‘Wat je nodig hebt, is niet altijd hetzelfde als wat je verlangt,’ zei Elayne. ‘Dat placht Lini te zeggen als ik niet mocht paardrijden of in bomen klimmen, maar misschien gaat het hier ook op.’ Nynaeve snoof nog eens. Misschien, maar op dit moment wilde ze alleen maar wat ze wilde. Was dat te veel gevraagd?
De schaal vervaagde in hun handen en nu was het Elaynes beurt om te schrikken, waarbij ze bromde dat ze er nooit aan gewend raakte. De kist was ook dicht.
‘Nynaeve, toen ik in de schaal geleidde, voelde ik... Nynaeve, het is niet de enige ter’angreaal in deze kamer. Ik denk dat er ook angrealen zijn, misschien zelfs wel sa’angrealen.’
‘Hier?’ zei Nynaeve ongelovig, en ze staarde om zich heen in het volgepropte kamertje. Maar ja, als er eentje was, waarom dan geen twee? Of tien, of honderd? ‘Licht, ga niet weer geleiden! Stel dat je er een iets per ongeluk laat doen? Je kan jezelf...’
‘Ik weet wat ik doe, Nynaeve. Heus waar. Het volgende wat wij moeten doen is uitzoeken waar deze kamer precies is.’ Dat bleek geen gemakkelijke opgave. Hoewel de hengsels helemaal vastgeroest leken, vormde de deur geen hindernis, niet in Tel’aran’rhiod. De moeilijkheden begonnen daarna. De vaag verlichte smalle gang had maar één raam aan het eind, en dat liet slechts een gebladderde pleistermuur aan de andere kant van de straat zien. Ze liepen een smalle, stenen trap af, maar dat hielp niet veel. De straat buiten had dezelfde kunnen zijn als de eerste straat die ze in deze wijk van de onbekende stad hadden gezien. De gebouwen leken zoveel op elkaar dat het geen verschil maakte. De winkeltjes hadden geen uithangborden, en het enige dat herbergen aangaf, waren blauw geverfde deuren. Rood leek een taveerne aan te duiden.
Nynaeve liep wat verder, op zoek naar een of ander herkenningsteken, iets dat deze plek zou kunnen aanduiden. Iets dat kon vertellen welke stad dit was. Elke straat waar ze voorbijkwam, leek op de voorgaande, maar ze vond al snel een brug. Deze was anders als ze gezien had, van gewone steen en zonder standbeelden. Vanaf het midden van de boog zag ze alleen maar het kanaal, dat andere in beide richtingen kruiste, nog meer bruggen, meer gebouwen met kapot wit pleisterwerk. Ineens besefte ze dat ze alleen was. ‘Elayne?’ Stilte, behalve haar galmende stem. ‘Elayne? Elayne!’
Elayne kwam te voorschijn bij een hoek aan de voet van de brug. ‘Daar ben je,’ zei ze. ‘Vergeleken met deze plaats is een konijnenhol overzichtelijk. Ik draaide mijn hoofd even om en je was weg. Iets gevonden?’
‘Niets.’ Nynaeve keek nog even over het kanaal voor ze zich bij Elayne voegde. ‘Helemaal niets wat we kunnen gebruiken.’
‘We weten tenminste waar we zijn. Het moet Ebo Dar zijn.’ Elaynes korte jas en wijde broek werden een groenzijden gewaad met kantwerk dat tot over haar handen hing. Het had een hoge, geborduurde kraag en een smalle halslijn, die diep genoeg was om behoorlijk wat inkijk te geven, ik kan me geen andere stad voor de geest halen met zoveel kanalen, behalve Illian, en dit is zeker Illian niet.’ ik mag hopen van niet,’ zei Nynaeve zwakjes. Het was nooit bij haar opgekomen dat zo’n blinde zoektocht naar Sammaels legerkamp zou kunnen leiden. Ze merkte dat haar eigen kleren veranderd waren in iets van diepblauwe zijde, dat geschikt was om in te reizen, plus een linnen stofmantel. Ze liet de mantel verdwijnen maar behield de rest. ‘Je zou Ebo Dar leuk vinden, Nynaeve. De Wijzevrouwen van Ebo Dar weten meer van kruiden dan wie dan ook. Ze kunnen alles genezen. Dat moet ook, want de inwoners gaan al een tweegevecht aan over een niesbui, of het nu edelen of gewone lieden zijn, mannen of vrouwen.’ Elayne giechelde. ‘Thom zegt dat hier luipaarden waren, maar dat ze weggetrokken zijn omdat ze de bewoners te geprikkeld vinden om mee te leven.’
‘Dat kan dan wel zo wezen,’ zei Nynaeve, ‘maar wat mij betreft steken ze elkaar net zo vaak overhoop als ze willen. Elayne, we hadden net zo goed de ringen kunnen wegleggen en gaan slapen. Ik zou van hier die kamer niet kunnen terugvinden, al zou ik daarvoor de stola krijgen. Als er maar een manier was om een soort kaart te maken...’ Haar gezicht vertrok. Dat was hetzelfde als vragen om vleugels in de echte wereld; als ze een kaart uit Tel’aran’rhiod konden meenemen, hadden ze de schaal ook kunnen meenemen.
‘Dan zullen we gewoon naar Ebo Dar moeten gaan om te zoeken,’ zei Elayne beslist, in de echte wereld. We weten nu in welk deel van de stad we moeten kijken.’
