Rhand staarde. Een wapenstilstand met Sammael? Zelfs als hij erop vertrouwde dat de man zich eraan zou houden, zelfs als het inhield dat er één gevaar opzij werd geschoven tot al het andere was afgehandeld, betekende het ook dat ontelbare duizenden aan Sammaels welwillendheid waren overgelaten, een eigenschap die de man nooit had bezeten. Hij voelde woede langs het oppervlak van de leegte glijden en besefte dat hij saidin had gegrepen. Die vloedgolf van verschroeide zoetheid en bevroren smerigheid leek zijn boosheid te weerkaatsen. Lews Therin. Het leek hem terecht dat de man krankzinnig was met zijn krankzinnigheid. Dezelfde boosheid trilde mee met zijn eigen woede tot hij er geen verschil meer tussen voelde.
‘Breng deze boodschap terug naar Sammael,’ zei hij kil. ‘Elke dode die hij na zijn ontwaken heeft veroorzaakt, leg ik voor hem neer om rekenschap te vragen. Elke moord die hij ooit heeft begaan of uitgelokt, leg ik voor hem neer om rekenschap te vragen. Hij is de gerechtigheid ontkomen in de Rorn M’doi, in Nol Caimaine en Shoadra...’ Wederom herinneringen van Lews Therin, maar de pijn van wat daar was voorgevallen, de doodsangst die Lews Therins ogen daar hadden gezien, schroeiden de leegte alsof ze van Rhand zelf stamden. ‘... Nu echter wil ik dat gerechtigheid geschiedt. Zeg hem dat. Geen wapenstilstand met de Verzakers. Geen wapenstilstand met de Schaduw.’ De bode tilde een schokkende hand op om het zweet van zijn gezicht te vegen. Nee, geen zweet. Zijn hand viel rood omlaag. Vuurrode druppels persten zich door zijn huid heen en hij trilde van top tot teen. Hamad snakte naar adem en deed een stap naar achteren, en hij was niet de enige. Bashere streek, star grijnzend, met z’n knokkels langs zijn snor, en zelfs de Aiel keken met open mond toe. Bloedrood stortte de Illianer in een schokkende hoop neer. Het bloed verspreidde zich om hem heen als een donkere, glinsterende plas vol vegen en strepen door zijn geschok en gebeef.
Rhand keek toe hoe de man stierf, diep begraven in de leegte, niets voelend. De leegte schermde gevoel af en hij kon er trouwens toch niets tegen doen. Zelfs als hij had kunnen helen, zou het niet gestopt kunnen worden.
‘Ik denk,’ zei Bashere langzaam, ‘dat Sammael al een antwoord heeft, wanneer deze man niet terugkeert. Ik heb gehoord van het doden van een boodschapper die slecht nieuws heeft gebracht, maar nog nooit van het doden van een boodschapper die je slecht nieuws gaat brengen.’
Rhand knikte. De dood veranderde niets; het veranderde even weinig als de gegevens van Tigraine deden. ‘Zorg dat iemand hem ter aarde bestelt. Een mooie gedachte zal geen kwaad doen, en evenmin helpen.’ Waarom leken die koninginnen in de vensters hem nog steeds beschuldigend aan te kijken? Ze moesten in hun eigen leven ook erge dingen hebben meegemaakt, misschien wel in deze ruimte. Hij kon Alanna nog steeds aanwijzen, haar voelen; de leegte was geen schild. Kon hij Egwene vertrouwen? Ze hield dingen achter. ‘Misschien breng ik de nacht in Cairhien door.’
‘Een vreemd einde – voor een vreemde man,’ zei Aviendha die om de verhoging aan kwam lopen. Kleine deuren erachter leidden naar kleedkamers en vandaar naar de gangen.
Rhand wilde tussen haar en wat er op de rood en witte tegels lag stappen, maar bleef toch staan. Na een nieuwsgierige blik negeerde Aviendha het lijk. Toen ze Speervrouw was geweest had ze zeker evenveel mannen zien sterven als hij zijn hele leven had gezien. Tegen de tijd dat ze de speer had opgegeven, had ze er waarschijnlijk evenveel gedood als hij had zien doodgaan.
