Выбрать главу

De drie Seanchanen waren al verdwenen toen hun paarden de stallen in werden geleid. Wel zagen ze ongeveer twintig sul’dam, die hun damane als avondoefening in een grote kring over de binnenplaats lieten rondlopen. Bijna de helft van de in grijs geklede vrouwen was donker gekleurd, zonder de sieraden die ze als windvindsters hadden gedragen. Er waren er nog meer in het paleis en elders; de Seanchanen hadden talloze Zeevolkschepen gekaapt die er niet in geslaagd waren weg te komen. De meeste damane hadden een misnoegde of helemaal geen gezichtsuitdrukking, maar zeven of acht staarden voor zich uit, verloren en verward, en nog steeds ongelovig. Elk had een in Seanchan geboren damane naast zich, die haar hand vasthield of een arm om haar heen had geslagen, en die glimlachte of haar iets toefluisterde onder de goedkeurende blikken van de vrouwen met de armbanden die met zilverkleurige halsbanden waren verbonden. Enkele verdwaasde vrouwen klampten zich vast aan de damane die met hen meeliep, alsof zij een reddingslijn was. Ook zonder natte kleren zou Mart hebben gehuiverd. Hij probeerde Noal snel over de binnenplaats mee te trekken, maar toen ze langs de kring stapten, kwam net een damane voorbij die geen Seanchaanse was en ook niet tot het Zeevolk behoorde. Ze liep aan de lijn van een mollige, grijzende sul’dam, een olijfkleurige vrouw die voor een Altaraanse moeder had kunnen doorgaan. Een strenge moeder met een onhandelbaar kind, zoals ze naar de haar toevertrouwde damane keek. Teslyn Baradon was dikker geworden na anderhalve maand Seanchaanse gevangenschap, maar haar leeftijdloze gezicht zag er nog steeds uit alsof ze drie keer per dag doorns als eten kreeg. Ze liep gedwee aan de a’damlijn en gehoorzaamde zonder aarzeling aan elk gemompelde bevel van de sul’dam. Ze stond stil en boog heel diep voor hem en voor Noal. Heel even flitsten ogen vol haat naar hem toe, voor zij en haar sul’dam hun rondje over het binnenplein vervolgden. Gedwee, gehoorzaam. Hij had damane gezien, onder wie Teslyn, die op dit binnenhof werden neergeslagen en afgeranseld tot ze jankten, omdat ze zich verzetten. Ze had hem geen dienst bewezen, en misschien wel een paar slechte, maar dit wenste hij haar niet toe.

‘Beter dan dood,’ mompelde hij, en liep door. Teslyn was een harde, die waarschijnlijk voortdurend ontsnappingsplannen maakte, maar die hardheid kon je slechts tot een bepaald punt opbrengen. De Vrouwe der Schepen en haar Meester der Klingen waren zonder een kik te geven gestorven, maar het had hen niet gered van de brandstapel.

‘Meen je dat?’ vroeg Noal afwezig, terwijl hij zijn bundel op de rug weer goed schoof. Zijn gebroken handen schenen goed met het mes te kunnen omgaan, maar verder leken ze onhandig. Mart keek hem nadenkend aan. Nee. Hij wist niet zeker of hij dat meende. Die zilveren a’dam leek te veel op de onzichtbare halsband van Tylin. Maar Tylin mocht hem de rest van zijn leven onder de kin kietelen als dat hem van de brandstapel hield. Licht, wat zou het fijn zijn als die stomme dobbelstenen in zijn hoofd er gewoon mee ophielden! Dan had hij dat tenminste gehad. Nee, dat was een leugen. Toen het uiteindelijk tot hem was doorgedrongen wat ze betekenden, had hij gewild dat die dobbelstenen nooit meer zouden ophouden.

De kamer die Chel Vanin en de overgebleven Roodarmen deelden, lag niet ver van de stallen. Het was een lange, witgepleisterde kamer met een lage zoldering, met te veel bedden voor wie het tot nog toe hadden overleefd. Vanin lag als een kalende vetkwab in zijn hemdsmouwen met een boek op zijn borst te lezen. Mart was ooit verbaasd geweest dat de man kón lezen. Vanin spuwde door een gat tussen zijn tanden en bekeek Marts met modder besmeurde kleren. ‘Weer gevochten?’ vroeg hij. ‘Zal ze niet leuk vinden, denk ik.’ Hij kwam niet overeind. Met enkele verrassende uitzonderingen vond Vanin zichzelf even goed als elke heer of vrouwe.

‘Moeilijkheden, heer Mart?’ gromde Harnan, die overeind was gesprongen. Hij was lichamelijk even onbehouwen als zijn aard; zijn zware onderkaak klapte dichten vertekende de ruw getatoeëerde havik op zijn wang. ‘Vergeving, maar u bent niet in een toestand om er iets aan te doen. Zeg hoe ze eruitzien en we spreken namens u een hartig woordje met ze.’

