‘Misschien,’ zei Melaine schouder ophalend. ‘We zien wel. Maar je moet eten. Als je niet naar eten verlangt, is er iets mis waarvan wij niets weten.’
‘O, ik kan eten.’ De pap die buiten stond te pruttelen rook goed. ik was enkel wat lui, vermoed ik.’ Opstaan en daarbij niet in elkaar krimpen, was heel lastig. Haar hoofd vond het niet prettig nu al te bewegen. ‘Ik heb gisteravond nog enkele andere vragen bedacht.’ Melaine liet haar ogen vermaakt heen en weer rollen. ‘Nadat je gewond bent geraakt, heb je wel vijfmaal zoveel gevraagd als ervoor.’ Omdat ze trachtte dingen zelf uit te zoeken. Ze kon dat natuurlijk niet zeggen, dus haalde ze schoon ondergoed uit een van de kistjes die langs de tentwand stonden en trok het schone goed aan. ‘Vragen zijn goed,’ zei Bair. ‘Vraag.’
Egwene koos haar woorden zorgvuldig en ging gewoon door met zich aan te kleden. Ze trok eenzelfde wit algoedhemd en een ruim vallende wollen rok aan als de Wijzen droegen, is het mogelijk om tegen je wil in de droom van iemand anders te worden getrokken?’
‘Natuurlijk niet,’ zei Amys, ‘tenzij je het onhandig aanpakt.’ Maar Bair zei er meteen na: ‘Niet tenzij er sterke gevoelens bij betrokken zijn. Als je probeert de droom van iemand te bekijken die van je houdt of je haat, kun je erin worden getrokken. Of wanneer jij hem haat of liefhebt. Dat laatste is de reden waarom we niet in Sevanna’s dromen durven te kijken en zelfs niet met de Wijzen van de Shaido in de droom durven te spreken.’ Het verbaasde Egwene nog steeds dat deze vrouwen en andere Wijzen, de Wijzen van de Shaido bezochten en met hen spraken. Wijzen werden geacht boven de vetes en strijd te staan, maar zij vond dat hun afstandelijke optreden tegenover de Shaido’s, de tegenstanders van de Car’a’carn, die van plan waren hem te doden, wel wat al te ver werd doorgevoerd. ‘Ontsnappen uit de droom van iemand die je liefheeft of haat,’ besloot Bair, ‘is net of je met steile wanden uit een diepe kuil probeert te klimmen.’
‘Zo is dat.’ Amys leek opeens haar humor terug te vinden. Ze keek Melaine van terzijde aan. ‘Daarom maakt geen enkele droomloopster ooit de fout te pogen in de droom van haar man te kijken.’ Melaine staarde strak voor zich uit en haar gezicht werd rood. ‘Ze maakt die fout in elk geval geen tweede keer,’ voegde Amys eraan toe. Bair grijnsde, waardoor haar rimpels nog dieper werden en keek heel nadrukkelijk Melaine niet aan. ‘Het kan heel schokkend zijn, vooral wanneer hij boos op je is. Om maar eens wat te noemen, stel dat ji’e’toh hem van je wegneemt en jij bent zo stom om als een dwaas kind tegen hem te zeggen dat hij niet hoort te gaan als hij echt van je houdt.’
‘Dit heeft helemaal niets met haar vraag te maken,’ zei een vuurrode Melaine stijfjes. Bair lachte kakelend.
Egwene onderdrukte haar nieuwsgierigheid en vermaak en zorgde dat haar stem heel afwezig klonk. ‘En wat gebeurt er als je niet probeert naar binnen te kijken?’ Melaine keek haar dankbaar aan, en ze voelde een steekje berouw. Niet zo erg echter dat ze later niet naar het hele verhaal zou vragen. Iets dat bij Melaine zo’n blos veroorzaakte, moest wel lachwekkend zijn.
‘Ik heb ooit eens zoiets gehoord,’ zei Bair. ‘Toen ik nog jong was en net begon met de lessen. Mora, de Wijze van Colradaveste, gaf me oefenlessen, en ze vertelde dat als het gevoel héél sterk was, als de liefde of haat zo groot was dat er voor niets anders ruimte bestond, dat je louter door het besef van die droom van de ander erin getrokken kon worden.’
‘Zoiets heb ik nooit eerder gehoord,’ zei Melaine. Amys keek slechts vol twijfel.
‘Ik evenmin, afgezien van Mora,’ zei Bair, ‘maar zij was een opmerkelijke vrouw. Men zei dat ze tegen de driehonderd was toen ze stierf aan de beet van een bloedslang, maar dat ze er even jong uitzag als een van jullie. Ik was nog maar een meisje, maar ik herinner me haar nog goed. Ze wist veel en was een sterke geleidster. Van elke stam kwamen andere Wijzen om van haar te leren. Ik denk dat zulke liefde of zulke sterke haat heel zelden voorkomt, maar zij vertelde dat het haar tweemaal is overkomen, eenmaal met de eerste man die ze trouwde en eenmaal met een tegenstandster om de belangstelling van haar derde man te trekken.’
