‘Ik begrijp nog steeds niet waarom ze meer tijd willen hebben,’ mopperde Nynaeve. ‘Ze weten wat hun te doen staat.’ Siuan hield haar mond, maar Nynaeves wenkbrauwen gingen langzaam omhoog. ‘Je wist het antwoord, hè?’
‘Nu weet ik het.’ Siuan beet de woorden af en zei iets binnensmonds dat klonk als ‘slap geknede stommelingen’. In stilte was Elayne het met haar eens.
Opeens ging de voordeur van de vroegere herberg open. Een handvol Gezetenen kwam met hun stola’s met franje naar buiten, een van iedere Ajah, daarna Tarna, gevolgd door de anderen. Als de wachtende mensen iets van een plechtig afscheid hadden verwacht, kwamen ze bedrogen uit. Tarna steeg op, liet haar ogen langzaam over de Gezetenen glijden, wierp met een nietszeggend gezicht een blik op de menigte en spoorde de ruin met haar hielen aan tot een trage stap. De kring van zwaardhanden volgde haar. Een bezorgd gemompel, als het geluid van verstoorde bijen, steeg van de toeschouwers op terwijl ze opzij weken.
Dit gemompel duurde tot Tarna buiten het dorp uit het zicht was verdwenen. Romanda was op de kar gestapt waarbij ze handig haar stola met gele franje goed schikte. Er viel een doodse stilte. Het was de gewoonte dat de oudste Gezetene de mededelingen van de Zaal verstrekte. Romanda bewoog zich natuurlijk niet als een oude vrouw, en haar gezicht was even leeftijdloos als van de andere Aes Sedai, desondanks toonden haar lokken grijs haar dat ze behoorlijk oud was voor een Aes Sedai. Het knotje achter in haar nek was lichtgrijs zonder een donker haartje. Elayne vroeg zich af hoe oud ze was, maar het was uiterst onbeleefd een Aes Sedai naar haar leeftijd te vragen. Romanda weefde eenvoudige stromen Lucht zodat haar lichte, hoge stem heel ver droeg. Het leek Elayne of ze vlak voor de vrouw stond. ‘Velen van jullie zijn deze laatste paar dagen nodeloos bezorgd geweest. Indien Tarna Sedai niet naar ons zou zijn gekomen, zouden we zelf boodschappers naar de Witte Toren hebben gezonden. Er kan tenslotte nauwelijks gezegd worden dat wij ons hier verbergen.’ Ze zweeg even alsof ze de menigte tijd gunde om te lachen, maar die bleef haar strak aankijken en ze schikte haar stola. ‘Ons doel hier is niet gewijzigd. Wij zoeken waarheid en gerechtigheid, we doen wat juist is...’
‘Voor wie juist?’ mompelde Nynaeve.
‘... en we zullen niet buigen of verslappen. Ga door met de door jullie opgevatte taken en weest verzekerd dat jullie door onze handen beschut zullen blijven, nu en na onze verwachte terugkeer op de ons toekomende plaatsen in de Witte Toren. Het Licht schijne op u allen. Het Licht schijne op ons allen.’
Opnieuw steeg gemompel op, en de menigte begon zich traag te verspreiden, terwijl Romanda van de kar afstapte. Siuans gezicht had uit rots gehouwen kunnen zijn; ze klemde haar lippen zo strak opeen dat ze bloedeloos leken. Elayne wilde wat vragen, maar Nynaeve sprong van de verhoging af en baande zich een weg naar het twee verdiepingen hoge gebouw. Elayne volgde snel. De vorige nacht was Nynaeve bereid geweest alles wat ze hadden opgestoken, eruit te gooien, zonder zich ergens om te bekommeren. Ze moesten het voorzichtig brengen, wilde het enig nut hebben voor een ommekeer van de Zaal. Het leek haar vrijwel zeker dat de Zaal een andere richting diende in te slaan. Romanda’s mededeling was een hele, volle kar met niets geweest. Siuan was er in ieder geval door van streek.
Terwijl Elayne zich tussen twee stevige kerels door drong die Nynaeve boos nastaarden – ze was echt boven op hun tenen gaan staan om erlangs te kunnen – keek ze om en zag hoe Siuan haar en Nynaeve nakeek. Heel even maar. Zodra de vrouw besefte dat Elayne haar zag, deed ze net of ze iemand in de menigte herkende en sprong ze omlaag alsof ze erheen wilde. Fronsend haastte Elayne zich verder. Was Siuan nu van streek of niet? Hoeveel van haar ergernis en onwetendheid was echt, hoeveel gespeeld? Nynaeves idee om naar Caemlin te vluchten – Elayne was er niet zeker van of ze het echt had opgegeven – was meer dan dwaas, maar zelf wilde ze graag naar Ebo Dar of iets echt nuttigs doen. Al die geheimen en verdenkingen waren als jeuk waar je niet bij kon. Hopelijk gedroeg Nynaeve zich niet stijfkoppig. Ze haalde Nynaeve net in op het ogenblik dat ze Sheriam aansprak, dicht bij de kar die Romanda had gebruikt. Morvrin stond er ook, evenals Carlinya, alle drie met stola. Alle Aes Sedai droegen vanmorgen hun stola. Carlinya’s korte haar, zo gekapt dat het strak met kleine krulletjes rond haar hoofd zat, was het enige bewijs van het bijna rampzalige voorval in Tel’aran’rhiod.
