Выбрать главу

De deur zwaaide open naar een vertrek van bewaarders. Tegen een muur stonden smalle bedden boven elkaar, en tegen de andere muur hellebaarden in een rek. Voorbij een zware beschadigde tafel met krukken eromheen bevond zich een andere, met ijzer beslagen deur, waarin een klein rooster zat.

Toen ze zich weer tot Elayne wendde, besefte ze ineens dat de deur weer dicht was. ‘Als we hier dat noodzakelijke niet vinden, kunnen we het ergens anders misschien halen. Ik bedoeclass="underline" iets anders kan er ook voor gebruikt worden. We hebben nu tenminste een aanwijzing. Ik denk dat dit ter’angrealen zijn waarvan nog niemand ontdekt heeft hoe ze gebruikt kunnen worden. Dat is de enige reden waarom ze op deze manier bewaakt worden. Het kan gevaarlijk zijn om in hun buurt te geleiden.’

Elayne keek haar wrang aan. ‘Maar als we het opnieuw proberen, worden we dan niet naar dezelfde plek teruggebracht? Tenzij... Tenzij de Wijzen je verteld hebben hoe je een plek van de zoektocht kunt uitsluiten.’

Dat hadden ze niet – ze waren er helemaal niet happig op geweest en hadden veel liever niéts verteld – maar op een plek waar je een slot kon openen door te denken dat het open was, kon van alles mogelijk zijn. ‘Dat is precies wat we gaan doen. We zetten in ons hoofd vast dat wat we willen niét in Tar Valon is.’ Ze keek nadenkend naar de planken en voegde eraan toe: ‘En ik durf te wedden dat het een ter’angreaal is, waarvan niemand weet hoe die gebruikt kan worden.’ Hoe dat de Zaal echter kon overtuigen Rhand te steunen, kon ze zich niet voorstellen.

‘We hebben een ter’angreaal nodig dat niet in Tar Valon is,’ zei Elayne, als om zichzelf te overtuigen. ‘Goed dan. We gaan door.’ Ze stak haar handen uit en Nynaeve greep ze vast. Ze wist eigenlijk niet hoe het kwam dat zij degene was die door wilde gaan. Ze wilde weg uit Salidar, en geen nieuwe reden vinden om te blijven. Maar als het zou helpen om de Aes Sedai in Salidar Rhand te laten steunen... Noodzaak. Een ter’angreaal. Niet in Tar Valon. De noodzaak. Verplaatsing.

Waar ze ook terecht waren gekomen, deze stad bij dageraad was zeker niet Tar Valon. Nog geen twintig passen verder werd de brede, geplaveide straat een wit stenen brug met aan weerszijden standbeelden, die over een gracht lag tussen stenen wallen. Vijftig pas terug was nog zo’n brug. Overal stonden slanke torens met ringvormige balkons, als speren die door een rond afgesneden versierd stuk suikerwerk waren gestoken. Elk gebouw was wit; de deuren en ramen hadden hoge puntbogen, soms wel twee- of driedubbel. Aan de grotere gebouwen keken lange balkons van wit geschilderd smeedijzer uit op de straten en grachten. Ze hadden druk bewerkte smeedijzeren schermen om de bewoners aan het oog te onttrekken. Witte koepels met scharlaken of gouden banden rezen op tot punten die zo scherp waren als de torens. Noodzaak. Verplaatsing.

Het had net zo goed een andere stad kunnen zijn. De straat was smal en hobbelig, en aan beide kanten rezen gebouwen op van vier tot vijf verdiepingen hoog. Op veel plaatsen was het witte pleisterwerk afgeschilferd en lagen de bakstenen eronder bloot. Hier waren geen balkons. Er zoemden vliegen rond, en het was moeilijk te zeggen of het nog steeds dageraad was vanwege de schaduwen op de grond. Ze keken elkaar aan. Hier zouden ze waarschijnlijk geen ter’angreaal vinden, maar ze waren te ver gegaan om er nu mee te stoppen. De noodzaak. Verplaatsing.

Nynaeve niesde voor ze haar ogen open kon doen, en nog een keer toen zij ze open had. Elke beweging van haar voeten wierp grote stofwolken op. Deze opslagkamer leek helemaal niet op die in de Toren. De kamer was volgestouwd met kisten, kratten en tonnen, die op alle mogelijke manieren opgestapeld waren, met nauwelijks wat loopruimte ertussen. Alles zat onder een dikke laag stof. Nynaeve niesde zo hard dat ze dacht dat haar schoenen uitvlogen... en het stof verdween. Helemaal. Elayne had een voldaan glimlachje. Nynaeve zei niets, maar legde de kamer goed vast in haar geest, zónder stof. Daar had ze aan moeten denken.