‘Driehonderd?’ riep Egwene uit, die een kniehoge laars net half had dichtgeknoopt. Er waren zelfs geen Aes Sedai die zo oud waren. ‘Ik zei dat dat werd gezegd,’ antwoordde Bair glimlachend. ‘Sommige vrouwen worden minder snel oud dan andere, zoals Amys, en wanneer het een vrouw als Mora betreft, dan worden de verhalen gemaakt. Op een dag zal ik je het verhaal vertellen over hoe Mora een berg verplaatste. Naar verluidt, tenminste.’
‘Een andere dag, graag,’ zei Melaine een tikkeltje te beleefd. Ze vond het duidelijk nog steeds vervelend wat er in Baels droom was gebeurd en dat de anderen dat wisten. ‘Ik heb ieder verhaal over Mora als kind al gehoord. Ik denk dat ik ze vermoedelijk van buiten ken. Als Egwene ooit nog eens klaarspeelt zich aan te kleden, kunnen we zorgen dat ze eten krijgt.’ Een glans in haar groene ogen zei dat ze van plan was erop toe te zien dat alles werd opgegeten. Haar achterdocht over Egwenes gezondheid was nog niet verdwenen. ‘En haar andere vragen beantwoorden.’
Verwoed zocht Egwene naar een andere vraag. Gewoonlijk had ze er een hele hoop, maar de gebeurtenissen van die nacht hadden haar alleen deze ingegeven. Als ze het hierbij liet, zouden ze zich misschien afvragen of die vraag voortkwam uit het feit dat ze toch stiekem in andermans droom had geloerd. Nog een vraag. Niet over haar eigen vreemde dromen. Sommige hadden waarschijnlijk betekenis als ze achter de betekenis kon komen. Anaiya beweerde dat Egwene een droomster was, in staat de loop van toekomstige gebeurtenissen te voorspellen, en deze drie vrouwen dachten het eveneens, maar zeiden ook dat zij het vanbinnen moest leren. Bovendien wist ze niet zeker of ze die dromen met iemand anders wilde bespreken. Deze vrouwen wisten al meer van wat er in haar hoofd omging dan ze echt prettig vond. ‘Eh... hoe zit het met de droomloopsters die geen Wijzen zijn? Ik bedoel, hebben jullie ooit andere vrouwen in Tel’aran’rhiod gezien?’
‘Soms,’ zei Amys, ‘maar niet zo vaak. Zonder een gids die haar kan leiden, beseft een vrouw mogelijk niet eens dat er meer aan de hand is dan wat levendige dromen.’
‘En natuurlijk is ze onwetend,’ voegde Bair eraan toe, ‘dus de droom kan haar wellicht doden voor ze leert...’
Egwene ontspande zich nu ze over minder gevaarlijke onderwerpen spraken. Ze had een beter antwoord gekregen dan waarop ze mocht hopen. Ze wist reeds dat ze van Gawein hield – Wist je dat dan echt! fluisterde een stemmetje. Was je bereid dat toe te geven? – en zijn dromen bewezen dat hij van haar hield. Aan de andere kant, als mannen overdag niet-gemeende dingen konden zeggen, konden ze die waarschijnlijk ook dromen. Maar nu de Wijzen het bevestigd hadden, dat hij zozeer van haar hield dat daarmee alles werd afgedwongen... Nee. Dat moest ze later afhandelen. Ze had geen enkel idee waar hij was. Nu was het belangrijkste dat ze het gevaar kende. Ze zou in staat zijn de volgende keer Gaweins droom te herkennen en die te vermijden. Als je dat echt wilt, fluisterde het stemmetje weer. Ze hoopte dat de Wijzen de felle blos op haar wangen voor een gezond uiterlijk hielden. Ze had graag de betekenis van haar eigen dromen willen weten. Als ze al iets betekenden.
Geeuwend klom Elayne op een stenen opstapje zodat ze over de hoofden van de menigte heen kon kijken. Er waren vandaag geen soldaten in Salidar, maar de straat was vol mensen en er hingen zelfs mensen uit vensters. Ze wachtten, sisten als iemand praatte, en staarden duidelijk gespannen afwachtend naar de Kleine Toren. Schuifelende voeten en af en toe wat gehoest door het opwarrelende stof waren de enige geluiden. Ondanks de vroege ochtendhitte bewogen de mensen zich amper, alleen zwaaide hier en daar een waaier of een hoed voor een fris windje.