‘We moeten met u spreken, alleen,’ zei Nynaeve tegen Sheriam. ‘Onder vier ogen.’
Elayne zuchtte. Geen best begin, maar het kon slechter.
Sheriam nam het tweetal even op, wierp een blik op Morvrin en Carlinya en zei: ‘Goed dan. Binnen.’
Toen ze zich omdraaiden, stond Romanda tussen hen en de deur. Ze was een stevige, knappe, donkerogige vrouw, die haar stola met bloemen en ranken rond de Vlam van Tar Valon hoog om haar schouders droeg. Ze negeerde Nynaeve en schonk Elayne een warme glimlach, een van die Aes Sedai-glimlachjes die Elayne de laatste tijd verwachtte en vreesde. Sheriam, Carlinya en Morvrin kregen echter een heel andere blik. Ze staarde hen uitdrukkingsloos en met opgeheven hoofd aan tot ze een kleine knix maakten en mompelden: ‘Met uw toestemming, Gezetene.’ Daarna pas stapte ze luid snuivend opzij. De gewone voorbijgangers merkten het natuurlijk niet, maar Elayne had hier en daar wat woorden van Aes Sedai opgevangen over Sheriam en haar raadgevende groepje. Sommigen dachten dat ze alleen voor de dagelijkse zaken in Salidar zorgden en zo de Zaal tijd bespaarden voor belangrijker zaken. Sommigen wisten dat ze invloed hadden op de Zaal, maar hoeveel, hing af van de spreekster. Romanda vond dat ze veel te veel invloed hadden, en was nog ontevredener omdat er twee Blauwen en geen enkele Gele in hun midden was. Elayne voelde hoe ze keek terwijl ze de anderen naar binnen volgde. Sheriam ging hen voor naar een van de kleine kamertjes naast de vroegere gelagkamer, met een door houtworm aangetaste lambrisering en een met papieren bezaaide tafel tegen de muur. Haar wenkbrauwen gingen ver omhoog toen Nynaeve hun verzocht een ban tegen luistervinken te plaatsen, maar ze weefden de ban zonder verdere vragen. Denkend aan Nynaeves uitstapje keek Elayne of beide vensters goed afgesloten waren.
‘Ik verwacht nu minstens te horen dat Rhand Altor onderweg is naar Salidar,’ merkte Morvrin droogjes op. De twee andere Aes Sedai wisselden een snelle blik. Elayne onderdrukte haar verontwaardiging. Ze dachten echt dat zij en Nynaeve geheimen over Rhand achterhielden. Aes Sedai met hun geheimen!
‘Dat niet,’ antwoordde Nynaeve, ‘maar iets even belangrijks, zij het op een andere manier.’
Ze diste het hele verhaal op over hun uitstapje naar Ebo Dar en hun vondst van de ter’angreaal-schaal. Niet in de juiste volgorde en ze zweeg over de Witte Toren, maar ze noemde alle wezenlijke punten. ‘Weet je zeker dat die schaal een ter’angreaal is?’ vroeg Sheriam, nadat Nynaeve was uitgesproken. ‘Met invloed op het weer?’
‘Jawel, Aes Sedai,’ antwoordde Elayne slechts. Je kon altijd het best eenvoudig beginnen. Morvrin gromde; die vrouw twijfelde aan alles. Sheriam knikte en verschoof haar stola. ‘Dan hebben jullie het goed gedaan. We zullen een brief naar Merilille sturen.’ Merilille Ceandevin was de Grijze zuster die naar de koningin in Ebo Dar was gezonden om haar te overtuigen dat ze Salidar moest steunen. ‘We hebben bijzonderheden nodig.’
‘Ze zal het nooit vinden,’ barstte Nynaeve los voor Elayne iets kon zeggen. ‘Elayne en ik wel.’ De ogen van de Aes Sedai verkilden. ‘Het zal waarschijnlijk onmogelijk voor haar zijn,’ bracht Elayne haastig naar voren. ‘We hebben gezien waar de schaal is, en voor ons zal het toch ook moeilijk zijn. Maar wij wéten tenminste wat we hebben gezien. Een beschrijving op papier is gewoon niet hetzelfde.’
‘Ebo Dar is geen stad voor een Aanvaarde,’ zei Carlinya koud. Morvrins stem was wat vriendelijker, maar nog hard. ‘We moeten allen doen wat we het beste kunnen, kind. Denk je dat Edesina, Afara of Guisin naar Tarabon wilden gaan? Wat kunnen zij doen om in dat onrustige land weer orde te brengen? Maar we moeten het proberen, dus zijn ze gegaan. Kiruna en Bera zijn vermoedelijk op dit ogenblik in de Rug van de Wereld, op zoek naar Rhand Altor in de Aiel Woestenij omdat wij dachten – alleen dachten – dat hij daar was toen wij hen stuurden. Dat we gelijk hadden en hij inmiddels uit de Woestenij te voorschijn is gekomen, maakt hun reis niet minder vergeefs. We doen allen wat we kunnen en wat we moeten. Jullie twee zijn Aanvaarden. Aanvaarden gaan er niet zomaar vandoor naar Ebo Dar of waar dan ook. Wat jullie twee kunnen en moeten doen, is hier blijven studeren. Zelfs als jullie volleerde zusters waren geweest, zou ik nog steeds vinden dat jullie hier dienen te blijven. Niemand heeft de laatste honderd jaar het soort vindingen gedaan die jullie hebben ontdekt, en dan nog zoveel in zo’n korte tijd.’