De donkere vrouw met het krulhaar was, net als Theodrin, soms iets meer dan Aanvaarde, maar lager dan een Aes Sedai. Wat Elayne en Nynaeve geweest zouden zijn als Nynaeve zich niet had gedragen als een kat met de staart tussen de deur. Nynaeve en zijzelf, gaf Elayne aarzelend toe. Sheriam had het ruim uitgemeten tijdens haar verhaal over hoe lang zij in hun ‘vrije’ uurtjes in de keuken de smerigste werkjes die de kokkin kon bedenken, zouden verrichten. Maar zeker geen Ebo Dar. Dat was ook duidelijk gemaakt. Tegen de middag zou een brief naar Merilille onderweg zijn, zo niet eerder. ‘Het... het spijt me,’ zei Nynaeve, en Elayne keek haar met de ogen knipperend aan. Een verontschuldiging van Nynaeve was als sneeuw in de zomer.
‘Het spijt mij ook, Nynaeve.’
‘Inderdaad, terecht,’ zei Faolain. ‘Vooruit, aan het werk! Voor ik een reden vind om jullie naar Tiana te sturen wanneer jullie hier klaar zijn.’ Met een meelijwekkende blik op Nynaeve kroop Elayne de kookpot weer in. Ze ging de ingebrande soeplaag te lijf met puimsteen alsof ze Faolain aanviel. Steenstof en stukjes verkoolde groenten vlogen in het rond. Nee, niet Faolain. De Aes Sedai die bleven zitten terwijl ze iets moesten doen. Ze ging wél naar Ebo Dar, ze ging wél die ter’angreaal zoeken en ze ging wél dat ding gebruiken om Sheriam en alle anderen aan Rhand te binden. Op hun knieën! Haar genies schopte bijna haar schoenen los.
Sheriam draaide zich om van de plek waar ze de jonge vrouwen door een spleet in de schutting had bekeken en liep terug door de smalle steeg met de armzalige groei van dor onkruid en stoppelig gras. ‘Ik betreur het.’ Denkend aan Nynaeves woorden, haar toon, en die van Elayne, dat zielige kind, voegde ze eraan toe: ‘Enigszins.’ Carlinya trok haar neus op. Ze was daar heel goed in. ‘Wilt u Aanvaarden vertellen wat nog geen twintig Aes Sedai hier in Salidar weten?’ Haar mond klapte meteen dicht na een scherpe blik van Sheriam. ‘Er zijn oren waar we ze het minst verwachten,’ zei Sheriam zachtjes. ‘Die meisjes hebben in één ding gelijk,’ merkte Morvrin op. ‘Altor maakt m’n darmen zo slap als water. Welke mogelijkheden hebben we nog met hem?’
Sheriam wist niet zeker of ze niet al sinds heel lang geen enkele mogelijkheid meer hadden. Ze liepen zwijgend verder.
16
Verhalen van het Rad des Tijds
Met de Drakenstaf op zijn knieën hing Rhand op z’n gemak op de Drakentroon. In ieder geval speelde hij dat hij gemakkelijk zat. Tronen waren niet voor het gemak ontworpen, deze voelbaar het allerminst, maar dat vormde slechts een deel van het probleem. Alanna te voelen maakte er ook deel van uit, omdat ze voortdurend in hem leek te porren. Als hij het de Speervrouwen vertelde, zouden ze... Nee, hoe haalde hij zoiets in zijn hoofd! Hij had haar genoeg angst ingeboezemd om haar op afstand te houden en ze had geen enkele poging gedaan de Binnenstad in te gaan. Hij zou het weten als ze dat deed. Nee, momenteel vormde Alanna een kleiner probleem dan het veel te dunne zitkussen. Ondanks dat de met zilver bewerkte blauwe jas tot aan zijn hals dichtgeknoopt was, deerde de hitte hem niet – hij kreeg eindelijk Taims kunstje goed onder de knie – maar als puur ongeduld zweet opleverde, zou hij hebben gedropen alsof hij uit een rivier kwam gekropen. Koel blijven leverde geen enkel probleem op. Zich kalm houden wel. Hij was van plan Elayne een ongeschonden Andor te geven en vanmorgen zou de eerste echte stap daartoe worden gezet. Als ze tenminste eens een keer kwamen opdagen.
‘... en daarbij toegevoegd,’ zei de lange magere man voor de troon op bijna vlakke toon, ‘eenduizend vierhonderddrieëntwintig vluchtelingen uit Morland, vijfhonderdzevenenzestig uit Altara en honderdennegen uit Illian. Voor zover de hoofdelijke telling binnen de eigenlijke stad tot op deze dag heeft opgeleverd, haast ik me eraan toe te voegen.’ De paar toefjes grijs haar die Halwin Norrij nog bezat, stonden net zo rechtop als de ganzenveren die hij achter zijn oren had gestoken. Dat paste wel bij Morgases voormalige hoofdklerk, ik heb nog eens drieëntwintig schrijvers aangenomen voor de tellingen, maar zelfs dan heb ik er niet genoeg om...’
