Leane stond in de ruimte tussen twee huizen met rietdaken, gearmd met een lange man met een hard gezicht die Elayne nooit eerder had gezien. Heel innig gearmd. Een van haar faktoors, ongetwijfeld. De meeste ogen-en-oren van de Aes Sedai waren vrouwen, maar die van Leane leken allemaal mannen te zijn. Ze hield hen goed uit het zicht, maar Elayne had een- of tweemaal gezien hoe ze een onbekende wang streelde en glimlachte naar een paar vreemde ogen. Ze had geen idee hoe Leane dat klaarspeelde. Elayne wist zeker dat als zij die Domani-kunstjes zou vertonen, de kerel zou denken dat ze veel meer beloofde dan ze van plan was, maar deze mannen aanvaardden Leanes streling en glimlach en draafden even gelukkig weg als iemand die een kist met goud had ontvangen.
Ergens anders in de menigte zag Elayne Birgitte die vanmorgen wijselijk uit haar buurt bleef. Voor de afwisseling was die afschuwelijke Areina nergens te zien. De nacht was vol opwinding geweest en Elayne had pas naar bed gekund toen de hemel al enigszins grijs begon op te lichten. Ze zou trouwens helemaal niet zijn gaan slapen, als Birgitte niet tegen Asmanaille had gezegd dat Elayne er volgens haar zwakjes uitzag. Het ging natuurlijk helemaal niet om hoe ze eruitzag; de binding met een zwaardhand werkte twee kanten uit. Nou goed, ze was wat moe, en wat dan nog? Er moest veel worden gedaan en ze kon nog steeds beter geleiden dan de helft van de Aes Sedai hier in Salidar. De binding vertelde haar dat Birgitte niet had geslapen, zij niet! Elayne werd als een novice naar bed gestuurd, terwijl Birgitte de hele nacht gewonden wegdroeg en puinruimde!
Een blik toonde dat Leane weer alleen was en zich de menigte indrong om een goed plekje te zoeken. De lange man was niet meer te zien. Een gapende Nynaeve met dikke wallen onder de ogen klom naast Elayne en keek woest een houtsnijder met een leren vest weg die er eerder zou zijn geweest. In zichzelf mompelend schoof de man weer de menigte in. Elayne had liever gehad dat Nynaeve zoiets niet deed. Dat geeuwen, niet die boze blik. Haar eigen kaak volgde krakend Nynaeves voorbeeld voor ze het kon onderdrukken. Er bestond enige verontschuldiging voor Birgitte – misschien een beetje – maar geen enkele voor Nynaeve. Theodrin had nooit kunnen verwachten dat ze na vannacht wakker had kunnen blijven en Elayne had Anaiya haar horen zeggen naar bed te gaan. Niettemin was ze nog wakker bij Elaynes binnenkomst en hield ze zich in evenwicht op de kruk ondanks de verbogen poot, waarbij haar hoofd om de paar tellen omlaag zakte en ze voortdurend mompelde dat ze Theodrin, dat ze iedereen weleens wat zou laten zien.
De a’dam-armband bracht natuurlijk angst naar Elayne over, maar ook iets dat mogelijk pret was. Moghedien had de nacht verstopt onder het bed doorgebracht, had niets opgelopen en geen rommel hoeven opruimen omdat ze zich zo goed had schuilgehouden. Ze had zelfs de rest van de nacht lekker kunnen slapen, nadat de eerste opwinding was weggestorven. Het leek erop dat het oude gezegde over het geluk van de Duistere soms nog waar was ook.
Nynaeve gaapte opnieuw en Elayne wendde met een ruk haar ogen af. Desondanks moest ze haar vuist tegen haar mond persen voor een vergeefse poging Nynaeve niet na te doen. De schuifelende voeten en kuchjes kregen iets ongeduldigs.
De Gezetenen waren nog met Tarna in de Kleine Toren, maar voor de vroegere herberg stond haar grijsbruine ruin reeds klaar bij een tiental zwaardhanden die de teugels van hun paarden vasthielden. Als je naar hun van kleur veranderende mantels keek, werd je misselijk, maar ze vormden een erewacht voor de eerste spannen van Tarna’s terugreis naar Tar Valon. De menigte wachtte op meer dan het vertrek van de gezant, hoewel de meeste mensen er even uitgeput uitzagen als Elayne zich voelde.
‘Je zou bijna denken dat ze... dat ze...’ Nynaeve slaakte weer een enorme geeuw achter haar hand.
‘O, bloed en as,’ mopperde Elayne, althans ze probeerde dat te doen. Alles achter ’o’ kwam eruit als een verstikt gekraak rond de vuist voor haar mond. Lini zei altijd dat vloeken het bewijs was van een suffe en ’ trage geest – vlak voordat ze haar mond moest gaan spoelen – maar daarmee kon je wel met een gering aantal woorden je gevoelens uiten. Ze zou graag meer hebben gezegd maar kreeg geen kans. ‘Waarom geven ze haar ook geen optocht?’ gromde Nynaeve. ‘Ik begrijp niet waarom ze zo’n mens al die frutsels en strikjes geven.’ Ze gaapte weer. Weer!
