Выбрать главу

De grote bespikkelde oceaan van duisternis wervelde om haar heen, leek te bewegen terwijl zij stilhing. Ais een vis in het water zwom ze vol vertrouwen rond, ze hoefde evenmin aan beweging te denken als een vis aan water. Die flikkerende lichtjes warén dromen; alle dromen van alle mensen ter wereld. Van alle werelden, van plaatsen die niet geheel de bekende wereld waren, van werelden die er in het geheel niet op leken. Verin Sedai had er als eerste over verteld. De Wijzen hadden het bevestigd en zijzelf had dingen opgevangen, had naar binnen geloerd en haar ogen niet kunnen geloven, zelfs voor een droom. Geen nachtmerries – die leken altijd overgoten met rood, blauw of een schemerig grijs als van diepe schaduwen – maar vol onmogelijke dingen. Het was beter ze te vermijden en het was ook duidelijk dat zijzelf niet in die werelden thuis hoorde. Als je zo’n droom binnenloerde, leek het of je je opeens midden tussen gebroken spiegels bevond. Alles wervelde en tolde rond en nergens was te zien wat boven was en wat onder. Het maakte haar misselijk en, ook al had ze hier geen lichaam, ze kwam er wel weer in terug. Brakend wakker worden was geen pretje. Ze had in haar eentje dit soort zaken geleerd en dat toegevoegd aan wat de Wijzen haar hadden geleerd. Ze had zich zelfs op plaatsen begeven, waar zij haar zouden hebben tegengehouden. Maar toch... Ze twijfelde er niet aan dat ze meer zou weten, veel meer, als er een droomloopster bij was geweest die met haar meekeek. Het was waar dat zoiets nog te gevaarlijk was en bovendien verboden, maar ze kon niettemin andere probeersels uitdenken, die veel verder gingen dan de dingen die eenvoudig uit te zoeken waren geweest. Nou ja, niet zo eenvoudig, want dat was het eigenlijk nooit, maar ze had een punt bereikt waar ze de volgende stap zelf kon uitdenken. Het waren wel paden die de droomloopsters van de Wijzen al heel lang geleden hadden afgelegd. Om die te leren kennen, had ze een maand nodig, terwijl zij het haar in één nacht, in een uur zelfs, konden bijbrengen. Wanneer zij beslisten dat ze er klaar voor was. Dan pas. Ze vond het een bittere pil, want ze wilde alleen maar leren. Alles wilde ze leren. Op dit ogenblik. Elk lichtje leek op een ander, maar ze herkende er nu een handvol. Hoe dat precies ging, wist ze niet, ook iets dat haar mateloos ergerde. Zelfs de Wijzen wisten het niet. Maar als ze eenmaal had uitgevonden welke droom bij welke persoon hoorde, kon ze als een pijl naar een roos die droom weer terugvinden, zelfs van iemand aan het andere eind van de wereld. Dat vonkje was Berelain, de Eerste van Mayene, de vrouw die voor Rhand het bewind in Cairhien voerde. Egwene voelde zich niet op haar gemak, wanneer ze in Berelains dromen keek. Gewoonlijk verschilden die in niets van andere vrouwendromen – van iedere vrouw die belangstelling had voor zowel macht, politiek als de laatste kledingstijl – maar soms droomde Berelain over mannen, ook over mannen die Egwene kende, op een manier die haar bij de herinnering al liet blozen.

Die licht gedempte gloed daar was Rhands droom, veilig achter een ban geweven met saidin. Ze wilde bijna stoppen – het ergerde haar dat iets wat ze niet kon zien of voelen haar als een stenen muur buitensloot – maar liet het toch maar zitten. Het was niet zo aantrekkelijk om opnieuw een nacht lang vergeefse dingen te doen. Deze plek vervormde de afstand op dezelfde wijze als Tel’aran’rhiod de tijd deed. Rhand sliep in Caemlin, tenzij hij naar Tyr was gesprongen, ook iets waarvan ze heel graag wilde weten hoe hij dat deed, maar op korte afstand van zijn droom herkende Egwene het lichtje van Bair in Cairhien, honderden roeden van Rhand af, waar die zich dan ook bevond. Ze wist heel zeker dat hij vannacht niet in Cairhien was. Hóé deed hij het?

