Gelukkig was Alanna ver weg. Verin ook, maar Alanna was het belangrijkste. Hij voelde haar nog steeds, zelfs op die afstand, enkel een vage indruk dat ze zich ergens in het westen bevond. Zoals je een hand voelde die op een haartje na je nek raakte. Bestond er geen manier om haar kwijt te raken? Hij reikte weer naar saidin, maar dat maakte geen enkel verschil.
Je ontsnapt nooit aan de val die je zelf opzet. Lews Therins gemompel klonk verward. Alleen een grotere kracht kan een kracht breken en dan zit je opnieuw in de val. Voor altijd in de val zodat je niet kunt sterven.
Rhand huiverde. Soms leek het of die stem echt tegen hem sprak. Als het af en toe maar iets betekende, zou de aanwezigheid in zijn hoofd veel gemakkelijker te verdragen zijn.
‘Ik zie je, Car’a’carn,’ zei een Broeder van de Arend. Zijn grijze ogen konden recht in die van Rhand kijken, het schuine litteken over zijn neus was spierwit in het door de zon verbrande gezicht, ik ben Corman van de Mosaada Goshien. Moge je vandaag schaduw vinden.’ Rhand kreeg niet de kans naar behoren te antwoorden voor de Mayeense officier met de rode wangetjes zich een weg naar hem toe drong. Nou ja, niet echt drong – hij was te slank om een man opzij te duwen die een hoofd groter en anderhalf maal zo fors was – maar hij perste zich wel naast Corman tot voor Rhand, waarbij hij onder zijn arm een vuurrode helm hield met een enkele slanke rode pluim. ‘Mijn heer Draak, ik ben Havien Nurelle, luitenantheer van de Vleugelgarde’ – er waren vleugels aangebracht aan beide zijden van de helm – ‘in dienst van Berelain sur Paendrag Paeron, Eerste van Mayene, en eveneens tot uw dienst.’ Corman schonk hem van opzij een vermaakte blik. ik zie je, Havien Nurelle,’ zei Rhand ernstig en de jongen knipperde met zijn ogen. Jongen? Nu hij hem goed bekeek, was hij misschien amper jonger dan Rhand. Het was een schok voor hem. ‘Als jij en Corman mij...’ Opeens besefte hij dat Aviendha ervandoor was. Hij brak bijna zijn rug om de vrouw te vermijden en nu hij voor het eerst sinds weken had goed gevonden haar in zijn buurt toe te laten, glipte ze weg zodra hij de andere kant opkeek. ‘Breng me naar Berelain en Rhuarc,’ beval hij ruw. ‘Als ze niet bij elkaar zijn, breng me dan naar de persoon die het dichtst bij is en haal de ander.’ Ze was op een holletje naar de Wijzen, nam hij aan, om verslag te doen van wat hij ondertussen had uitgespookt. Hij liet die vrouw hier écht achter. Wat je wenst, kun je met krijgen. Wat je niet krijgt, is wat je wenst. Lews Therin lachte als een waanzinnige. Het deed Rhand niet meer zoveel als het hem vroeger had gedaan. Niet zoveel tenminste. Wat verdragen moest worden, kon verdragen worden.
In druk overleg over wie het meest nabij was, lieten Corman en Havien hun mannen achter, maar het was nog steeds een hele stoet, nu alle Speervrouwen en Roodschilden hem op de voet volgden en de gang met de vlakke zoldering vulden. De gang gaf een donker, zwaar gevoel ondanks de brandende staande lampen. Nergens was veel kleur te bekennen, afgezien van enige wandkleden. De Cairhienin probeerden dat goed te maken door alles heel strak en afgepast neer te zetten of op te hangen, of het nu geborduurde bloemen en vogels waren, de herten en luipaarden op een jachttafereel of edellieden in een veldslag. Bij de Cairhiense bedienden die zich opzij drukten, toonde de livrei meestal gekleurde stroken op de polskragen en een geborduurd Huisembleem op de borst, soms een kraag of mouwen in de kleuren van een Huis, heel zelden een gele jas of kleding. Alleen de hogere bedienden zouden meer kleur tonen. Cairhienin hielden van netheid en hadden een hekel aan overdaad. Hier en daar stond in een nis een gouden schaal of een vaas van Zeevolk-porselein, maar alles met heel strenge en rechte lijnen die probeerden de eventuele gebogen lijnen te verdoezelen. Overal waar de gang overging in een colonnade van vierkante zuilen, omdat er een tuin beneden lag, waren wandelpaden in een strak patroon te zien. Ieder bloemenperk was even groot, struiken en kleine boompjes waren heel strak gesnoeid en stonden onderling op dezelfde afstand. Als de droogte en de hitte bloemen hadden toegestaan, zouden ze volgens hem zeker in rechte lijnen hebben gebloeid. Rhand wenste dat Dyelin die schalen en vazen zag. De Shaidostam had door heel Cairhien alles wat draagbaar was meegenomen, en verbrand wat ze konden wanneer ze het niet konden dragen, maar dergelijk gedrag was schennis van ji’e’toh. De Aiel die hem volgden en de stad hadden gered, hadden ook dingen gepakt. Maar volgens hun regels, wat inhield dat ze van een veroverde plaats een vijfde deel mochten meenemen van alles wat er was en geen lepeltje meer. Bael had er zelfs aarzelend mee ingestemd om dat in Andor niet toe te passen, maar Rhand dacht dat niemand zonder een lijst zou geloven dat er helemaal niets was meegenomen.
