoelde Thom?

Hij nam nooit risico’s, tenzij die hem opgedrongen werden. Nooit. Hij keek even besmuikt naar de magere vrouw en naar de stalknecht met mest aan zijn laarzen. Licht, het hadden Hoorders kunnen zijn. Iedereen kon een Hoorder zijn. Deze gedachte zorgde ervoor dat hij een prikkeling tussen zijn schouderbladen voelde, alsof hij werd gadegeslagen.

Voetje voor voetje baande hij zich een weg door de menigte. Hoe dichter hij bij de haven kwam, hoe voller de straten leken te worden. De kraampjes op de kanaalbruggen hadden hun luiken gesloten, de venters hadden hun dekens opgepakt, en de potsenmakers en tuimelaars die gewoonlijk op elke straathoek de mensen bezighielden, zouden geen ruimte voor een voorstelling hebben gehad. Er waren zoveel Seanchanen; te veel Seanchanen. En een op de vijf was een soldaat. Dat was zelfs zonder wapenrusting duidelijk te zien aan de harde ogen en de stand van de schouders, die zo verschilden van een boer of een handwerksman. Nu en dan liep er een groepje sul’dam en damane door de straat; de mensen weken voor hen uiteen, waardoor er een kleine vrije ruimte ontstond, zelfs meer ruimte dan de soldaten kregen. Dat was niet vanwege angst, tenminste niet door de Seanchanen. De mensen bogen eerbiedig voor de vrouwen en glimlachten waarderend. Beslan was gek. De Seanchanen zouden door niemand verdreven kunnen worden, behalve door een leger Asha’man. Zoals het leger dat volgens een gerucht de vorige week in het oosten tegen hen had gevochten. Of eentje dat gewapend was met de geheimen van het Vuurwerkersgilde. Wat moest Aludra in Lichtsnaam toch met een klokkengieter?