Выбрать главу

Het was maar een droom geweest, het was helemaal niet als Tel’aran’rhiod, waar wat er met je gebeurde ook bij het ontwaken nog echt was. Maar ze herinnerde zich alles alsof het werkelijk had plaatsgevonden. Ze meende dat haar wangen er gloeiend vanaf zouden branden. Enkel een droom en bovendien nog Gaweins droom. Hij had niet het recht op die manier over haar te dromen.

‘Het komt door hem,’ vertelde ze haar spiegelbeeld boos. ‘Niet door mij! Ik had geen enkele keus.’ Haar mond klapte zielig dicht. Hoe haalde ze het in haar hoofd: een man vanwege een droom wat verwijten, en als een domme gans tegen een spiegel praten. Ze bleef staan bij de tentflap en bukte zich om naar buiten te kijken. Haar lage tent stond aan de rand van het Aielkampement. De grijze muren van Cairhien rezen zo’n twee span naar het westen op boven de barre heuvels, met niets ertussen, afgezien van de verschroeide aarde waar Voorpoort eens de hele stad had ingesloten. Aan de scherpe lijnen van het licht te zien kwam de zon net boven de einder uit, maar de Aiel waren tussen hun tenten reeds druk bezig. Vanmorgen hoefde ze niet vroeg op te staan. Nadat ze een hele nacht niet in haar lichaam was geweest – haar wangen werden weer vuurrood; Licht, zou ze nu de rest van haar leven blozen vanwege een dróóm? ze was heel bang dat zoiets het geval was – kon ze tot de middag blijven slapen. De geur van gekookte pap was geen tegenstander van haar zware oogleden.

Vermoeid liep ze terug naar haar dekens en stortte daar neer. Ze wreef over haar slapen. Ze was te moe om de slaapwortel klaar te maken, maar ze meende ook zo moe te zijn dat het er niet toe deed. De doffe pijn verdween altijd halverwege de ochtend en als ze weer wakker werd, zou die helemaal weg zijn.

Alles overziend was het geen verrassing dat Gawein haar dromen vulde. Soms herhaalde ze een van zijn dromen. Hoewel natuurlijk niet precies. In haar eigen dromen gebeurden bepaalde pijnlijke gebeurtenissen niet of werd er luchtig aan voorbijgegaan. Gawein besteedde veel meer tijd aan het opzeggen van gedichten en aan haar vasthouden terwijl ze naar het opkomen en ondergaan van de zon keken. Hij stotterde niet wanneer hij zei dat hij van haar hield. En hij zag er even knap uit als in werkelijkheid. De andere dromen waren allemaal van haarzelf. Tedere kussen die eeuwig duurden. Over dat hij neerknielde terwijl zij haar handen om zijn gezicht legde. Sommige waren heel onlogisch. Tweemaal, vlak na elkaar, droomde ze dat ze hem bij de schouders pakte en probeerde om te draaien, zodat hij tegen zijn zin de andere kant opkeek. De eerste keer stootte hij haar handen ruw weg, de tweede keer was ze opeens sterker dan hij. De twee versmolten nevelig met elkaar. In een andere droom wilde hij een deur voor haar sluiten en wist ze dat ze dood zou zijn als die smaller wordende lichtstreep verdween.

Dromen tuimelden door haar hoofd, niet allemaal over hem en gewoonlijk waren het nachtmerries.