Ze keek over de rommel heen en zuchtte. De kamer was niet groter dan die in Salidar, waar hun lichamen sliepen, maar om dit allemaal te doorzoeken... ‘Dat kost ons weken.’

‘We kunnen het nog een keer proberen. Het kan ons misschien tonen welke dingen we moeten nakijken.’ Elayne klonk net zo weifelend als Nynaeve zich voelde. Maar ze kon toch niets beters bedenken. Nynaeve sloot haar ogen, en nogmaals volgde een verplaatsing. Toen ze weer keek, stond ze aan het eind van de doorloop, aan de andere kant van het vertrek, vlak voor een vierkante houten kist die tot ruim boven haar middel reikte. Het ijzerbeslag leek een en al roest, en de kist zelf zag eruit alsof die de laatste twintig jaar aan een stuk met hamers bewerkt was. Nynaeve kon zich nauwelijks een minder geschikte bewaarplaats voor iets bruikbaars voorstellen, laat staan een ter’angreaal. Maar Elayne stond pal naast haar en staarde naar dezelfde kist.

Nynaeve legde een hand op het deksel – de scharnieren móésten ditmaal gemakkelijk opengaan – en duwde het omhoog. Niet het minste gepiep was hoorbaar. In de kist lagen twee zwaar verroeste zwaarden en een al even roestbruin borstkuras, waarin een gat was geslagen, boven op een verwarde verzameling in stof verpakte voorwerpen, dingen die de restanten van iemands oude klerenpers leken te zijn, en iets dat afkomstig was uit een paar keukens.

Elayne bevoelde een keteltje met een gebroken tuit. ‘Geen weken, maar zeker de rest van de nacht.’

‘Nog een keer?’ stelde Nynaeve voor. ‘Het kan geen kwaad.’ Elayne haalde de schouders op. Ogen gesloten. Noodzaak. Nynaeve stak haar hand uit, die neerkwam op iets hards en ronds dat bedekt was met een lap vergane stof. Toen ze haar ogen opende, lag Elaynes hand naast de hare. Elaynes glimlach spleet haar gezicht zowat in tweeën.

Het was niet gemakkelijk om het voorwerp eruit te krijgen. Het was behoorlijk groot en ze moesten rafelige jassen en gedeukte potten en pakken opzijschuiven. Die vielen uit elkaar en onthulden beeldjes en in hout gesneden dierfiguren. Toen ze het eruit hadden, moesten ze het samen vasthouden. Het was een brede, platte schotel die in een vergane lap was verpakt. Nadat de stof was weggescheurd, bleek het een ondiepe schaal van zwaar kristal te zijn, met een doorsnede van ruim twee voet. De binnenkant was diep uitgesneden met wat voortjagende wolken leken.

‘Nynaeve,’ zei Elayne langzaam, ‘ik geloof dat dit...’ Nynaeve schrok en liet bijna haar kant van de schaal vallen, toen die plotseling veranderde in een waterige, bleekblauwe kleur en de wolken langzaam bewogen. Een hartslag later was het kristal weer helder en hingen de uitgesneden wolken stil. Maar ze was ervan overtuigd dat de wolken nu anders waren.

‘Dit is het,’ riep Elayne. ‘Het is een ter’angreaal. En ik wil er alles om verwedden dat het iets te maken heeft met het weer. Maar ik ben niet sterk genoeg om het alleen te laten werken.’

Nynaeve slikte en probeerde haar bonzende hart tot rust te laten komen. ‘Laat dat! Besef je niet dat je jezelf kan sussen als je met een ter’angreaal rommelt, terwijl je niet weet wat het doet?’ Die dwaze meid had nog de moed om haar verbaasd aan te staren. ‘Dit is wat we zoeken. En denk je dat er iemand is die meer van ter’angrealen af weet dan ik?’

Nynaeve snoof. Elayne mocht dan wel gelijk hebben, maar daarom had ze haar wel even kunnen waarschuwen.

‘Ik zeg niet dat het geweldig is, als het iets aan het weer kan doen – maar ik zie niet in waarom dit ding hier hetgeen is wat we nodig hebben. Dit zal de mening van de Zaal over Rhand hoegenaamd niet veranderen.’