‘Jullie zijn allemaal gek,’ zei Mart met een frons. ‘Dat dit wezen mij wil hebben, wil nog niet zeggen dat het jullie niet zal doden als jullie in de weg staan. Het aanbod geldt nog steeds. Wie bij zijn verstand is, vertrekt.’
‘Ik heb eerder mensen als jij gezien,’ zei Noal opeens. De gebogen oude man was een toonbeeld van ouderdom en uitputting, maar zijn ogen stonden helder en scherp terwijl hij Mart opnam. ‘Sommigen stralen iets uit wat anderen ertoe beweegt hen te volgen. Sommigen leiden mensen naar de ondergang, anderen naar roem. Ik denk dat jouw naam in de geschiedenisboeken terechtkomt.’ Harnan leek al even in de war als Fergin. Vanin spuwde, ging weer liggen en opende zijn boek.
‘Misschien als al mijn geluk verdwijnt,’ mompelde Mart. Hij wist wat het kostte om in de geschiedenisboeken terecht te komen. Een man kon de dood vinden bij dat soort dingen. ‘Je kunt je maar beter opknappen voor ze je ziet,’ bedacht Fergin ineens. ‘Al die modder werkt als een distel onder haar zadel, zeker weten.’
Mart rukte zijn hoed af en liep nijdig weg. Nou ja, voor zover dat hobbelend met een wandelstok kon. Voor de deur dichtviel, hoorde hij hoe Noal een verhaal begon over hoe hij eens op een schip van het Zeevolk had meegezeild en hoe hij had geleerd zich in koud zout water te wassen. Zo begon het tenminste.
Hij strompelde door gangen vol gebloemde wandkleden die de Ebodaranen ‘zomerbehang’ noemden vanwege het jaargetijde waaraan ze deden denken. Hij had zelf al besloten dat hij schoon wilde zijn voor Tylin hem zag, maar hij kreeg ook nog eens van vier dienaren en niet minder dan zeven kamermeisjes de raad een bad te nemen en zich te verkleden voordat de koningin hem zag. Ze boden aan om een bad klaar te maken en schone kleren te halen zonder dat de koningin ervan zou horen. Ze wisten niet alles van hem en Tylin, het Licht zij dank – alleen Tylin en hij kenden de ergste feiten – maar ze wisten vervloekt veel. Erger nog, elke, echt elke, stomme dienaar in dit stomme Tarasinpaleis vond het prima. Tylin was hun koningin, om maar iets te noemen, en wat hun betrof, mocht ze doen en laten waar ze zin in had. Bovendien was haar stemming na de verovering van de stad zo onvoorspelbaar geworden als het weer en als een schoongeschrobde Mart voorkwam dat zij een dienaar de neus afbeet, dan wilden ze Mart best als een geschenk op Zonnedag achter zijn oren wassen en hem in kant wikkelen!
‘Modder, bloed en as,’ zei hij tegen een aardig kamermeisje dat haar rok spreidde voor een kniks. Er vonkten pretlichtjes in haar donkere ogen en de diepe halslijn van haar lijfje toonde fraaie borsten die die van Riselle bijna evenaarden. Op een andere dag had hij de tijd genomen om genietend te kijken. ‘Hoezo modder? Ik zie helemaal geen modder!’ Haar mond viel open en ze vergat om overeind te komen en ze staarde hem half gebogen na terwijl hij weghinkte. Juilin Sandar kwam de hoek om rennen en liep bijna tegen hem aan. Met een gesmoorde vloek sprong de Tyreense dievenvanger achteruit en zijn donkere gezicht werd bleek, tot hij besefte wie hij bijna omvergelopen had. Toen mompelde hij een verontschuldiging en wilde langs hem glippen.
‘Heeft Thom je bij zijn dwaze spelletjes betrokken, Juilin?’ vroeg Mart. Thom en Juilin deelden ergens midden in de bediendenvleugel een kamer, en hij had geen reden om hier te zijn. In zijn donkere Tyreense jas die tot over de rand van zijn laarzen viel, zou Juilin tussen de bedienden opvallen als een eend in een kippenren. Suroth was strikt in die dingen, veel strikter dan Tylin. De enige reden die Mart kon bedenken, was die linke zaak waar Thom en Beslan bij betrokken waren. ‘Nee, doe geen moeite het mij te vertellen. Ik heb Harnan en de anderen een aanbod gedaan en dat geldt ook voor jou. Als je wilt vertrekken, geef ik je er het geld voor.’ Eigenlijk leek Juilin hem helemaal niets te willen vertellen. De dievenvanger stak zijn duimen in de riem en keek Mart onschuldig aan. ‘Wat hebben Harnan en de anderen gezegd? En wat voor dwaasheid voert Thom dan uit volgens jou? In dit gebied vol met huizen weet hij beter de weg dan jij of ik.’