Ondanks al hun overleg slaagden Corman en Havien er niet in Rhuare of Berelain te vinden totdat zij in feite zelf werden gevonden door de gezochten.
Het tweetal kwam zonder gevolg Rhand in een zuilengang tegemoet, wat hem het gevoel gaf dat hij aan het hoofd van een optocht liep. Rhuarc in zijn cadin’sor, met grijze lokken in zijn donkerrode haar, stak ver uit boven Berelain, een bleke, heel knappe jonge vrouw in een blauw en wit gewaad dat zo laag was gesneden dat Rhand zijn keel moest schrapen toen ze een knix maakte. Met de sjoefa losjes rond de hals droeg Rhuarc als wapen alleen een zwaar Aielmes. Zij droeg de Diadeem van de Eerste, een gouden havik in vlucht, in het glanzend zwarte haar dat golvend tot op haar blote schouders viel. Het was misschien maar goed dat Aviendha weg was gegaan. Soms trad ze heel hardhandig op tegen vrouwen die zich aan hem opdrongen.
Opeens besefte hij dat Lews Therin toonloos aan het neuriën was. Er zat iets verontrustends in, maar wat? Neuriën als een man die een mooie vrouw bewondert die hem niet ziet.
Hou op! schreeuwde Rhand inwendig. Hou op met door m’n ogen te kijken! Hij wist niet of het gehoord was – was daar wel iemand die het kon horen? – maar het neuriën stopte.
Havien ging neer op een knie, maar Berelain gebaarde hem verstrooid weer op te staan. ‘Mag ik erop vertrouwen dat alles goed is met mijn heer Draak en met Andor?’ Ze had het soort stem waar een man altijd naar luisterde. ‘En met uw vrienden, Perijn Aybara en Mart Cauton?’
‘Alles is in orde,’ vertelde hij haar. Ze vroeg altijd naar Mart en Perijn, hoe vaak hij haar ook had gezegd dat de een onderweg was naar Tyr en dat hij de ander sinds de Woestenij niet meer had gezien. ‘En met u?’
Berelain wierp een blik op Rhuarc, terwijl ze aan de andere kant van hem ging lopen, het volgende stuk van de gang in. ‘Zo goed als verwacht mag worden, mijn heer Draak.’
‘Het is in orde, Rhand Altor,’ zei Rhuarc. Er was niet veel van zijn gezicht af te lezen, maar dat gebeurde zelden.
Rhand wist dat beiden begrepen waarom hij Berelain hier als het hoogste gezag had aangesteld. Kille redenen. De eerste heerser die hem vrijwillig een bondgenootschap had aangeboden, kon hij vertrouwen, omdat ze hem nodig had. Nu meer dan ooit, sinds dat bondgenootschap om Tyr van Mayenes keel te houden. De Hoogheren hadden altijd getracht Tyr als hun gewest te behandelen. Als een vreemdelinge uit een klein land dat honderden roeden naar het zuiden lag, had ze in Cairhien bovendien geen reden om de ene groepering meer te bevoordelen dan een andere. Een greep naar de macht zou niet lukken en ze wist hoe een land bestuurd moest worden. Harde redenen. Als hij aan de gevoelens van de Aiel over de Cairhienin dacht en omgekeerd, zou Rhuarc als heerser tot bloedvergieten hebben geleid en Cairhien had daar al meer dan genoeg van gezien.