De andere drie kwamen er gretig bij staan. Twee grepen hun jas al terwijl ze nog bezig waren hun hemden in hun broeken te proppen. Metwin, een jongensachtige Cairhienin die tien jaar ouder was dan Mart, greep zijn zwaard dat aan het voeteneind van zijn bed stond en trok een stuk van de kling uit de schede om de scherpte te bevoelen. Hij was in de groep het beste met een zwaard, heel goed, hoewel Gorderan hem heel dicht benaderde, al leek hij sterk op een hoefsmid. Gorderan was helemaal niet zo langzaam als zijn zware schouders deden vermoeden. Een tiental Roodarmen was Mart naar Ebo Dar gevolgd. Acht ervan waren dood en de rest zat hier in het paleis vast. Hier konden ze geen dienstmeisjes in de bil knijpen, een lekker potje vechten bij het dobbelen of drinken tot ze erbij neervielen. Niet zoals ze dat hadden kunnen doen als ze in een herberg waren gebleven waar de herbergier hen uiteindelijk het bed in had gedragen, ook al was hun beurs de volgende ochtend dan wel wat lichter.

‘Noal hier kan je beter vertellen wat er gebeurd is dan ik,’ zei Mart en schoof zijn hoed terug. ‘Hij komt hier slapen. Hij heeft vanavond mijn leven gered.’

Dat leverde geschokte uitroepen en kreten van goedkeuring voor Noal op, om nog maar te zwijgen van een paar schouderklappen die de oude man bijna omver sloegen. Vanin ging zelfs zover dat hij met een dikke vinger aangaf waar hij was gebleven en ging toen rechtop op zijn dunne matras zitten.

Noal legde zijn bundel op een ongebruikt bed en vertelde het verhaal met veel gebaren. Hij maakte zijn eigen rol erin kleiner en zette zichzelf neer als een wat dommige dwaas die in de modder uitgleed en naar de gholam gaapte, terwijl Mart vocht als een held. De man was een geboren verteller en kon je als een speelman laten zien wat hij beschreef. Harnan en de Roodarmen lachten voluit, wetende dat hij bewust hun eigen kapitein diens eer gunde, en dat waardeerden ze. Maar het gelach stierf weg toen hij vertelde hoe Marts aanvaller in een klein gat was verdwenen. Ook dat maakte Noal aanschouwelijk. Vanin legde zijn boek neer en spoog tussen zijn tanden op de grond. De gholam had Vanin en Harnan halfdood in de Rahad achtergelaten. Halfdood, omdat het wezen een andere prooi op het oog had.

‘Blijkbaar moet dat ding mij hebben,’ zei Mart luchtig toen de oude man zijn verhaal beëindigd had en kennelijk uitgeput op het bed met zijn bezittingen neerzakte. ‘Waarschijnlijk heeft hij een keer met me gedobbeld, wat ik me niet meer kan herinneren. Niemand van jullie hoeft zich kopzorgen te maken, zolang je maar niet tussen hem en mij gaat staan.’ Hij grinnikte en probeerde het allemaal als een grap te laten klinken, maar bij niemand krulde een mondhoek. ‘Hoe dan ook, morgenochtend geef ik jullie goud. Koop een overtocht op het eerste schip naar Illian, en neem Olver mee. En Thom en Juilin, als ze willen.’ Hij kon zich voorstellen dat de dievenvanger in elk geval wel wilde. ‘En natuurlijk Nerim en Lopin.’ Hij was eraan gewend geraakt om een stel bedienden te hebben die hem verzorgden, maar hij had ze hier amper nodig. ‘Talmanes moet rond deze tijd vlak bij Caemlin zijn. Het zal jullie niet veel moeite kosten hem te vinden.’ Als ze vertrokken waren, zou hij alleen zijn met Tylin. Licht, hij stond nog liever tegenover de gholam!

Harnan en de andere drie Roodarmen keken elkaar aan. Fergin krabde zijn hoofd alsof hij het niet helemaal begreep. Dat was heel best mogelijk. De magere man was een goede soldaat – niet de beste, maar goed genoeg – maar hij was niet al te slim als het om andere zaken ging-

‘Dat zou onjuist zijn,’ opperde Harnan uiteindelijk. ‘Om maar iets te noemen: heer Talmanes vilt ons levend als we zonder u terugkomen.’ De andere drie knikten. Fergin begreep dat heel goed. ‘En jij, Vanin?’ vroeg Mart.

De dikkerd haalde zijn schouders op. ‘Als ik die jongen bij Riselle weghaal, snijdt hij me open als een snoekbaars zodra ik slaap. Dat zou ik in zijn geval ook doen. Trouwens, ik heb hier tijd om te lezen. Krijg ik weinig kans toe als ik moet werken als een hoefsmid.’ Dat was een van de ambachten die hij voorwendde te beoefenen. Het andere was dat van stalknecht. In werkelijkheid was hij een paardendief en een stroper, de beste in twee landen, en misschien nog wel in meer.