Выбрать главу

‘Geen ontbijt?’ vroeg Amys, die met tikkende, rinkelende kettingen en ivoren, zilveren en gouden armbanden de tent binnendook. Ze droeg geen ringen – dat deden Aiel nooit – maar had genoeg sieraden voor drie vrouwen, en zou nog wat overhouden. ‘Ik meende dat je weer trek in eten had.’

Ze werd gevolgd door Bair en Melaine, ieder net zo behangen met sieraden. De drie kwamen van verschillende stammen, maar terwijl de meeste andere Wijzen die de Drakenmuur hadden overgestoken, bij hun sibbe bleven, stonden hun tenten vlak bij elkaar. Ze zetten zich op fleurige kussens met kwasten aan de voet van haar beddengoed en schikten de donkere schouderdoek die Aielvrouwen altijd leken te dragen. Zij die geen Far Dareis Mai waren tenminste. Amys’ haar was even wit als dat van Bair, maar terwijl Bairs grootmoedergezicht vele diepe rimpels vertoonde, leek Amys vreemd jong te zijn, misschien vanwege die tegenstelling tussen leeftijd en gezicht. Ze zei dat ze als kind bijna even bleek was geweest.

Gewoonlijk namen Bair of Amys de leiding, maar vandaag was het de zonneblonde en groenogige Melaine die als eerste sprak. ‘Als je niet meer eet, word je niet beter. We hebben overwogen je naar de volgende ontmoeting met de andere Aes Sedai mee te nemen. Ze vragen telkens wanneer je nu eens meekomt...’

‘En maken zich iedere keer even belachelijk als de andere natlanders,’ bracht Amys vinnig naar voren. Zij was van zichzelf niet gemelijk, maar de Aes Sedai van Salidar leken haar dat te maken. Misschien kwam het alleen doordat ze met Aes Sedai spraken. Uit gewoonte hadden de Wijzen hen vermeden, vooral Wijzen die konden geleiden, zoals Amys en Melaine. Bovendien waren ze niet al te blij dat de Aes Sedai Nynaeve en Elayne bij deze ontmoetingen hadden vervangen. Dat was Egwene evenmin. Ze vermoedde dat de Wijzen het gevoel hadden dat ze die twee de ernst van Tel’aran’rhiod behoorlijk hadden doen inzien. Uit wat ze nu van die bijeenkomsten vernam, waren de Aes Sedai in het geheel niet onder de indruk. Er was sowieso maar weinig dat indruk op hen maakte.

‘Mogelijk moeten we het heroverwegen,’ vervolgde Melaine kalmpjes. Ze was vóór haar trouwen, kortgeleden, even stekelig geweest als een doornstruik, maar nu leek maar weinig door haar beheersing heen te breken. ‘Je moet niet naar de droom terugkeren tot je lichaam voldoende aangesterkt is.’

‘Je hebt kringen onder je ogen,’ zei Bair met haar bezorgde ijle stem die bij haar gezicht paste. Ze was echter in veel opzichten de hardste van het drietal. ‘Heb je slecht geslapen?’

‘Dat kan toch niet anders?’ gromde Amys. ik probeerde vannacht driemaal in haar droom te kijken en vond niets. Niemand slaapt goed als ze niet droomt.’

Egwenes mond werd kurkdroog; haar tong plakte tegen haar gehemelte. Uitgerekend in die korte tijd vannacht dat ze niet in haar eigen lichaam was geweest, hadden ze gekeken.

Melaine fronste. Niet naar Egwene, maar naar Cowinde die nog gebogen zat. ‘Er ligt een hoop zand vlak naast mijn tent,’ zei ze met iets van haar oude scherpte. ‘Zoek het na tot je een rood korreltje hebt gevonden. Als dat niet het korreltje is dat ik zoek, zul je opnieuw moeten beginnen. Ga.’ Cowinde boog tot haar gezicht de kleurige tapijten raakte en schoof toen naar buiten. Melaine keek Egwene met een prettige glimlach aan. ‘Je lijkt verbaasd. Als ze niet uit haarzelf het juiste doet, zal ik zorgen dat ze het juiste beslist. Aangezien ze volgens haar zelf mij nog steeds dient, is ze tevens mijn verantwoordelijkheid.’ Bairs lange haren zwierden heen en weer toen ze hoofdschuddend zei: ‘Het werkt zo niet.’ Ze schoof haar omslagdoek goed om haar magere rechte schouders. In haar nachtkleding stond Egwene al te zweten, terwijl de zon nog niet eens op was, maar de Aiel waren veel meer hitte gewend, ik heb Juric en Beira geslagen tot mijn arm pijn deed, maar hoe vaak ik hun ook zeg het wit af te leggen, nog voor zonsondergang zijn ze weer zo gekleed.’

‘Het is een gruwel,’ mopperde Amys. ‘Nadat we de natlanden zijn ingetrokken heeft ruim een kwart van hen na een jaar en een dag geweigerd naar hun sibbe terug te keren. Ze hebben de betekenis van ji’e’toh totaal omgebogen.’