‘Omdat ze een Aes Sedai is, slaapkop,’ zei Siuan die bij hen kwam staan. ‘Twee slaapkoppen,’ voegde ze er na een blik op Elayne aan toe. ‘Je kunt zo nog elritsen vangen als je niet oppast.’ Elayne klemde haar tanden op elkaar en keek de oudere vrouw zo kil mogelijk aan. Als gewoonlijk rolde dat als een regendruppel van een gladde dakpan. ‘Tarna is Aes Sedai, beste meisjes,’ ging Siuan verder terwijl ze naar de wachtende paarden keek. Of trok de schoongemaakte wagen die voor het stenen gebouw werd geplaatst, haar aandacht? ‘Een Aes Sedai is een Aes Sedai en daar verander je niets aan.’ Nynaeve schonk haar een ’ blik die ze niet opving.
Elayne was blij dat Nynaeve haar mond hield. Het voor de hand liggende antwoord zou pijnlijk zijn geweest. ‘Hoeveel slachtoffers zijn er vannacht gevallen?’
Siuan gaf antwoord zonder haar ogen van de deur af te wenden, waar Tarna zou verschijnen. ‘Zeven doden hier in het dorp. Bijna honderd in het legerkamp; daar lagen overal zwaarden, bijlen en wapens, en was niemand die kon geleiden. Er zijn zusters heen om te helen.’
‘Heer Garet?’ vroeg Elayne een tikkeltje bezorgd. De man gedroeg zich ’ nu misschien wel kil, maar in haar kindertijd had hij haar warm toegelachen en had hij in zijn zak altijd zoetigheid voor haar. Siuan snoof zo luid dat er mensen omkeken. ‘Die! ?’ mopperde ze. ‘Een leeuwvis zou z’n tanden nog op die man breken.’
‘Je schijnt vanmorgen een beste bui te hebben,’ merkte Nynaeve op. ‘Ben je eindelijk te weten gekomen wat de boodschap van de Toren inhield? Heeft Garet Brin je ten huwelijk gevraagd? Is er iemand dood die je...’
Elayne probeerde niet naar Nynaeve te kijken; alleen het geluid van een geeuw liet haar kaken reeds kraken.
Siuan keek Nynaeve effen aan, maar ditmaal beantwoordde Nynaeve die blik even vlak, zij het met waterige, kleine oogjes. ‘Als je iets te weten bent gekomen,’ kwam Elayne tussenbeide voordat ze elkaar zouden doodstaren, ‘vertel het ons dan.’
‘Een vrouw die beweert Aes Sedai te zijn, terwijl ze het niet is,’ mompelde Siuan alsof ze zich terloops iets liet ontvallen, ‘zit echt tot aan haar nek in een kookpot. Indien ze aanspraak heeft gemaakt op een Ajah, heeft die Ajah als eerste het recht haar ter verantwoording te roepen. Heeft Mijrelle jullie weleens verteld over de vrouw die ze in Chachin gevangennam en die beweerde een Groene te zijn? Een vroegere novice die niet voor haar proef van Aanvaarde slaagde. Vraag het haar maar eens als ze een paar uur vrij is. Zo lang duurt haar verhaal wel. Voor Mijrelle klaar met haar was, verlangde het dwaze kind er waarschijnlijk vurig naar om gesust te worden, gesust en onthoofd, vermoed ik.’
Om de een of andere reden maakte het dreigement op Nynaeve even weinig indruk als de woeste blik. Het riep zelfs geen rillinkje op. Misschien waren ze beiden gewoon te moe. ‘Je vertelt me wat je weet,’ zei Elayne zachtjes, ‘anders zal ik je de volgende keer dat we alleen zijn leren hoe je rechtop kunt zitten, en mag je jankend naar Sheriam hollen als je dat wenst.’ Siuan kneep haar ogen samen, en opeens slaakte Elayne een gilletje terwijl ze haar hand tegen haar heup sloeg. Siuan trok de hand die geknepen had terug zonder het te verheimelijken. ik slik dreigementen niet zo best, meisje. Je weet net zo goed als ik wat Elaida heeft gezegd: jij hebt van iedereen hier het als eerste gezien.’
‘Kom terug, alles is vergeven?’ vroeg Nynaeve ongelovig. ‘Min of meer. Met een scheepsruim aan visafval dat de Toren nu meer dan ooit één dient te zijn en wat glibberige aal dat niemand vrees hoeft te koesteren, behalve zij die zich als echte opstandelingen hebben gedragen. Het Licht mag weten wat ze daarmee bedoelt. Ik niet.’
‘Waarom houden ze het geheim?’ wilde Elayne weten. ‘Ze nemen toch niet aan dat iemand naar Elaida terug wil? Ze hoeven slechts naar Logain te gaan.’ Siuan zei niets maar keek fronsend naar de wachtende zwaardhanden.