Выбрать главу

Dit werd ernstig. Ze gaf alle aandacht aan erbuiten te zijn, maar bleef er toch in en keek mee door de ogen van haar tweede ik. Haastig onderdrukte ze haar nieuwsgierigheid naar wat Gawein van haar droomde. Dat soort belangstelling was gevaarlijk. Ze wilde hier niets van aanvaarden! Maar er veranderde niets.

De gang leek heel echt, waar ze ook keek, hoewel alles wat ze vanuit haar ooghoeken zag nevelig was. Haar eigen in een spiegel weerkaatste beeld trok haar aandacht. Ze zou zich hebben omgedraaid om ernaar te staren, terwijl ze erlangs liepen, maar ze was slechts een gebruikster van het hoofd van een vrouw uit Gaweins droom. De vrouw in die spiegel was zijzelf geweest. Ze kon geen enkele gelaatstrek aanwijzen en zeggen dat die afweek van haar echte gezicht — maar op de een of andere manier was het geheel... Prachtig was het enige woord. Verbijsterend zelfs. Zag Gawein haar op deze wijze? Nee! Geen nieuwsgierigheid! Eruit!

Tussen de ene stap en de volgende werd de gang een heuvel, bezaaid met wilde bloemen; hun geuren vol en zoet in een zachte bries. Nadenkend schrok de echte Egwene. Had zij dat gedaan? De grens tussen haar en de ander werd smaller. Verwoed gaf ze al haar aandacht aan ontsnapping. Het was niet echt; ze weigerde dit te aanvaarden; ze was zichzelf. Eruit. Ze wilde eruit, naar binnen kijken. Zachtjes legde Gawein haar neer op een mantel die reeds uitgespreid op de helling lag, op de manier waarop iets in een droom gebeurt. Hij knielde naast haar neer, streek een haarlok van haar wang, liet zijn vingers strelend naar een mondhoek dwalen. Het was nu heel moeilijk om zich op iets anders te richten. Ze had dan wel geen beheersing over het lichaam waarin ze werd meegevoerd, maar ze voelde wat erin gebeurde en zijn vingers leken vonken te slaan. ‘Mijn hart is de jouwe,’ zei hij dromerig en zacht, ‘mijn ziel, mijn alles.’ Zijn jas was nu scharlakenrood, met ingewikkeld borduurwerk van gouden bladeren en zilveren leeuwen. Hij maakte weidse gebaren en raakte haar hoofd of hart aan. ‘Wanneer ik aan je denk, is er geen ruimte voor enige andere gedachte. Je geur vult mijn denken en verhit mijn bloed tot vuur. Mijn hart bonst zo hard dat ik het niet eens zou horen als de wereld openspleet. Jij bent mijn zon en mijn maan en mijn sterren, mijn hemel en aarde, kostbaarder voor mij dan het leven of adem of...’

Onverwachts zweeg hij met een grimas, ik klink als een dwaas,’ mompelde hij in zichzelf.

Egwene zou het niet met hem eens zijn geweest als ze de baas was over de stembanden. Het was heel fijn om dit soort dingen te horen, al waren ze wat overdreven. Maar een klein beetje. Bij zijn grimas voelde ze hoe iets zich loste, maar... Flits.

Zachtjes legde Gawein haar neer op een mantel die reeds uitgespreid op de helling lag, op de manier waarop iets in een droom gebeurt. Hij knielde naast haar neer, streek een haarlok van haar wang, liet zijn vingers strelend naar een mondhoek dwalen. Het was nu heel moeilijk zich op iets anders te richten. Ze had dan wel geen beheersing over het lichaam waarin ze werd meegevoerd, maar ze voelde wat erin gebeurde en zijn vingers leken vonken te slaan.

Nee! Ze mocht zich niet toestaan ook maar iets van deze droom te aanvaarden!

Zijn gezicht was een landkaart van pijn, zijn jas donkergrijs. Zijn op de knieën liggende handen balden zich tot vuisten, ik heb niet het recht zo tegen je te spreken als ik zou willen,’ zei hij stijfjes. ‘Mijn broer houdt van je. Ik weet dat Galad half gek is van bezorgdheid over jou. Hij is een Witmantel omdat hij minstens voor de helft denkt dat de Aes Sedai jou hebben misbruikt. Ik weet dat hij...’ Gaweins ogen knepen zich dicht. ‘O, Licht, help me!’ kreunde hij. Flits.

Zachtjes legde Gawein haar neer op een mantel die reeds uitgespreid op de helling lag, op de manier waarop iets in een droom gebeurt. Hij knielde naast haar neer, streek een haarlok van haar wang, liet zijn vingers strelend naar een mondhoek dwalen.

Nee! Ze verloor nu het laatste beetje beheersing! Ze moest eruit! Waar ben je bang voor? Ze wist niet zeker of het haar eigen gedachte was of van die andere Egwene. De grens tussen hen was nu gaasdun. Dit is Gawein! Gawein!