Dat kwam door Rhand. Hij had allen onthuld wat eerder alleen stamhoofden en Wijzen hadden geweten, dat vroeger alle Aiel hadden geweigerd wapens aan te raken of geweld te plegen. Nu vonden sommigen dat iedereen gai’shain hoorde te zijn. Anderen weigerden Rhand te aanvaarden als de Car’a’carn, en nog steeds verdwenen er iedere dag enkelen om zich aan te sluiten bij de Shaidostam in de bergen in het noorden. Sommigen wierpen gewoon hun wapens op de grond en verdwenen. Niemand wist wat er verder met hen gebeurde. ‘Genomen door de grauwheid’ noemden de Aiel het. Egwene vond het eigenlijk vreemd dat geen enkele Aiel Rhand de schuld gaf, afgezien van de Shaido’s dan, maar die gaven hem overal de schuld van. De Voorspelling van Rhuidean zei dat de Car’a’carn hen op de een of andere wijze terug zou voeren en vernietigen, en ze aanvaardden het even kalm als Cowinde die een taak begon waarvan ze wist dat die hopeloos was, Op dat ogenblik zou het Egwene niet hebben kunnen schelen als iedere Aiel in Cairhien een wit kleed had aangetrokken. Als die Wijzen ook maar vermoedden wat ze had uitgespookt... Ze zou blij zijn geweest om honderden hopen zand af te graven, maar zoveel geluk zou ze wel niet hebben. Haar straf zou veel erger zijn. Amys had haar een keer beloofd dat ze geen les meer zou krijgen als ze faalde en niet precies deed wat haar werd verteld, en met die belofte was de Dromenwereld veel te gevaarlijk. Ongetwijfeld zouden de anderen ermee instemmen en ze was bang voor die straf. Duizenden zandhopen onder een verzengende zon zou niets zijn.

‘Kijk niet zo verschrikt,’ giechelde Bair. ‘.Amys is niet boos op alle natlanders, zeker niet op jou. Jij bent een dochter van onze tenten geworden. Het zijn jouw Aes Sedai-zusters. Die ene die Carlinya heet, duidde erop dat we jou misschien tegen je wil vasthouden.’

‘Erop duiden?’ Amys’ lichte wenkbrauwen klommen bijna tegen haar haren op. ‘De vrouw zei het heel openlijk.’

‘En heeft geleerd haar tong wat beter te bewaken,’ lachte Bair op het scharlakenrode kussen. ‘Daar wil ik wat om verwedden. Toen we weggingen, zat ze nog te piepen en probeerde die paarsrode poffers uit haar kleren te krijgen. Een rode poffer,’ vertrouwde ze Egwene toe, ‘lijkt veel op een rode adder, als je even bijziend bent als een natlander, maar is niet giftig. Hij kronkelt echter wel lekker in een nauwe ruimte.’

Amys snoof. ‘Ze zouden meteen verdwijnen als ze eraan dacht hen weg te denken. Die vrouw leert niets. De Aes Sedai die wij dienden in de Eeuw der Legenden kunnen nooit van die dwazen zijn geweest.’ Maar ze klonk kalmer.

Melaine zat openlijk te grijnzen en Egwene merkte dat ze meegiechelde. Veel humor van de Aiel was niet uit te leggen, maar dit begreep ze wel. Ze had Carlinya driemaal ontmoet, en denkend aan die stijve, hooghartige vrouw die ronddanste om slangen uit haar kleren te halen, had ze moeite niet in luid gelach uit te barsten. ‘Gelukkig heb je gevoel voor humor; een gezond teken,’ zei Melaine. ‘Die hoofdpijn is niet teruggekomen?’

‘Mijn hoofd voelt heel goed,’ loog Egwene en Bair knikte.

‘Prima. We waren bezorgd toen de pijn aanhield. Zolang je je beheerst en een tijdje niet de droom betreedt, hoort die weg te blijven. Wees niet bang dat je er nare gevolgen aan overhoudt; het lichaam gebruikt pijn om ons te zeggen dat we dienen te rusten.’

Dat maakte Egwene bijna opnieuw aan het lachen, maar ditmaal niet omdat het grappig was. Als de Aiel geen aandacht aan gapende wonden en gebroken botten wilden besteden, werden die gewoon genegeerd. ‘Hoe lang moet ik er nog buiten blijven?’ vroeg ze. Ze had een hekel aan haar gelieg, maar nietsdoen vond ze nog erger. De eerste tien dagen nadat Lanfir haar met iets onbekends had getroffen, waren al erg genoeg geweest. Toen had ze zonder een barstende hoofdpijn niet eens kunnen denken. Toen ze dat weer kon, hadden de ‘jeukende handen van nietsdoen’ – woorden van haar moeder – haar achter de rug van de Wijzen om naar Tel’aran’rhiod gedreven. Als je rustte, leerde je niks. ‘De volgende bijeenkomst, zei je?’