Выбрать главу

Nicola knipperde met haar ogen. ‘Heb ik iets gezegd, Anaiya Sedai?’ vroeg ze zwakjes. ‘Ik voel me... vreemd.’

‘Nou, als je misselijk wordt,’ zei Anaiya bruusk, ‘doe dat dan meteen.

De koppeling valt bij sommige vrouwen de eerste keer soms niet goed. We hebben niet de tijd iets aan je maag te doen.’ Alsof ze dat wilde bewijzen, trok ze haar rok op en liep verder de straat af. ‘Blijf nu allemaal dicht bij elkaar. En waarschuw als je iets ziet dat we aan moeten pakken.’

Dat was amper een probleem. In de straten riepen mensen vragend wat er aan de hand was; anderen schreeuwden en dingen bewogen. Deuren klapperden en vensters vlogen open zonder dat iemand ze aanraakte. Van binnen de huizen klonk gekraak en gesplinter. Potten, gereedschappen, stenen, alles wat loszat kon omhoogspringen of elk moment wegschieten. Een forse kokkin in werkgoed griste een langsbuitelende emmer uit de lucht met een overspannen gillende lach, maar toen een bleke magere kerel in zijn ondergoed probeerde een stuk brandhout opzij te slaan, liep hij een gebroken arm op. Touwen kronkelden zich rond armen en benen, en zelfs de kleren van mensen begonnen te bewegen. Ze vonden een behaarde man met zijn hemd rond het hoofd, die zo hard om zich heen maaide dat hij mensen op afstand hield die probeerden het weg te trekken voor het hem smoorde. Een vrouw met kleren aan die niet dichtgeknoopt waren, hield zich krijsend uit alle macht vast aan het riet van de dakrand, terwijl de kleding haar over het dak wilde trekken, of misschien wel de lucht in wilde tillen.

De oplossing van de problemen was even gemakkelijk als ze te vinden. De stromen Kracht van de kring die Anaiya door de binding beheerste – en die van de andere kringen – zouden geen enkele moeite hebben gehad met een op hol geslagen kudde stieren, laat staan met een kookketel die van plan was omhoog te vliegen. Nadat het ding eenmaal was tegengehouden – door de Kracht of door sterke handen – bewoog het zelden opnieuw. Maar er was zoveel. Er was zelfs geen tijd om te helen, tenzij een leven in gevaar was; schaafwonden, bloedingen en gebroken botten dienden te wachten. Een volgende schutting tegen de grond gooien, hopelijk voor iemand een gat in zijn hoofd kreeg; een volgend vat dat wild rondrolde tegenhouden voor het een been brak.

Ergernis groeide in Nynaeve. Er moest zoveel worden verholpen. Het waren allemaal kleine dingen, maar een man met een door een braadpan ingeslagen schedel of een in haar eigen nachtgoed gestikte vrouw waren even dood als iemand die door de Kracht was neergeslagen. Het was niet enkel haar eigen ergernis; ze dacht dat iedere vrouw in de kring geërgerd was, zelfs de Aes Sedai. Maar ze kon slechts meelopen met de anderen en toezien hoe Anaiya de combinatie van hun stromen verweefde om duizenden kleine gevaren te bestrijden. Nynaeve raakte zichzelf kwijt door één te zijn met een tiental andere vrouwen. Eindelijk bleef Anaiya fronsend staan. De verdwijnende koppeling verraste Nynaeve. Heel even zakte ze in elkaar en staarde niet begrijpend rond. Gegil en geschreeuw waren overgegaan in gekreun en geween. De flauw verlichte straat was stil, afgezien van de mensen die de gewonden probeerden te helpen. Aan de maanstand te zien had het niet zo lang geduurd, maar het leek Nynaeve een hele nacht te zijn. Haar rug deed pijn waar de kruk haar had geraakt, haar knieën wilden haar amper dragen en haar ogen voelden grof en ruw. Ze gaapte zo hard dat ze dacht dat haar oren kraakten.

‘Dit had ik helemaal niet van een Verzaker verwacht,’ mompelde Anaiya half hoorbaar. Zij klonk ook vermoeid, maar besloot kordaat wat er gedaan moest worden en greep Nicola bij haar schouder. ‘Je kunt nauwelijks rechtop staan. Naar bed, jij. Vooruit, kind. Ik wil in de ochtend als eerste met jou praten, nog voor het ontbijt. Angla, jij blijft. Jij kunt nog een binding aan en wat kracht geven voor de Heling. Lanita, naar bed.’