Perijn kwam voor haar staan, een wolf lag aan zijn voeten, een havik en een valk zaten op zijn schouders en keken elkaar over zijn hoofd heen boos aan. Hij wist het blijkbaar niet en bleef proberen zijn strijdbijl weg te gooien, tot hij uiteindelijk wegvluchtte en de bijl hem in de lucht zwevend achtervolgde. Perijn opnieuw. Hij wendde zich af van een ketellapper en vluchtte, sneller en sneller tot ze hem toeriep terug te komen. Mart sprak vreemde woorden die ze bijna meende te herkennen – de Oude Spraak, dacht ze – en twee raven streken neer op zijn schouders, hun klauwen staken door zijn jas heen in de huid eronder. Hij leek zich even weinig bewust van die twee vogels als Perijn van de havik en de valk, maar hij zag er opstandig uit en vervolgens toonde zijn gezicht grimmige aanvaarding. In een andere droom wenkte een vrouw van wie het gezicht in schaduw was gehuld, naar een groot gevaar. Egwene wist niet welk, alleen dat het monsterachtig groot was. Verscheidene dromen gingen over Rhand, niet allemaal nare dromen, maar wel allemaal vreemd. Elayne die hem met één hand op zijn knieën dwong. Elayne, Min en Aviendha die in een zwijgende kring om hem heen zaten en die ieder op haar beurt een hand uitstak en op hem legde. Ze zag hem naar een rokende berg lopen en er knarste iets onder zijn laarzen. Ze bewoog en jammerde; de krakende dingen waren de zegels van de kerker van de Duistere; ze verbrijzelden bij elke stap. Ze wist het. Ze hoefde ze niet te zien om het te weten. Zich voedend met haar angst werden haar dromen erger. De twee onbekende vrouwen uit Tel’aran’rhiod namen haar gevangen en sleepten haar mee naar een tafel, waaraan vrouwen met grote mantelkappen zaten. Toen ze die afdeden, was ieder van hen Liandrin, de Zwarte zuster die haar in Tyr had opgepakt. Een Seanchaanse met een hard gezicht overhandigde haar een zilveren armband en halsband die met een zilveren ketting waren verbonden, een a’dam. Ze moest schreeuwen; Seanchan had haar eenmaal een a’dam aangedaan. Ze stierf liever dan zoiets nogmaals toe te staan. Rhand slenterde lachend door de straten van Cairhien, terwijl hij met bliksem en vuur gebouwen en mensen liet ontploffen, en andere mensen renden met hem mee terwijl hij de Kracht rondsmeet. Dat afschuwelijke pardon was in Cairhien verkondigd, maar geen enkele man zou toch uit vrije wil geleiden? De Wijzen vingen haar in Tel’aran’rhiod en verkochten haar als een beest in de landen achter de Aiel Woestenij. Dat deden ze met de Cairhienin die ze in de Woestenij aantroffen. Zelf stond ze buiten en zag haar gezicht smelten, haar schedel openbarsten en vage gestalten die met harde stokken in haar porden. Ze porden in haar. Porden... Ze schoot snakkend naar adem omhoog en Cowinde liet zich op haar hielen naast het bed terugzakken, het hoofd gebogen in de omhulling van haar wit wollen mantel.

‘Vergeef me, Aes Sedai. Ik wilde u alleen wakker maken voor de ochtendmaaltijd.’

‘Maar daarvoor hoef je nog geen gat in mijn ribben te steken,’ mopperde Egwene en ze had meteen spijt.

Ergernis flitste op in Cowindes donkerblauwe ogen en werd onderdrukt, verborgen achter het gai’shainmasker van instemmende aanvaarding. Een gai’shain zwoer om een jaar en een dag gewillig te gehoorzamen en geen enkel wapen aan te raken. Ze aanvaardde alles, wat er ook gebeurde, of het nu een vloek was, een klap, of een mes door het hart. Hoewel voor een Aiel het doden van een gai’shain net zoiets was als het doden van een kind. Er bestond geen verontschuldiging; de dader zou door zijn eigen broeder of zuster worden gedood. Toch was het een masker, wist Egwene. Gai’shain werkten er verbeten aan, maar het bleven Aiel en Egwene kon zich geen woester volk voorstellen. Zelfs niet bij iemand als Cowinde die had geweigerd het wit af te leggen toen haar jaar en dag voorbij waren. Haar weigering was een daad van koppige trots en verzet, net zoals elke man weigerde zich voor tien vijanden terug te trekken. De ji’e’toh van de Aiel deed hen in dat soort valstrikken belandden.

Daarom probeerde Egwene haar ogen open te houden als ze iets tegen de gai’shain zei, vooral tegen een gai’shain als Cowinde. Ze konden weliswaar op geen enkele manier terugvechten zonder alles te schenden waarin ze geloofden. Aan de andere kant was Cowinde een Maagd van de Speer geweest en zou ze dat weer zijn als ze ooit overtuigd kon worden dat witte kleed uit te doen. Als de Ene Kracht niet bestond, kon ze Egwene waarschijnlijk in de knoop leggen terwijl ze tegelijkertijd haar speerblad wette.

‘Ik wil geen ontbijt,’ zei Egwene tegen haar. ‘Ga weg en laat me slapen.’