Выбрать главу

‘Hoe? Wat dan? Als Logain niet genoeg is...’

‘We zullen het weten wanneer we het vinden,’ zei Elayne beslist. Verstrooid speelde Nynaeve met haar polsdikke vlecht. ‘Stem je ermee in om te vertrekken als we niets vinden? Ik ben niet dol op de gedachte om hier te blijven zitten tot ze besloten hebben ons te laten bewaken.’ ik stem ermee in, op voorwaarde dat jij ermee instemt dat we blijven als we iets bruikbaars vinden. Nynaeve, hoe graag ik hem ook wil zien, we kunnen hier veel meer goeds doen.’

Nynaeve aarzelde even en mompelde uiteindelijk: ‘Afgesproken.’ Het leek veilig genoeg. Zonder enig idee naar wat ze zochten, kon ze zich niet indenken echt iets te vinden.

De dag was al heel traag verstreken, maar leek nu te kruipen. Ze gingen bij een van de keukens in de rij staan voor een bord met ham, koolraap en erwten. Het leek wel of de zon een eeuwigheid boven de boomtoppen bleef hangen. De meeste mensen in Salidar gingen met de zon naar bed, maar in een paar vensters verschenen lichten, vooral in de grootste gebouwen. De Zaal had voor Tarna vanavond een feest voorbereid. Uit de vroegere herberg dreven flarden harpmuziek; de Aes Sedai hadden een soort harpspeler onder de krijgslieden gevonden en hem geschoren en wel in een livrei gehesen. Mensen die voorbij de herberg kwamen, keken er ofwel vluchtig naar voordat ze zich verder haastten, ofwel negeerden het zo overduidelijk dat ze zowat trilden. Opnieuw was Garet Brin de uitzondering. Hij at zijn maaltijd midden op straat, op een houten kist; iedereen kon hem vanuit de vroegere herberg zien. Steeds trager zakte de zon achter de bomen. De duisternis kwam plotseling op, zonder enige schemering van betekenis, en de straten raakten leeg. De harpmuziek begon weer. Garet Brin zat nog steeds op zijn kist aan de rand van een lichtkring. Nynaeve schudde haar hoofd; ze wist niet of ze hem moest bewonderen of uitlachen. Een beetje van allebei, nam ze aan.

Pas toen ze in bed lag met de gevlekte stenen ter’angreaal aan het koord om haar hals bij Lans zware gouden zegelring, en na het doven van de kaars herinnerde ze zich Theodrins opdracht. Nou, daar was het nu te laat voor. Theodrin zou trouwens toch nooit te weten komen of ze geslapen had of niet. Waar was Lan?

Het geluid van Elaynes adem werd trager, Nynaeve vlijde zich met een lichte zucht in haar kleine kussen en...

... stond aan het voeteneind van haar lege bed en keek naar een mistige Elayne in de half lichte nacht van Tel’aran’rhiod. Niemand kon hen hier zien. Sheriam of iemand van haar groep kon in de buurt zijn, of Siuan of Leane. Zij tweeën hadden weliswaar het recht om de Dromenwereld te bezoeken, maar bij de tocht van vanavond had geen van beiden zin in vragen te beantwoorden. Elayne zag het kennelijk als een jacht; ze had zich, opzettelijk of niet, uitgedost als Birgitte, in een groene jas en een witte broek. Ze knipperde toen ze de zilveren boog in haar hand ontdekte, en hij verdween tegelijk met de pijlkoker. Nynaeve keek haar eigen kleren na en zuchtte. Een blauwzijden dansgewaad, geborduurd met gouden bloemen rond de lage halslijn en met verstrengelde ranken over de lange rok. Ze kon fluwelen dansmuiltjes aan haar voeten voelen. Wat je in Tel’aran’rhiod droeg, deed er niet echt toe, maar wat voor domme gedachte had dit gekozen? ‘Je beseft toch dat dit misschien niet werkt,’ zei ze, terwijl ze de kleding verving door eenvoudige, goede Tweewaterwol en stevige schoenen. Elayne had het recht niet om zo te grijnzen. Een zilveren boog. Pfff! ‘We moeten op z’n minst een idee hebben waarnaar we zoeken, al is het maar iets.’

‘We zullen het ermee moeten doen, Nynaeve. Volgens jou zeiden de Wijzen dat de noodzaak de sleutel is, en hoe sterker de noodzaak, hoe beter het is. We hebben zeker iets nodig, anders verdwijnt de hulp die wij Rhand hebben beloofd, en blijft datgene waartoe Elaida bereid is over. Dat laat ik niet gebeuren, Nynaeve. Nooit!’

‘Doe je kin omlaag. Ik ook niet, als we er maar iets aan kunnen doen. We kunnen er nu net zo goed mee beginnen.’ Nynaeve schoof haar hand in die van Elayne en sloot haar ogen. Noodzaak. Ze hoopte dat een deel van haar enig idee had over wat ze nodig hadden. Misschien zou er niets gebeuren. Noodzaak. Plotseling leek alles om haar heen weg te glijden; ze voelde Tel’aran’rhiod om zich heen draaien en schommelen.