‘Het was geen Verzaker,’ zei Nynaeve. Mummelde ze eigenlijk. Licht, wat was ze moe. ‘Het was een bel van het kwaad.’ De drie Aes Sedai staarden haar aan, net als de novices en andere Aanvaarden, met uitzondering van Elayne. Zelfs Nicola die nog niet weg was, keek. Ditmaal kon het Nynaeve niet schelen dat de vrouw haar schattend opnam; ze had te veel slaap om er wat om te geven. ‘We hebben er een in Tyr gezien,’ zei Elayne. ‘In de Steen.’ Eigenlijk hadden ze alleen gezien wat daarna was gebeurd, maar dat was voor hen al veel te dichtbij, en ze hoopten er heel ver vandaan te kunnen blijven. ‘Als Sammael ons aanviel, zou hij geen stokken rondgooien.’ Asmanaille wisselde nietszeggende blikken uit met Bharatine, een graat dunne Groene die er met een lange fraaie neus slank en knap uitzag. In Anaiya’s gezicht vertrok geen enkel spiertje. ‘Je lijkt voldoende kracht over te hebben, Elayne. Jij kunt ook bij de Heling helpen. En jij, Nynaeve... Je bent het weer kwijt, hè? Nou, je ziet eruit of je naar bed gedragen moet worden, maar je zult het op eigen houtje moeten doen. Shimoku, ga recht staan en ga naar bed, kind. Calindin, jij gaat met mij mee.’

‘Anaiya Sedai,’ zei Nynaeve behoedzaam. ‘Elayne en ik hebben vannacht iets ontdekt. Als wij onder vier ogen met u...’

‘Morgen, kind. Hup, naar bed. Nu, voor jullie omvallen.’ Anaiya wachtte niet eens om te zien of ze werd gehoorzaamd. Ze trok Calindin met zich mee en schreed naar een kreunende man die met zijn hoofd in de schoot van een vrouw lag en boog zich over hem heen. Asmanaille trok Elayne de andere kant op en Bharatine leidde Angla weer ergens anders heen. Voor Elayne tussen de mensen verdween, keek ze naar Nynaeve om en schudde even het hoofd. Nou ja, misschien was dit niet de beste tijd en plek om te vertellen over de schaal en Ebo Dar. Anaiya had vreemd gekeken, alsof het haar teleurstelde dat dit echt geen aanval van een Verzaker was geweest. Waarom? Ze was te moe om nog goed te kunnen denken. Anaiya had misschien de stromen geleid, maar van de hoeveelheid saidar die lange tijd door Nynaeve had gestroomd, zou iedereen uitgeput raken, zelfs na een hele nacht slapen.

Nynaeves ogen vielen op Theodrin. De Domani hinkte weg met twee in het wit geklede novices naast haar, bleef staan waar iemand gewond leek te zijn die ze met haar vaardigheid in helen kon helpen. Ze zag Nynaeve niet.

Ik ga naar bed, dacht Nynaeve dof. Anaiya Sedai beeft het me opgedragen. Waarom leek Anaiya teleurgesteld? In een hoekje van haar geest knaagde een gedachte, maar ze was te slaperig om die te pakken. Ze slofte weg en struikelde bijna op de vlakke grond. Ze wilde gaan slapen en Theodrin mocht ervan maken wat ze wilde.

15

Een hoop zand

Egwene deed haar ogen open en staarde niets ziend omhoog. Heel even bleef ze stil op het beddengoed liggen en frommelde gedachteloos aan de Grote Serpent-ring aan het koordje om haar hals. De ring zou aan haar vinger te veel bevreemde blikken hebben getrokken. Het was gemakkelijker een leerlinge van de Wijzen te zijn, als niemand eraan dacht dat zij een Aes Sedai was. Wat ze natuurlijk niet was. Ze was een Aanvaarde, maar had al zo lang net gedaan of ze een volleerde zuster was, dat ze soms bijna vergat dat dat niet zo was.

Een straaltje vroeg zonlicht kroop langs de voorflap naar binnen, waardoor het in de tent wat lichter werd. Ze had net zo goed niet kunnen gaan slapen, en haar hoofd klopte pijnlijk. Sinds de dag dat Lanfir haar en Aviendha bijna had gedood, deed haar hoofd na een bezoek aan Tel’aran’rhiod altijd pijn, hoewel het nooit zo erg was dat het echt lastig werd. In ieder geval had Nynaeve haar in Emondsveld ooit wat kennis van kruiden bijgebracht, en het was haar gelukt in Cairhien enkele goede te vinden. Slaapwortel kon haar doezelig maken, of misschien nu ze zo uitgeput was haar enkele uren in bed houden, maar het zou ieder plekje waar hoofdpijn zat doen verdwijnen. Ze stond op, streek haar verkreukelde, klamme nachtgoed goed en liep op blote voeten over de dikke laag tapijten naar het wasbakje, een bewerkte kristallen schaal die vermoedelijk ooit wijn met vruchten voor een of andere edelman had bevat. Nu was de schaal, net als de blauw geglazuurde lampetkan, gevuld met helder water dat nauwelijks koud aanvoelde toen ze het tegen haar gezicht spatte. Haar blik ving haar ogen in de kleine spiegel met de vergulde lijst, die tegen de donkere tentwand was gezet, en haar wangen werden vuurrood. ‘Nou, wat dacht hij dan dat er zou gebeuren?’ fluisterde ze. Het weerspiegelde gezicht werd nog roder, wat volgens haar onmogelijk moest zijn.