‘Ik hou van je,’ zei hij aarzelend. Hij droeg zijn groene jas weer, was nog steeds minder knap dan in werkelijkheid en trok aan een van de knopen voor hij zijn hand liet zakken. Hij keek haar aan alsof hij bang was voor wat hij op haar gezicht zou bespeuren, verborg dat, maar niet zo goed. ik heb dat nog nooit tegen een andere vrouw gezegd, het nooit willen zeggen. Je hebt geen idee hoe moeilijk het is dat tegen jou te zeggen. Niet dat ik dat niet wil,’ voegde hij er haastig met zwaaiende hand aan toe. ‘Maar het te zeggen, zonder aanmoediging, is net of ik mijn zwaard opzij gooi en mijn borst voor de kling ontbloot. Niet dat ik denk dat jij... Licht! Ik kan de goede woorden niet vinden. Bestaat er enige kans dat jij... misschien... te zijner tijd... enige achting... voor mij kunt vinden? Iets... meer dan vriendschap?’

‘Lieve dwaas,’ lachte ze zachtjes, ik hou van je.’ Ik hou van je, schalde heen en weer in dat deel van haar dat echt haarzelf was. Ze voelde de afscheiding verdwijnen, kreeg één tel de kans te beseffen dat het haar niets uitmaakte en toen was er nog maar één Egwene, een Egwene die gelukkig haar armen om Gaweins hals sloeg.

Nynaeve zat op de kruk in het vage maanlicht en drukte met haar knokkels een geeuw weg. Haar knipperende ogen leken vol gruis te zitten. Dit zou goed gaan, o zeker. Ze zou in slaap vallen en hallo zeggen tegen Theodrin, zo niet eerder! Haar kin zakte omlaag en ze schoot omhoog en ging staan. De kruk begon net aan te voelen als een stuk steen – haar achterste was helemaal verdoofd – maar dat ongemak was blijkbaar niet meer voldoende. Misschien een wandeling buiten. Met gestrekte armen tastte ze zich een weg naar de deur. Opeens verbrijzelde een verre schreeuw de nacht en tegelijk trof de kruk haar hard in de rug, en stootte haar tegen de ruwe deur met een geschrokken schreeuw van haarzelf. Stomverbaasd staarde ze naar de omgevallen kruk op de grond, een poot vreemd verbogen. ‘Wat is er?’ riep Elayne die pijlsnel rechtop zat.

Nog meer geschreeuw en geroep weerklonken door Salidar, sommige vanuit hun eigen huis, en een vaag gerommel en gekletter leek overal vandaan te komen. Nynaeves bed rammelde en ze schoof een voet opzij. Elaynes bed verhief zich en gooide haar er bijna uit. ‘Een bel van het kwaad.’ Nynaeve verbaasde zichzelf dat ze zo koel klonk. Het had geen zin rond te springen en met haar armen te zwaaien, maar inwendig deed ze precies dat. ‘We moeten iedereen wakker maken die nog slaapt.’ Ze wist niet hoe iemand met al die herrie niet wakker zou worden, maar die vaste slapers konden sterven voor ze het beseften.

Ze wachtte niet op antwoord, haastte zich naar buiten, duwde de volgende deur in de gang open... en dook omlaag toen een witte waskom op hoofdhoogte over haar heen flitste en tegen de muur achter haar in scherven sloeg. Er lagen vier vrouwen in deze kamer, in twee bedden die wat groter waren dan die van haarzelf. Nu stond het ene bed omgekeerd, de poten omhoog en twee vrouwen probeerden eronder vandaan te kruipen. Op het andere bed wipten de twee Aanvaarden Emara en Ronelle op en neer, verstikte geluiden slakend omdat hun laken strak om hen heen zat gewikkeld.

Nynaeve sleurde de voorste vrouw onder het omgekeerde bed vandaan, een magere dienstmeid met open mond die Mulinda heette, en duwde haar naar de deur. ‘Lopen! Maak iedereen in huis die nog slaapt, wakker en help hen zo mogelijk! Lopen!’ Mulinda ging er struikelend vandoor en Nynaeve trok haar bevende bedgenoot overeind. ‘Help me, Satina. Help me met Emara en Ronelle.’

Ze beefde erg, maar de gezette vrouw knikte en ging vastberaden aan de slag. Het was natuurlijk niet enkel een zaak van loswikkelen. Het ding leek te leven, als een wingerd die zich samentrok om fijn te knijpen wat hij vasthield. Nynaeve en Satina konden het laken amper wegtrekken van de kelen van de twee vrouwen. Toen sprong de lampetkan op van het wastafeltje tegen de muur en sloeg tegen het plafond kapot. Satina sprong op en verloor haar greep, en het laken trok zich los uit Nynaeves handen, precies op dezelfde plek waar het eerst was geweest. Het gevecht van de twee vrouwen werd zwakker; de een maakte een gierend geluid in haar keel, de ander geen enkel. Zelfs in het beetje maanlicht dat door het venster viel, leken hun gezichten opgezet en donker.