Выбрать главу

Hij zorgde er terdege voor niet te dicht in de buurt te komen van de haven. Hij had zijn lesje geleerd. Eigenlijk wilde hij dobbelen, liefst een spel dat tot diep in de nacht duurde. Bij voorkeur zo laat dat Tylin al sliep als hij terugkwam. Ze had zijn dobbelstenen verstopt met de smoes dat ze niet van gokken hield. Maar ze had meegedaan toen hij haar had omgepraat om te wedden om zijn vrijlating, maar dat was toen hij het bed had moeten houden. Gelukkig kon je altijd wel aan dobbelstenen komen, en met zijn geluk was het trouwens altijd beter als hij de stenen van de ander gebruikte. Helaas, toen hij eenmaal ontdekte dat ze haar belofte om hem te laten gaan niet wilde inlossen – de vrouw deed net of ze niet wist waar hij het over had! – had hij de stenen gebruikt om haar een koekje van eigen deeg te geven. Een ernstige misrekening, hoe leuk het toen ook was geweest. Ze was daarna twee keer zo erg geworden als eerst.

De taveernes en gelagkamers die hij betrad, waren al even vol als de straten. Er was nauwelijks ruimte om een beker op te tillen, laat staan om dobbelstenen te werpen. Overal zag hij lachende en zingende Seanchanen en somber kijkende Ebodaranen, die de Seanchanen in stilte misnoegd bekeken. Hij vroeg de herbergiers en de schenksters of er een kans was dat ze ergens een klein huurkamertje hadden, maar allen schudden het hoofd. Hij had eigenlijk niet anders verwacht. Ook vóór de komst van de nieuwkomers was er niets vrij geweest. En hij begon zich al even somber te voelen als de buitenlandse kooplieden die hij in hun wijnglas zag turen met de vraag hoe ze zonder paarden hun koopwaar de stad uit konden krijgen. Hij had genoeg goud om Luca te betalen, maar dat zat allemaal in een kist in het Tarasinpaleis, en hij ging niet proberen om in één keer genoeg mee te nemen, niet nadat paleisdienaren hem uit de haven terug hadden gedragen, als een hert dat niet aan de jacht was ontkomen. En hij had alleen maar met de schippers gepraat. Als Tylin erachter kwam – en dat zou ze – dat hij het paleis probeerde te verlaten met meer goud dan hij nodig had voor een avondje gokken... O, nee! Hij moest een kamer vinden, een zolderkamertje in een herberg, niet groter dan een klerenkast, wat dan ook, waar hij elke keer wat goud kon verbergen, of hij moest zijn geluk met de dobbelstenen beproeven; het was het een of het ander. Maar geluk of geen geluk, hij besefte dat hij vandaag geen van beide zou vinden. En die stomme dobbelstenen in zijn hoofd bleven maar rollen.

Hij bleef nergens erg lang, en niet alleen vanwege het ontbreken van een spel of een kamer. Zijn bonte, fel gekleurde kleren die een ketellapper zouden doen beschamen, trokken de aandacht. Sommige Seanchanen dachten dat hij er was voor vermaak en wilden hem betalen om te zingen! Een paar keer gaf hij bijna toe, maar als ze hem eenmaal hadden gehoord, zouden ze hun geld teruggevraagd hebben. Een paar Ebodaranen met lange, kromme messen in hun riemen en vol boosheid die ze niet op de Seanchanen konden botvieren, dachten dat ze die dwaas wel te pakken konden nemen. Het enige dat hij nog nodig had om op een hofnar te lijken was een beschilderd gezicht. Zodra hij zag dat dat soort kerels hem zat op te nemen, ging hij de drukke straat weer op. Hij had op een pijnlijke manier geleerd dat hij nog niet de kracht had voor een gevecht, en hij werd er natuurlijk niet beter van als het hoofd van de man die hem gedood had, naast de stadspoort werd gespietst. Mart rustte uit waar hij maar kon, op een lege ton die was achtergelaten naast een steeg, op een bank voor een herberg waar zowaar nog een plaatsje vrij was, op een stenen trap, tot de eigenaar naar buiten kwam en zijn hoed met een bezemzwaai van zijn hoofd sloeg. Zijn maag was zo leeg als de herbergen vol waren en hij meende dat iedereen naar zijn opzichtige kleren gaapte. De vochtige kou sijpelde zijn botten binnen, en de enige dobbelstenen die hij vond, waren de stenen die nog steeds in zijn hoofd kletterden met een geluid als van paardenhoeven. Hij dacht niet dat ze ooit eerder zo luid hadden geklonken.

