Выбрать главу

Omdat Nynaeve nu eenmaal Nynaeve was, negeerde ze wat ze niet wilde horen en richtte ze haar aandacht op Carlinya. ‘We hebben onszelf in Tanchico ook heel behoorlijk gered, dank u wel. Ik betwijfel of Ebo Dar even erg zal zijn.’

Elayne bedacht dat de vrouw niet eens merkte dat ze haar vlecht in een dodelijke greep vasthield. Zou Nynaeve nooit leren dat gewone beschaafdheid soms won wat eerlijkheid zeker verloor? ‘Ik begrijp uw zorgen, Aes Sedai,’ zei Elayne, ‘maar hoe onbescheiden het misschien ook is, de waarheid is dat ik geschikter ben voor het vinden van een ter’angreaal dan ieder ander in Salidar. En Nynaeve en ik weten beter waar we moeten kijken dan we ooit kunnen beschrijven. Als u ons naar Merilille Sedai zendt, kunnen we het onder haar leiding binnen de kortste keren zeker vinden. Enkele dagen naar Ebo Dar over de rivier en enkele dagen voor de terugreis, met een paar dagen onder toezicht van Merilille Sedai in Ebo Dar.’ Het kostte grote moeite niet diep adem te halen. ‘Ondertussen kunt u een bericht sturen naar een van de ogen-en-oren van Siuan Sanche in Caemlin, zodat het er zal zijn wanneer Merana en haar gezantschap aankomen.’

‘Bij het Licht, waarom moeten we dat doen?’ gromde Morvrin. ik dacht dat Nynaeve het u had verteld, Aes Sedai. Ik ben er niet zeker van, maar ik denk dat de schaal een geleider nodig heeft om te kunnen werken.’

Dat veroorzaakte natuurlijk een klein oproer. Carlinya snakte naar adem en Morvrin mompelde in zichzelf, terwijl Sheriams mond zowaar openviel. Ook Nynaeve keek haar met open mond aan, maar dat duurde slechts kort. Elayne was er zeker van dat Nynaeve het verborg voor de anderen het zagen. Ze waren te stomverbaasd om nog veel op te merken. Het kwam erop neer dat ze gewoon een zuivere leugen had uitgesproken. Gewoon was de sleutel. Men nam aan dat de grootste verrichtingen in de Eeuw der Legenden waren gedaan door mannen en vrouwen die samen geleidden, waarschijnlijk gekoppeld. Hoogstwaarschijnlijk bestonden er ter’angrealen die alleen bij een man werkten. En als zij die schaal al niet kon laten werken, kon niemand in Salidar dat. Behalve Nynaeve misschien. Als Rhand ervoor nodig was, dan konden ze de kans niet laten lopen iets aan het weer te doen, en tegen de tijd dat zijzelf ‘ontdekte’ dat een kring vrouwen de schaal kon gebruiken, zouden de Aes Sedai van Salidar zich te nauw met Rhand hebben verbonden om dat ongedaan te maken. ‘Alles goed en wel,’ zei Sheriam ten slotte, ‘maar dat verandert niets aan het feit dat jullie Aanvaarden zijn. We zullen een brief naar Merilille sturen. Er is wat gepraat over jullie twee...’