Ze richtte al haar aandacht op hem, liet haar ogen over hem heen gaan om er zeker van te zijn of hij niet ergens gewond was. Sommige Speervrouwen glimlachten haar toe en ze maakten een pad vrij naar Rhand, Roodschilden opzij duwend als dat nodig was, maar ze bleef staan, schikte haar omslagdoek goed en bleef hem opnemen. Het was goed dat wat de Speervrouwen ook bedachten, ze alleen bij hem bleef omdat de Wijzen haar die opdracht hem in het oog te houden hadden gegeven, want hij merkte dat hij daar ter plekke zijn armen om haar heen wilde slaan. Maar goed dat ze hem niet wilde. Hij had haar de ivoren armband gegeven die ze droeg, met rozen en doorns, wat bij haar aard paste. Het was haar enige sieraad, afgezien van een zilveren ketting met de ingewikkelde vormen die de Kandori sneeuwvlokken noemden. Hij wist niet wie die aan haar had gegeven.
Licht! dacht hij walgend. Zowel verlangen naar Aviendha als Elayne, terwijl hij wist dat hij geen van beiden kon hebben. Je bent nog erger dan Mart ooit bedacht heeft. Zelfs Mart had genoeg gezond verstand om uit de buurt van een vrouw te blijven als hij dacht dat hij haar kwaad kon doen.
‘Ik moet ook naar Cairhien,’ zei ze.
Rhand grijnsde. Het aantrekkelijke van een nacht in Cairhien was dat het een nacht zou zijn zonder haar in zijn slaapkamer. ‘Het heeft niets te maken met...’ begon ze scherp, en ze beet toen in haar onderlip met vonken schietende blauwgroene ogen. ik moet met de Wijzen praten. Met Amys.’
‘Natuurlijk,’ zei hij tegen haar. ‘Er is geen reden dat je het niet zou doen.’ Er bestond altijd een kans dat het hem zou lukken haar in Cairhien achter te laten.
Bashere tikte hem op de arm. ‘Je zou vanmiddag komen kijken naar de wapenschouw van mijn ruiters.’ Het klonk terloops, maar zijn schuine ogen benadrukten de woorden.
Het was belangrijk, maar Rhand voelde meer noodzaak uit Caemlin weg te zijn, uit Andor. ‘Morgen. Of overmorgen.’ Hij moest weg van die koninginnen met in hun ogen de vraag of iemand van hun bloed – Licht! Dat was hij! – hun land in stukken zou scheuren zoals hij al met zoveel andere naties had gedaan. Weg van Alanna. Al was het maar voor één nacht. Hij moest weg.
17
Het rad van een leven
Met een stroompje Lucht pakte Rhand zijn zwaardriem, die naast de troon stond, en de Drakenstaf. Hij maakte vlak voor de verhoging een doorgang, een kantelende felle lichtstreep, die zich verwijdde en uitzicht bood op een leeg vertrek met donkere lambrisering op ruim zeshonderd span afstand van Caemlin, in het Zonnepaleis, het koninklijk paleis van Cairhien. Omdat het speciaal voor dit doel was bestemd, stonden er geen meubels in, maar de donkerblauwe vloertegels en houten wandpanelen glansden van het vele poetsen. Het vertrek had geen ramen maar was toch helder verlicht; acht vergulde staande lampen brandden er dag en nacht, waarbij spiegels de olievlammetjes versterkten. Hij bleef staan om zijn zwaard om te gespen, terwijl Sulin en Urien de deuren naar de gang openden en de gesluierde Speervrouwen en Roodschilden voor hem aanvoerden.
In dit geval meende hij dat hun bezorgdheid belachelijk was. De brede gang buiten, de enige toegang tot het vertrek, was reeds overvol met zo’n dertig Far Aldazar Din, Broeders van de Arend, en een twintigtal Mayeners van Berelain in rood geschilderde borstkurassen en met potachtige helmen op, met randen die tot onder aan hun nek reikten. Als er ergens een plaats was waar hij volgens hem geen Speervrouwen nodig had, was het Cairhien, zelfs nog meer dan Tyr. Een Broeder van de Arend sprong verderop al door de gang weg tegen de tijd dat Rhand verscheen en een Mayener, die onhandig zijn speer en kortzwaard vasthield, volgde de langere Aiel. Feitelijk hing een klein legertje rond achter de Far Aldazar Din, bedienden in verschillende livreien, een Tyreense Verdediger van de Steen in zijn fonkelende borstkuras en zwart met gouden jas, een Cairhiense soldaat met een geschoren hoog voorhoofd en een kaler en veel erger gebutst kuras dan dat van de Tyreners, plus twee jonge Aielsen in een donkere, dikke rok en loshangend wit hemd die Rhand meende te herkennen als leerlingen van de Wijzen. Nieuws van zijn aankomst zou zich snel verspreiden. Dat gebeurde altijd.