‘Er zit niks anders op dan terug te gaan en het stomme speeltje van de koningin te zijn!’ gromde hij, en gebruikte zijn stok om op te staan van een kapot houten krat aan de kant van de straat. Een paar voorbijgangers keken alsof hij inderdaad al een beschilderd gezicht had. Hij negeerde hen. Ze waren zijn aandacht niet waard. Door de manier waarop ze naar hem keken, zouden ze het verdiend hebben om met een stok op het hoofd te worden geslagen, maar hij deed het niet.

Hij besefte dat de straten nog even vol waren als eerder op de dag, en als hij zich weer door die enorme massa moest werken, was hij pas na donker terug bij het paleis. Misschien was Tylin tegen die tijd al wel in slaap gevallen. Misschien. Zijn maag knorde, bijna luid genoeg om de dobbelstenen te overstemmen. Ze kon ook de keuken opdracht gegeven hebben om hem geen eten te geven als hij te laat was.

Tien passen lang deed hij moeite door de menigte heen te komen, tot hij een smal, donker steegje in kon slaan. Er was geen plaveisel. Het witte pleisterwerk op de vensterloze muren was afgebladderd en op veel plaatsen waren de bakstenen zichtbaar. De lucht was een en al stank van afval, en hij hoopte dat het zuigende geluid onder zijn laarzen modder was, hoewel het een afgrijselijke geur verspreidde. Het steegje was helemaal verlaten, waardoor hij flink kon doorstappen. Of wat er deze dag voor doorging. Hij kon bijna niet wachten op de dag dat hij weer een paar span zonder pijn kon wandelen, zonder te hijgen en zonder te hoeven leunen op een stok. Kronkelsteegjes, waarvan de meeste zo smal waren dat zijn schouders de muren aan beide kanten raakten, liepen kriskras als een doolhof door de stad. Het was gemakkelijk om de weg kwijt te raken als je die niet kende. Hij sloeg geen enkele keer de verkeerde weg in, zelfs niet als een nauwe kronkelsteeg zich plotseling splitste in drie of vier steegjes die allemaal min of meer in dezelfde richting schenen te kronkelen. Er waren nogal wat momenten in Ebo Dar geweest waarop hij blikken had moeten ontwijken, en hij kende deze straatjes als zijn eigen broekzak. Toch had hij vreemd genoeg het gevoel dat hij gadegeslagen werd. Maar waarschijnlijk zou hij dat gevoel wel blijven houden zolang hij die stomme kleren droeg.

Af en toe moest hij zich door een massa mensen en dieren heen worstelen als hij van de ene steeg naar de andere wilde, of hij moest zich een weg banen over een brug die uit een dikke muur van mensen leek te bestaan. Hij bereikte het paleis in de tijd die het hem anders gekost zou hebben om drie straten ver te komen. Hij haastte zich door een schemerige doorgang tussen een goedverlichte herberg en een gesloten winkel van lakdoosjes en vroeg zich af wat er nog in de keuken te krijgen zou zijn. Het steegje was breder dan de meeste en breed genoeg voor drie man naast elkaar. De steeg kwam uit op het Mol Hara Plein, bijna recht voor het Tarasinpaleis. Daar woonde Suroth, en de koks hadden zichzelf overtroffen nadat ze het hele stel na haar eerste maaltijd had laten geselen. Misschien waren er oesters met room en inktvis met pepers. Hij had nog geen tien passen gedaan in de schaduwsteeg toen zijn voet op iets stapte wat geen zuigend geluid maakte en vloekend gleed hij uit in de ijskoude modder. Op het laatste moment gooide hij zich opzij, zodat hij niet op zijn zere been terechtkwam. IJskoude vloeistof drong onmiddellijk door zijn jas heen. Hij hoopte dat het water was.

Hij gromde opnieuw toen een stel laarzen op zijn schouder belandde. De kerel gleed vloekend van hem af en gleed door de modder verder de steeg in. Hij zakte door een knie en slaagde er maar net in om zich staande te houden tegen de zijmuur van de taveerne, anders was hij plat voorover gevallen. Marts ogen waren gewend geraakt aan het vage licht. Het was genoeg om een magere, moeilijk te beschrijven man te zien. Een man met iets als een groot litteken op de wang. Maar geen man. Een wezen dat hij met de blote hand de keel van zijn vriend had zien openrijten en dat een mes uit zijn eigen borst had getrokken om het terug te werpen. En dat ding zou zomaar vlak voor hem zijn gesprongen als hij niet gestruikeld was. Misschien was dat beetje ta’veren in zijn voordeel, het Licht zij dank! Dit alles flitste door hem heen in de tijd die het de gholam kostte om zich staande te houden tegen de muur en zijn kop om te draaien om hem woedend aan te staren.