Onmiddellijk gingen haar ogen open. Elke stap die de noodzaak gebruikte, werd blind genomen – ook dat was een eis – en terwijl iedere stap je dichterbij het gezochte bracht, kon je bij elke stap in een kuil vol met adders belanden. Of kon een leeuw die bij zijn jacht gestoord werd, je been afbijten.

Er waren geen leeuwen, maar wat er was, was verontrustend. Het was een stralende middag, maar daar gaf ze niets om; de tijd verstreek hier anders. Zij en Elayne stonden hand in hand in een kasseienstraat tussen huizen van steen en baksteen. De huizen en winkels waren versierd met verfijnde kroonlijsten en friezen. Bewerkte koepeltjes verfraaiden de pannendaken, en boven de straat welfden hier en daar ter hoogte van de derde of vierde verdieping bruggen van steen of hout. Op straathoeken lagen vuilnishopen, oude kleren en kapotte meubels torenhoog opgestapeld. Er scharrelden tientallen ratten rond die soms even stopten om onbevreesd en uitdagend te piepen. Mensen die zichzelf tot aan de rand van Tel’aran’rhiod droomden, flikkerden aan en uit. Een man viel krijsend van een brug en verdween voor hij de keien kon raken. Een huilende vrouw in een gescheurde jurk rende een tiental passen naar hen toe voor ook zij wegflitste. Afgebroken kreten en gillen weerkaatsten door de straten, en soms een ruw gelach met een ondertoon van krankzinnigheid.

‘Dit bevalt me helemaal niet,’ zei Elayne bezorgd. In de verte rees een grote, bot-witte toren hoog boven de stad uit en overvleugelde met gemak de andere torens, waarvan er vele door bruggen met elkaar waren verbonden. De torens die zichtbaar waren, leken kleiner. Ze waren in Tar Valon, in de wijk waar Nynaeve de laatste keer een glimp van Leane had opgevangen. Leane was niet erg scheutig geweest met haar verhaal. Ze had met een glimlach beweerd dat ze het ontzag en de legenden over de Aes Sedai aan het versterken was. ‘Het maakt niet uit,’ zei Nynaeve dapper, in Tar Valon kent niemand de Dromenwereld. We lopen niemand tegen het lijf.’ Haar maag draaide zich om toen er plotseling een man met een bebloed gezicht naar hen toe strompelde. Hij had geen handen, alleen maar bloed spuitende stompen.

‘Dat was niet wat ik bedoelde,’ mompelde Elayne.

‘Laten we verder gaan.’ Nynaeve sloot haar ogen. Noodzaak. Verplaatsing.

Ze stonden in de Toren, op een van de omlopen, behangen met wandtapijten. Een dik meisje in de kleren van een novice dook op nog geen drie pas van hen vandaan op. Haar grote ogen werden nog groter toen ze hen zag. ‘Alstublieft,’ fluisterde ze. ‘Alstublieft?’ Ze was verdwenen. Plotseling zuchtte Elayne. ‘Egwene!’

Nynaeve draaide zich razendsnel om, maar de gang was leeg. ik zag haar,’ hield Elayne vol. ik weet dat ik haar zag.’

‘Ik neem aan dat ze, net als iedereen, Tel’aran’rhiod kan aanraken in een gewone droom,’ zei Nynaeve. ‘Laten we maar verder gaan.’ Ze begon zich meer dan onbehaaglijk te voelen. Ze grepen elkaars hand weer. Noodzaak. Verplaatsing.

Het was geen gewone opslagkamer. De muren waren van planken voorzien, waarop netjes hele rijen kistjes waren geplaatst. Sommige waren van gewoon hout, andere uitgevoerd in houtsnijwerk of gelakt, waar in doek gewikkelde dingen in zaten. Beeldjes, figuurtjes en vreemde vormen, die uit metaal of glas schenen te bestaan, of uit kristal, steen of geglazuurd porselein. Nynaeve wist zo wel dat het voorwerpen van de Ene Kracht waren, waarschijnlijk ter’angrealen, misschien een paar angrealen en sa’angrealen. Zo’n grote verzameling en zo netjes bewaard, kon je nergens anders dan in de Toren aantreffen.

‘Ik geloof niet dat het zin heeft om verder te gaan,’ zei Elayne neerslachtig. ik zou niet weten hoe we hier ooit iets uit kunnen halen.’ Nynaeve trok even aan haar vlecht. Als er hier echt iets was dat ze konden gebruiken – dat moest wel, tenzij de Wijzen gelogen hadden – dan moest er een manier zijn om er in de echte wereld bij te komen. Angrealen en dat soort zaken werden niet zwaar bewaakt; toen zijzelf nog in de Toren was, bestond de bewaking gewoonlijk uit een slot en een novice. De deur was vervaardigd van zware planken met een al even zwaar zwart ijzeren slot. Het slot was ongetwijfeld dicht, maar ze opende het in haar geest en duwde.