Rhand luisterde niet langer. Hoe dankbaar hij ook was dat de man er niet zoals veel anderen vandoor was gegaan, hij betwijfelde of er voor Norrij een andere werkelijkheid bestond dan de cijfertjes in zijn boeken. Hij somde het aantal doden van een week op alsof het om de prijs van knolletjes die van het platteland werden aangevoerd, ging; op dezelfde stoffige toon. In zijn stem lag even weinig afgrijzen over de dagelijkse ter aarde bestellingen van berooide vluchtelingen zonder vrienden, als vreugde over het inhuren van steenwerkers voor het herstel van de stadsmuren. Voor hem was Illian gewoon een ander land, niet Sammaels verblijfplaats, en Rhand was gewoon een volgende heerser. Waar zijn ze? vroeg hij zich woest af. Waarom heeft Alanna niet op z’n minst geprobeerd me bij te staan? Moiraine zou zich nooit zo gemakkelijk laten afschrikken.
Waar zijn alle doden? fluisterde Lews Therin. Waarom zijn ze niet stil? Rhand grinnikte grimmig. Dat was vast en zeker een grap. Sulin zat in een gemakkelijke hurkzit aan een kant van de troonverhoging en de roodharige Urien zat aan de andere kant. Vandaag hielden samen met de Speervrouwen twintig Aethan Dor, Roodschilden, de wacht tussen de pilaren van de grote zaal. Sommigen droegen de rode haarband. Ze stonden, hurkten of zaten, een paar spraken stilletjes, maar leken als gewoonlijk klaar om in een oogwenk tot handelen over te gaan, zelfs de Speervrouw en de twee Roodschilden die aan het dobbelen waren. Minstens één paar ogen leek Norrij voortdurend in de gaten te houden; er waren maar weinig Aiel die een natlander nabij Rhand vertrouwden.
Opeens verscheen Bashere in de hoge deuropening van de zaal. Hij knikte en Rhand ging rechtop zitten. Eindelijk. Bloedvuur! Eindelijk. De groen-witte kwast zwierde heen en weer, terwijl hij met de met draken besneden Seanchaanse speerschacht zwaaide. ‘U hebt uitstekend werk verricht, meester Norrij. Uw verslag is zeer volledig. Ik zal ervoor zorgen dat u het noodzakelijke geld wordt verstrekt. Maar als u het niet erg vindt, moet ik me nu met andere zaken bezighouden.’ De man liet niets blijken van nieuwsgierigheid, of gekwetstheid dat hij zo plotseling werd onderbroken. Hij zweeg gewoon midden in een woord, boog met een droog ‘zoals de heer Draak beveelt’, en stapte drie passen achteruit voor hij zich omdraaide. Hij liep langs Bashere en keek hem niet eens aan. Niets was echt, alleen de boeken. Ongeduldig knikte Rhand naar Bashere en zette zich rechtop en met een stijve rug op de troon. De Aiel werden stil en leken nu tweemaal zo snel.
Toen de Saldeaan binnenkwam, was hij niet alleen. Twee mannen en twee vrouwen volgden hem op de voet. Ze waren niet jong, en gekleed in dure zijde en brokaat. Ze probeerden net te doen of Bashere er niet was en slaagden daar voor een groot deel in, maar de waakzame Aiel tussen de pilaren konden ze onmogelijk negeren. De hoogblonde Dyelin verstapte zich bijna, maar Abelle en Luan, beiden grijzend maar met harde gezichten, keken gefronst naar de in cadin’sor geklede gestalten en voelden onwillekeurig naar hun zwaarden die ze vandaag niet droegen. Ellorien, een gezette donkerharige vrouw die er heel lief zou uitzien als haar gezicht niet zo vastberaden en versteend was, bleef stokstijf staan en keek woest rond voor ze zich sterkte en zich met vlugge passen bij de anderen aansloot. Hun eerste blik op Rhand veroorzaakte bij alle vier een korte weifeling. Snelle verbaasde blikken werden uitgewisseld. Misschien hadden ze hem ouder gedacht. ‘Mijn heer Draak,’ verkondigde Bashere luid, staande voor de verhoging, ‘Heer van de Morgen, Prins van de Dageraad, Ware Verdediger van het Licht voor wie de wereld in ontzag neerknielt, mag ik u voorstellen: vrouwe Dyelin van Huis Taravin, heer Abelle van Huis Pendar, vrouwe Ellorien van Huis Traemane en heer Pelivar van Huis Coelan.