Het veld vol lichtjes gleed voorbij, terwijl Egwene wegsprong van de droom van de Wijze. Als ze die van Amys en Melaine ook had gezien, zou ze misschien niet zijn gevlucht, maar als de andere twee droomloopsters niet sliepen en droomden, waren ze misschien aan het droomlopen. Een van hen kon op de plek zijn waar zij nu was, zich zelfs gereedhouden om op haar neer te duiken, haar uit deze droom te sleuren, of in de eigen droom van de droomloopster te plaatsen. Ze betwijfelde of ze hen kon tegenhouden; nog niet. Ze zou volkomen aan de ander zijn overgeleverd en een deel van haar droom vormen. Je aan jezelf vasthouden in de droom van een ander was al moeilijk als de dromer een gewoon mens was die geen enkel idee had wat er aan de hand was. Het was echter niet moeilijker dan eruit gaan voor ze niet meer over je droomden, wat ze heel waarschijnlijk niet zouden doen voor ze wakker werden terwijl jij feitelijk nog in de droom zat. Bij een droomloopster die zich even bewust was van haar dromen als van de wakende wereld, was het onmogelijk. En dat zou nog het beste deel ervan zijn.

Ze raakte ervan doordrongen dat ze dwaas was. Wegvluchten was nutteloos. Als Amys of Melaine haar had gevonden, zou ze al elders zijn. Wat dat vluchten betrof, snelde ze nu misschien wel recht op hen af. De voorbijsnellende lichtjes vertraagden niet, maar hingen gewoon opeens doodstil. Zo ging het hier.

Geërgerd overwoog ze wat ze nu moest doen. Afgezien van zichzelf al het mogelijke van Tel’aran’rhiod te leren, was haar voornaamste doel enkele flarden op te vangen van de gebeurtenissen in de wereld. Regelmatig kreeg ze de indruk dat de Wijzen haar niet eens wilden vertellen of de zon was opgegaan, indien ze het niet met eigen ogen kon zien. Ze zeiden dat ze niet zo opgewonden moest doen. Hoe kon ze gepieker vermijden als zij iets niet wist? Ze was naar de Witte Toren gegaan om te proberen een of andere aanwijzing van Elaida’s bedoelingen op te vangen. En van die van Alviarin. Maar ze had slechts aanduidingen kunnen vinden en daarvan nog maar weinig. Ze had er een hekel aan iets niet te weten; het leek of je door onwetendheid blind en doof werd.

Nou ja, de hele Toren was nu van haar lijst geschrapt. Dat moest wel, aangezien ze niet langer zeker wist welke plekken veilig waren. De rest van Tar Valon was ook al afgevallen, toen ze voor de vierde keer bijna op een vrouw met een koperkleurige huid stuitte, die de laatste keer tevreden stond te knikken terwijl ze een stal bekeek – ongelooflijk – die blijkbaar net een nieuw blauw verfje had gekregen. Wie het ook was, ze had zich geen moment per ongeluk in Tel’aran’rhiod gedroomd. Ze verdween niet zoals een toevallige droomster overkwam, en ze leek van mist te zijn gemaakt. Ze gebruikte dus een ter’angreaal, wat inhield dat ze bijna zeker een Aes Sedai was. Egwene kende maar één ter’angreaal die toegang gaf tot de Dromenwereld zonder te geleiden, en die was in bezit van Nynaeve en Elayne. Maar de slanke vrouw was nog niet zo lang Aes Sedai; ze was heel knap en droeg een schandalig dun gewaad. Ze leek van Nynaeves leeftijd, niet leeftijdloos. Egwene zou hebben geprobeerd haar te volgen – ze kon immers van de Zwarte Ajah zijn, want die hadden droomter’angrealen gestolen – maar als ze het gevaar van ontdekking en zelfs gevangenschap afwoog tegen het feit dat ze niemand kon vertellen wat ze geleerd had, pas toen ze weer met Nynaeve en Elayne kon praten, tenzij ze iets zo ontzettends ontdekte waar alles van afhing... De Zwarte Ajah was een zaak van de Aes Sedai; nog afgezien van elke andere reden om geheimen te bewaren, kon ze het niet zomaar aan iedereen vertellen. Ze had in het geheel geen keus.