Nynaeve fleurde op. Ebo Dar lag vanaf Salidar slechts een paar honderd span verder aan de Eldar. ‘Dat klinkt goed. En dan zijn we weg voor alles over ons heenvalt.’
‘Nynaeve! Is dat nog steeds het belangrijkste voor jou?’
‘Het is één belangrijk ding. Kun je nog iets bedenken dat we hier kunnen doen?’ Elayne schudde haar hoofd. ‘Dan kunnen we net zo goed teruggaan. Ik zou vannacht graag wat echte slaap willen.’ Je kon nooit weten hoeveel tijd er verstreken was in de wakkere wereld terwijl je in Tel’aran’rhiod was; soms was een uur daar een uur hier, soms een dag of meer. Gelukkig leek het niet de andere kant op te werken, waardoor je dood zou hongeren in je slaap. Nynaeve stapte uit de droom...
... en haar ogen vlogen open terwijl ze in haar kussen staarde, dat net zo vochtig van het zweet was als zijzelf. Er kwam geen zuchtje wind door het open raam. Over Salidar was een stilte gevallen; het meeste lawaai waren de ijle kreten van de nachtreigers. Ze ging overeind zitten, maakte het koord om haar hals los en haalde de gedraaide stenen ring eraf. Ze hield haar hand even tegen Lans zware gouden ring aan. Elayne bewoog en kwam gapend overeind. Ze geleidde een stompje kaars aan.
‘Denk je dat het ons zal helpen?’ vroeg Nynaeve zacht, ik weet het niet.’ Elayne geeuwde achter haar hand. Hoe kon die vrouw er zo leuk blijven uitzien? Ze geeuwde, haar haren zaten in de war en haar wang toonde een rode streep door een vouw in het kussen. Dat was een geheim dat de Aes Sedai zouden moeten onderzoeken. ‘Wat ik wel weet, is dat de schaal in staat is om misschien iets aan het weer te doen. Ik weet dat een verzameling ter’angrealen en angrealen in de juiste handen terecht moet komen. Het is onze plicht om ze de Zaal te overhandigen. In ieder geval aan Sheriam. Ik weet dat als dit hen niet aanzet tot steun aan Rhand, ik verder zal jagen tot ik iets vind dat hen wél zal bewegen. En ik weet dat ik wil slapen. Kunnen we er morgen verder over praten?’ Zonder op antwoord te wachten doofde ze de kaars, rolde zich op en ademde de diepe, langzame ademtochten van de slaap, voor haar hoofd het kussen raakte. Nynaeve strekte zich weer uit en staarde naar de donkere wolken. Ze konden tenminste binnenkort op weg zijn naar Ebo Dar. Misschien morgen. Hooguit over een dag of twee, nadat ze de reis hadden voorbereid en een langsvarende rivierboot aangehouden. Eindelijk... Plotseling herinnerde ze zich Theodrin. Als het twee dagen kostte om zich voor te bereiden, zou Theodrin haar twee zittingen willen hebben, net zo zeker als een eend veren had. En ze verwachtte dat Nynaeve vannacht niet zou slapen. Ze kon het niet weten, maar toch... Diep zuchtend klom ze het bed uit. Er was weinig ruimte om heen en weer te lopen, maar ze deed het toch, terwijl ze bozer en bozer werd. Ze wilde alleen maar weg zien te komen. Ze had gezegd dat ze zich nooit goed had kunnen overgeven, maar misschien werd ze wel goed in weglopen. Het zou zo geweldig zijn als ze kon geleiden wanneer ze maar wilde. Ze voelde niet eens hoe de tranen langs haar wangen begonnen te druppelen.
14
Dromen en nachtmerries
Toen Egwene Nynaeve en Elayne zag, stapte ze niet gewoon uit de droom. Ze sprong eruit. Niet terug naar haar slapende lichaam in Cairhien – de nacht was nog te jong – maar naar een enorm zwart gevuld met twinkelende speldenprikjes licht, veel meer dan het aantal sterren aan een heldere nachthemel; elk puntje in de eindeloosheid was scherp en duidelijk. Als ze hier tenminste ogen had gehad. Vormeloos zweefde ze in de oneindigheid tussen Tel’aran’rhiod en de wakende wereld, in de smalle kloof tussen droom en werkelijkheid. Indien ze hier een hart had bezeten, zou het als een waanzinnige trommel tekeer zijn gegaan. Ze dacht niet dat ze haar hadden opgemerkt, maar bij het Licht, wat déden ze daar, in dat deel van de Toren dat niets belangrijks bevatte? Tijdens haar nachtelijke uitstapjes vermeed ze zorgvuldig de werkkamer van de Amyrlin, de verdieping van de novicekamertjes en zelfs de afdeling van de Aanvaarden. Als Nynaeve en Elayne er niet samen of afzonderlijk waren, leek het altijd of er iemand anders was. Ze had Nynaeve en Elayne best kunnen aanspreken – beiden wisten hoe ze iets geheim moesten houden – maar er was iets dat haar zei het niet te doen. Ze had erover gedroomd het te doen, maar dat liep altijd op een nachtmerrie uit. Niet van het soort waaruit je met het koude zweet ontwaakte, maar van het soort dat je bezorgd deed rondwoelen. Die andere vrouwen. Wisten de Aes Sedai van Salidar dat er vreemden rondzwierven in de Toren van de Dromenwereld? Het waren voor haar in ieder geval vreemden. Als ze het niet wisten, kon ze hen op geen enkele manier waarschuwen. Het was allemaal zo ergerlijk!