‘Gepraat!’ snauwde Nynaeve. ‘Dat is het enige dat jullie doen, jullie en de Zaal! Gepraat! Elayne en ik kunnen die ter’angreaal vinden, maar jullie blijven liever kwetteren als een stel mussen in heet zand.’ Ze sprak zo snel dat de woorden over elkaar heen tuimelden en hield haar vlecht zo stevig vast dat Elayne elk ogenblik verwachtte dat ze hem los zou trekken. ‘Jullie blijven hier zitten in de hoop dat Thom, Juilin en anderen terugkomen met het bericht dat de Witmantels niet als een Iawine op ons neervallen, terwijl ze misschien terugkeren met de Witmantels op hun hielen. U zit hier maar wat in het probleem Elaida te porren en duimen te draaien over Rhand in plaats van te doen wat jullie van plan waren. Weten jullie al hoe jullie je tegenover Rhand opstellen? Weten jullie dat al, terwijl het gezantschap onderweg is naar Caemlin? Weten jullie waarom jullie maar zitten te kletsen? Ik wel! Jullie zijn bang. Bang voor een verdeelde Toren, bang voor Rhand, bang voor de Verzakers, voor de Zwarte Ajah. Gisteravond liet Anaiya zich ontvallen dat jullie een plan klaar hadden voor het geval een Verzaker zou aanvallen. AI die gekoppelde groepen die de bellen van het kwaad bestreden – geloven jullie nu eindelijk in die bellen? – waren allemaal slecht samengesteld; de meeste kringen hadden meer novices dan Aes Sedai. Omdat slechts enkele Aes Sedai het van tevoren wisten! Jullie denken dat de Zwarte Ajah hier in Salidar zit. Jullie waren bang dat je plannetje aan Sammael verklikt zou worden, of aan een ander. Jullie vertrouwen elkaar niet! Jullie vertrouwen niemand! Is dat de reden dat jullie ons niet naar Ebo Dar sturen? Denken jullie dat wij van de Zwarte Ajah zijn, of dat we naar Rhand overlopen? Of... of...’ Haar stem stierf weg in een woedend gesputter en gehijg. Tijdens haar woordenvloed had ze amper de tijd genomen om adem te halen. Het eerste dat Elayne voelde, was dat ze dit op een of andere wijze moest gladstrijken, al wist ze niet waar ze moest beginnen. Het was waarschijnlijk gemakkelijker de Rug van de Wereld glad te strijken. Door de Aes Sedai vergat ze zich er zorgen over te maken of het Nynaeve gelukt was alles in één klap stuk te slaan. De uitdrukkingsloze gezichten, de ogen die door rots schenen te kijken, zouden helemaal niets hebben moeten tonen. Maar haar werd wel iets duidelijk. Ze bespeurde niets van de koude boosheid die gewoonlijk iemand die zo stom was tegen een Aes Sedai te tieren, ten deel zou vallen. Er werd iets verhuld, en het enige dat verborgen kon worden was de waarheid, een waarheid die ze zelf niet onder ogen wilden zien. Ze waren bang. ‘Klaar?’ vroeg Carlinya met een stem die de zon hoog aan de hemel had kunnen bevriezen.

Elayne niesde en stootte haar hoofd tegen de, zijkant van een omgedraaide kookpot. De geur van verbrande soep hing in haar neus. De zon van halverwege de ochtend had de donkere binnenkant van de grote kookpot zó heet gemaakt dat het leek of hij nog op het vuur stond. Het zweet druppelde niet, het stroomde van haar af. Ze liet de grove puimsteen vallen, schoof op haar knieën naar achter en keek woest naar de vrouw naast haar. Of beter gezegd naar de helft van een vrouw die uit een iets kleinere gekantelde ketel stak. Ze porde Nynaeve in haar heup en glimlachte grimmig toen haar hoofd door het gepor tegen de zijkant sloeg en Nynaeve een kreet slaakte. Ze schoof met onheilspellende blik naar buiten, totaal niet gehinderd door de geeuw die ze achter een groezelige hand verborg. Elayne gaf haar niet de kans iets te zeggen.

‘Je moest het weer verpesten, hè? Je kon niet even voor zo’n gesprek je drift beteugelen. We hadden alles in handen en jij moest ons zo nodig onderuit schoppen.’

‘Ze hadden ons toch niet naar Ebo Dar laten gaan,’ mompelde Nynaeve. ‘En ik was niet de enige die tegen zere schenen schopte.’ Ze hief haar kin op een belachelijke manier op, zodat ze Elayne langs haar neus aan kon kijken. ‘Aes Sedai beheersen hun angst,’ zei ze op een toon die heel goed zou passen bij een dronken zwerver die tegen een paard was gewankeld. ‘Ze staan niet toe dat angst hen overheerst. Leid, en we zullen met blijdschap volgen, maar je moet leiden, niet terugdeinzen in de hoop dat er iets komt waardoor je zorgen verdwijnen.’ Elayne werd vuurrood. Zo had ze helemaal niet gedaan. En zo had ze zeker niet gesproken. ‘Nou ja, misschien hebben we allebei ons gezond verstand verloren, maar...’ Ze zweeg bij het geluid van voetstappen. ‘Dus de zonnestraaltjes van de Aes Sedai hebben besloten rust te nemen, nietwaar?’ Faolains glimlach kon niet verder verwijderd zijn van een echte glimlach, ik ben hier niet voor mijn plezier, begrijpen jullie dat? Ik was van plan vandaag te werken aan iets van mezelf, iets dat naar ik vermoed verschrikkelijk veel onbeduidender is dan wat zonnestraaltjes als jullie hebben gedaan. In plaats daarvan moet ik toekijken hoe Aanvaarden pannen schrobben voor hun fouten. Jullie in het oog houden, zodat jullie niet wegsluipen als het stel verwarde novices dat jullie zouden moeten zijn. Vooruit, doorwerken. Ik kan pas weg als jullie klaar zijn en ik ben niet van plan de rest van de dag hier te blijven.’