‘De gholam is nog steeds in Ebo Dar, Juilin.’ Thom kende het Spel der Huizen als geen ander en hij vond het prachtig zijn neus in staatszaken te steken. ‘Het ding heeft me zojuist geprobeerd te doden.’ Juilin gromde alsof hij een stomp in zijn maag had gekregen en streek met zijn hand door zijn korte zwarte haar. ‘Zelfs dan heb ik nog een reden om even te blijven,’ zei hij. Zijn houding veranderde iets en hij leek koppig te worden om zich wat schuldbewust te verdedigen. Mart had hem nog nooit zo schichtig zien rondkijken, maar als een man zo deed, kon het maar één ding betekenen. ‘Neem haar mee,’ zei Mart. ‘En als ze niet mee wil, nou, in Tyr heb je binnen een uur een vrouw op elke knie. Zo is dat met vrouwen, Juilin. Als er een nee zegt, is er altijd een ander die ja zegt.’ Een bediende die zich met een armvol linnen handdoeken voorbij haastte, keek verbaasd naar Marts modderige uiterlijk, maar Juilin dacht dat die blik hem gold. Hij trok de duimen uit zijn riem en probeerde er tevergeefs wat meer als dienaar uit te zien. Thom mocht dan bij de bedienden slapen, hij had meteen beweerd dat het zijn eigen keuze was geweest, een eigenaardige karaktertrek. En niemand vond het vreemd om hem hier te zien, om misschien de kamers van Riselle binnen te glippen, die vroeger aan Mart hadden behoord. Juilin had behoorlijk zijn best gedaan om een dievenvanger te zijn, nooit en te nimmer een dievenpakker. Hij had al zoveel prikkelbare edelen en hooghartige kooplieden als iemand van gelijke stand uitdagend aangekeken, dat iedereen in het paleis wist wie en wat hij was. En waar hij hoorde te zijn. Beneden.
‘Mijn heer is verstandig,’ zei hij te luid, en maakte een stijve en houterige buiging. ‘Mijn heer weet alles van vrouwen. Als mijn heer een eenvoudig man wil vergeven, ik moet naar mijn plaats terug.’ Hij draaide zich om en riep met luide stem over zijn schouder: ‘Vandaag heb ik gehoord dat als mijn heer nog één keer terugkomt alsof hij in de goot heeft gelegen, de koningin van plan is om het lichaam van mijn heer te tuchtigen.’
En dat was de druppel die de emmer deed overlopen. Mart gooide de deur van Tylins vertrekken open, wandelde naar binnen, slingerde zijn hoed de hele kamer door... en bleef met open mond sprakeloos staan. Zijn hoed raakte het wandkleed en viel op de grond. Een windvlaag rammelde aan de hoge drieboogsramen, die uitkwamen op een breed smeedijzeren balkon dat uitkeek op het Mol Hara Plein.
Tylin draaide zich om in haar stoel, die zo gemaakt was dat hij op verguld bamboe leek, en staarde hem over een gouden wijnbeker aan. Golven glanzend zwart haar met wat grijs aan de slapen omlijstten een prachtig gezicht met ogen van een roofvogel. Een gezicht dat op dit moment niet al te vermaakt was. Onbeduidende dingen schenen zomaar zijn aandacht te trekken. Ze wipte met haar been, waardoor haar groene en witte onderrokken opzwiepten. De uiterst lage halslijn van het lijfje was afgezet met lichtgroen kant en liet haar fraaie borsten half vrij, waartussen het met edelstenen versierde heft van haar trouwdolk bengelde. Ze was niet alleen. Tegenover haar zat Suroth, die fronsend in haar wijnbeker keek en met lange vingernagels op de armleuning van haar stoel tikte. Ze leek best knap, ondanks haar tot een opstaande kam gekapte haren, maar liet daardoor Tylin op een konijn lijken. Twee vingernagels van elke hand waren blauwgelakt. Het was vreemd, maar naast haar zat een klein meisje, eveneens in een drukbewerkt gebloemd gewaad dat over witte plooirokken viel. Ze had een sluier over haar hele hoofd – dat geheel geschoren leek – en droeg een fortuin aan robijnen. Al was hij nog zo geschokt, hij kon robijnen en goud herkennen. Achter de stoel van het meisje stond een slanke vrouw die bijna net zo donker was als haar eenvoudige zwarte gewaad. Zelfs voor een Aielse zou ze lang zijn geweest. Ze had met nauwelijks verholen ongeduld haar armen over elkaar geslagen. Haar golvende zwarte haar was kort maar nergens geschoren, dus was ze niet van het Bloed en geen so’jhin. Haar opmerkelijke schoonheid plaatste zowel Tylin als Suroth in de schaduw. Al voelde Mart zich alsof hij met een hamer op zijn hoofd was geslagen, hij bleef mooie vrouwen opmerken.